Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2021:1017

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2021
Publicatiedatum
25 juni 2021
Zaaknummer
19/03812
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over verhuurderheffing 2015 in belastingzaak

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de verhuurderheffing die hij over 2015 had voldaan. Ook de Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen dezelfde uitspraak. Beide partijen dienden meerdere schriftelijke stukken in, waaronder verweerschriften en conclusies van repliek en dupliek.

De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen van beide partijen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Ten aanzien van de proceskosten werd de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de kosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op € 2.136 voor beroepsmatige rechtsbijstand. Belanghebbende werd niet in de proceskosten veroordeeld. Het arrest werd op 25 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren van de Hoge Raad.

De uitspraak bevestigt daarmee het oordeel van het hof en sluit het geschil over de verhuurderheffing 2015 af, zonder inhoudelijke wijziging van het bestreden arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en bevestigt het hofarrest over de verhuurderheffing 2015.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/03812
Datum25 juni 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op de beroepen in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 juli 2019, nr. BK-18/00635, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/5143) betreffende een door belanghebbende over het jaar 2015 op aangifte voldaan bedrag aan verhuurderheffing.

1.Geding in cassatie

Zowel belanghebbende, vertegenwoordigd door A.S.M. van Balen, als de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2. Beoordeling van de door belanghebbende en door de Staatssecretaris voorgestelde middelen
De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

Wat betreft het beroep in cassatie van de Staatssecretaris zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.
Wat betreft het beroep in cassatie van belanghebbende ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.136 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2021.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.