ECLI:NL:GHDHA:2025:106
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende is eigenaar van een bovenwoning uit 1929 met een oppervlakte van 37 m2. De Heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2021 vastgesteld op €125.000 en dit besluit is door de Rechtbank bevestigd na bezwaar en beroep.
In hoger beroep stelt belanghebbende dat de waarde te hoog is vastgesteld en vordert een verlaging naar €109.000, alsmede een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof oordeelt dat de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, onder meer door een systematische vergelijking met vergelijkingsobjecten die voldoende vergelijkbaar zijn.
De door belanghebbende aangevoerde gronden zijn deels algemeen en deels pas ter zitting geconcretiseerd, waardoor het Hof deze laat buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. Daarnaast wijst het Hof het beroep op betalingsonmacht met betrekking tot het griffierecht af.
Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade overweegt het Hof dat de redelijke termijn met anderhalve maand verlengd moet worden vanwege omstandigheden, waaronder het late overleggen van een machtiging en vertraging door de gemachtigde. Hierdoor is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn die vergoeding rechtvaardigt.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.