ECLI:NL:GHDHA:2024:742
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kwalificatie onderwijsactiviteiten als economische of niet-economische prestaties voor btw
Belanghebbende, een onderwijsinstelling voor middelbaar beroepsonderwijs, voerde in hoger beroep aan dat al haar onderwijsactiviteiten als economische activiteiten moeten worden aangemerkt voor de btw, zodat zij recht heeft op een hogere aftrek van voorbelasting. De Inspecteur stelde dat het onderwijs aan minderjarige leerlingen en BOL-opleidingen niet onder bezwarende titel worden verricht en dus niet als economische activiteiten kwalificeren.
De Rechtbank oordeelde dat deze onderwijsactiviteiten zelfstandige niet-economische prestaties zijn, omdat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de door leerlingen betaalde bijdragen en de geleverde diensten. Het hof bevestigt dit oordeel en voegt toe dat de bijdragen slechts een gering deel van de kosten dekken en niet worden bepaald op basis van criteria die de bedrijfskosten dekken, wat wijst op een heffing in plaats van een vergoeding.
Het hof wijst ook het beroep op het neutraliteits-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel af, omdat de wet- en regelgeving correct is toegepast en er geen sprake is van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.