Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[naam 1] Beheer B.V.,
[appellant 2] ,
[appellant 3],
1.[naam 2] Beheer B.V.,
[geïntimeerde 2] ,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 31 januari 2023 waarmee [naam 1] c.s. in hoger beroep is gekomen van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 6 januari 2023 (hierna: het vonnis);
- de memorie van grieven van [naam 1] c.s., met bijlagen;
- de memorie van antwoord houdende incidenteel appel van [naam 2] c.s., met bijlagen;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel, met bijlagen;
- de bijlagen 8 en 9 die [naam 1] c.s. ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
Algemeen
[appellant 2] vindt dat de overeenkomst uit 2012 waarin staat dat op 67-jarige leeftijd een aanbiedingsplicht van de aandelen ontstaat geen recht doet aan de intenties die er toen waren en hij wil terug naar de gedachten van toen, in de periode dat [broer] nog aandeelhouder was.
[appellant 2] wil van tafel schuiven wat er toen is afgesproken en vindt dat er vanuit de beide families van [appellant 2] en [geïntimeerde 2] tenminste één opvolger moet komen.
(…)
[appellant 2] ziet mogelijkheden om de eigendomsverhoudingen en de bestuursverhoudingen van elkaar te scheiden.
[geïntimeerde 2] is het niet eens met de visie van [appellant 2] weergegeven onder 1) en vindt dat de afspraken uit 2012 (waaronder die m.b.t. de aanbiedingsplicht bij de leeftijd van 67 jaar) ongewijzigd van toepassing zijn en moeten blijven.
[geïntimeerde 2] geeft aan een afvaardiging uit beide families nooit zo te hebben zien zitten. [geïntimeerde 2] geeft aan dat je moet kunnen en willen samenwerken. Dat moet een vrije keuze zijn. [zoon geïntimeerde twee 1] en [zoon geïntimeerde twee 2] hebben aangegeven dat zij graag samen het bedrijf voortzetten zonder [zoon appellant 2] en [appellant 3] voor zover het betreft het verwarmingsbedrijf.
[geïntimeerde 2] geeft aan dat hij, anders dan [appellant 2] , de aandelen wil overdragen aan de ondernemers zelf en dus geen scheiding voorstaat van eigendom en bestuur. [geïntimeerde 2] denkt dat dit ook financieel haalbaar is.
(…)”
4.Procedure bij de rechtbank
5.De beslissing van de voorzieningenrechter
6.Vorderingen in hoger beroep
7.Beoordeling in hoger beroep
Eiswijziging
langdurige samenwerking op persoonlijke titel en op basis van gelijkwaardigheid”als genoemd in de considerans (onder E.) van de samenwerkingsovereenkomst. Naar het oordeel van het hof heeft [naam 1] c.s. hier een punt: indien het de bedoeling zou zijn dat de onderneming uiteindelijk aan [geïntimeerde 2] zou toevallen (zodat uiteindelijk de zonen van [geïntimeerde 2] met uitsluiting van de zonen van [appellant 2] de onderneming zouden kunnen voortzetten), zou dat immers afdoen aan de gelijkwaardigheid. Daarbij komt dat als het daadwerkelijk de bedoeling zou zijn geweest dat de onderneming – na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door [appellant 2] – als [geïntimeerde 2] dat zou wensen aan [geïntimeerde 2] zou toevallen, het in de rede had gelegen dit op een niet voor misverstanden vatbare wijze in de managementovereenkomst op te nemen en in ieder geval bij het sluiten van die overeenkomst te bespreken. [naam 1] c.s. heeft er – onweersproken – op gewezen dat de notaris die de stukken heeft opgesteld, bij het ondertekenen van de managementovereenkomst de bepaling niet heeft toegelicht in de zin als door [naam 2] c.s. bepleit. [appellant 2] heeft verder – onweersproken – betoogd dat als hij begrepen zou hebben dat dit de bedoeling was van artikel 4 lid Pro 2, hij de managementovereenkomst niet zou hebben getekend.
op verzoek van de algemene vergadering van aandeelhouderslegt de managementvennootschap alle functies neer. Daarbij past niet een uitleg van artikel 4 lid 2 van Pro de managementovereenkomst die inhoudt dat deze overeenkomst kan worden opgezegd door (in feite alleen) [geïntimeerde 2] , met als gevolg dat [appellant 2] gehouden is al zijn functies neer te leggen. Deze uitleg strookt evenmin met het bepaalde in artikel 7.5 van de statuten van de STAK, waarin ten aanzien van besluiten tot ontslag van een bestuurder van [bedrijf 1] is voorgeschreven dat deze door het bestuur van de STAK slechts geldig genomen kunnen worden met algemene stemmen in een vergadering waar alle bestuursleden aanwezig zijn.
8.Beslissing
- verklaart [naam 2] c.s. niet-ontvankelijk in haar vorderingen ten aanzien van [appellant 3] ;
- veroordeelt [naam 2] c.s. in de proceskosten van [appellant 3] , tot op heden begroot op nihil;
- vernietigt het tussen [naam 2] c.s. en [naam 1] c.s. gewezen vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 6 januari 2023,