ECLI:NL:GHDHA:2025:104
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende is eigenaar van een bovenwoning uit 1929 met een oppervlakte van 37 m2. De heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk stelde de WOZ-waarde van deze woning per 1 januari 2021 vast op €153.000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
Belanghebbende ging in hoger beroep en stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld en dat hij recht had op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde juist was vastgesteld, onder meer door een matrix met vergelijkingsobjecten die voldoende vergelijkbaar waren en recent waren verkocht. De door belanghebbende aangevoerde gronden waren onvoldoende concreet en werden deels buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding stelde het Hof vast dat de redelijke termijn met anderhalve maand kon worden verlengd vanwege omstandigheden zoals de late overlegging van een machtiging en vertraging door de gemachtigde. Hierdoor was de termijn niet overschreden en werd de vergoeding afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €153.000 bevestigd; het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.