Belanghebbende had voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV en Zvw ontvangen waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning was vastgesteld op € 34.625 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nihil. De Inspecteur stelde dat sprake was van een positief resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) vanwege onrechtmatige ruimtegewijze onderverhuur van panden.
De Rechtbank oordeelde dat de inkomsten uit verhuur als ROW kwalificeren en dat de door belanghebbende opgevoerde kosten onvoldoende waren onderbouwd om aftrek te rechtvaardigen. Tevens werd het beroep op ondernemersfaciliteiten afgewezen. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de verhuurde woningen en leningen tot de rendementsgrondslag van box 3 behoren en dat kosten op het ROW in aftrek moeten worden gebracht. Het Hof oordeelde dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat sprake is van ROW, dat de kosten niet zijn onderbouwd en dat ondernemersfaciliteiten niet van toepassing zijn. Het beroep op interne compensatie slaagde wel, omdat sprake was van stakingswinst die niet was meegenomen.
Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.