ECLI:NL:GHDHA:2024:739
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- T.A. de Hek
- M.J.M. van der Weijden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waardebepaling onroerende zaak volgens Wet WOZ na hoger beroep
Belanghebbende is eigenaar van een eindwoning uit 1929, waarvan de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2020 door de Heffingsambtenaar is vastgesteld op € 300.000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
De Heffingsambtenaar baseerde de waardebepaling op een waarderapport en waardeopbouw waarbij verkoopgegevens van vergelijkbare woningen in dezelfde plaats zijn gebruikt. De rechtbank oordeelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de vergelijkingsobjecten een betere ligging en onderhoudstoestand hadden en hiervoor correcties waren toegepast.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de waarde te hoog was vastgesteld en dat onvoldoende rekening was gehouden met de coronacrisis. Het hof oordeelde dat de waardepeildatum 1 januari 2019 ligt vóór de coronapandemie, zodat dit argument niet opgaat. Tevens bevestigde het hof dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat de correcties voor verschillen in kwaliteit, onderhoud en ligging adequaat zijn toegepast.
Het hof concludeerde dat de vastgestelde waarde in een juiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van € 300.000 wordt bevestigd.