Belanghebbende, eigenaar van een restaurant, maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebepaling van de onroerende zaak en de daaraan verbonden aanslag. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een verzoek tot vergoeding van immateriële schade af wegens geringe termijnoverschrijding.
In hoger beroep betwistte belanghebbende de vastgestelde waarde en de afwijzing van de schadevergoeding. Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de eigen huurprijs als marktconform werd erkend. De waarde werd daarom vastgesteld op €100.000.
Daarnaast stelde het Hof vast dat de redelijke termijn met ongeveer een maand was overschreden, wat recht gaf op een vergoeding van €500 aan belanghebbende. Ook werden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking hadden op de WOZ-waarde en immateriële schadevergoeding.