Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 8 mei 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, de Heffingsambtenaar,
Procesverloop
Feiten
€ 551.040
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, eigenaar van een supermarkt, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.720.000 voor het jaar 2021, stellende dat deze te hoog was. Na afwijzing van bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
De Heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport gebaseerd op de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij vergelijkbare supermarkten in dezelfde gemeente als referenties dienden. De rechtbank en het hof oordeelden dat de gehanteerde kapitalisatiefactor van 11,2 en de huurwaarde van €120 per m², ook voor opslagruimte, voldoende waren onderbouwd en niet te hoog vastgesteld.
Belanghebbende voerde aan dat de huurwaarde van de opslagruimte lager moest worden vastgesteld en dat de coronapandemie een waardedrukkend effect had, maar dit werd verworpen omdat supermarkten juist profiteerden van de pandemie en de waardepeildatum vóór de pandemie lag.
Daarnaast verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof stelde vast dat de vertraging grotendeels te wijten was aan de handelwijze van de gemachtigde, met name door late betaling van griffierechten, waardoor geen vergoeding werd toegekend.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €1.720.000 bevestigd zonder vergoeding van immateriële schade.