ECLI:NL:GHDHA:2025:1180

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
23 juni 2025
Zaaknummer
200.347.997/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging voorschotbetaling funderingsschade

In deze civiele procedure vordert appellant schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024. Dit vonnis veroordeelde appellant en een medeaansprakelijke partij hoofdelijk tot betaling van een voorschot van €82.092,96 aan geïntimeerden vanwege schade aan hun woning door funderingswerkzaamheden aan de woning van appellant.

Appellant voert aan dat het rapport van de gerechtelijk deskundige, waarop de rechtbank haar oordeel baseerde, gebreken vertoont en dat de schade nog niet is gerealiseerd omdat herstelwerkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Tevens stelt appellant dat hij en de medeaansprakelijke partij onvoldoende financiële middelen hebben om aan de voorschotveroordeling te voldoen, waardoor tenuitvoerlegging tot een maatschappelijk onwenselijke situatie leidt.

Het hof oordeelt dat het uitgangspunt is dat vonnissen uitvoerbaar zijn, ook bij hoger beroep, tenzij zwaarwegende omstandigheden anders rechtvaardigen. Het hof vindt dat de grieven van appellant geen kennelijke misslag aantonen in het oordeel van de rechtbank en dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd waarom zijn financiële situatie zodanig is dat schorsing gerechtvaardigd is.

Daarom wijst het hof de vordering tot schorsing af en behoudt zich de beslissing over de proceskosten voor tot de hoofdzaak. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.347.997/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/616443 / HA ZA 21-726
Arrest in het incident van 15 juli 2025
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
eiser in het incident,
advocaat: mr. H.C. Uittenbogaart, kantoorhoudend in Alphen aan den Rijn,
tegen

1.[geïntimeerde 1],

wonend in [woonplaats],
2.
[geïntimeerde 2],
wonend in [woonplaats],
geïntimeerden,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans, kantoorhoudend in Goes.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde 1] c.s.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] vordert in dit incident schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van 15 mei 2024
.Het hof wijst deze vordering af.

2.Het procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 14 augustus 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het eindvonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024 en de door de rechtbank gewezen tussenvonnissen;
  • de memorie van grieven van [appellant] met daarin opgenomen de incidentele vordering ex artikel 351 Rv Pro, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in incident van [geïntimeerde 1] c.s.;

3.De aanleiding voor dit incident

3.1
[appellant] en [naam] (hierna: [naam]) hebben in december 2019 funderingswerkzaamheden laten uitvoeren aan hun woning gelegen aan [adres] 55 in [plaats]. [geïntimeerde 1] c.s. zijn eigenaar van de woning gelegen aan [adres] 57 in [plaats]. Deze grenst direct aan de woning van [appellant] en [naam].
3.2
[geïntimeerde 1] c.s. hebben [appellant] en [naam] aansprakelijk gesteld voor geleden en nog te lijden schade aan hun woning wegens die funderingswerkzaamheden en een voorschot op de schadevergoeding gevorderd.
3.3
De rechtbank heeft een gerechtelijk deskundige benoemd, die een rapport heeft uitgebracht. Mede op basis van dit rapport heeft de rechtbank bij het eindvonnis onder meer voor recht verklaard dat [appellant] en [naam] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [geïntimeerde 1] c.s. wegens de funderingswerkzaamheden verricht aan [adres] 55 en [appellant] en [naam] hoofdelijk veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het eindvonnis een voorschot op de te lijden schade van € 82.092,96 te betalen. De rechtbank heeft het eindvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.4
[naam] heeft ook hoger beroep ingesteld. Deze procedure is bij het hof bekend onder nummer 200.347.996/01.

4.De vordering in het incident

4.1
In het incident vordert [appellant] dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 15 mei 2024 zal worden geschorst.
4.2
[geïntimeerde 1] c.s. concluderen, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering in het incident.

5.De beoordeling van de vordering in het incident

5.1
Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering voert [appellant] het volgende aan. Niet is uit te sluiten dat de grieven van [appellant] tegen het eindvonnis zullen leiden tot een andere beslissing in hoger beroep. [appellant] heeft onvoldoende inkomen en geen vermogen om aan de voorschotveroordeling te kunnen voldoen. Het is [appellant] bekend dat hetzelfde geldt voor [naam], die de moeder van hun minderjarige kinderen is. Tenuitvoerlegging van het eindvonnis zou wat hem betreft leiden tot een maatschappelijk onwenselijke situatie. Het rapport van de gerechtelijk deskundige is niet bedoeld om de schade van [geïntimeerde 1] c.s. vast te stellen en de rechtbank had het daar nooit voor mogen gebruiken. Bovendien kleven er meerdere gebreken aan dat rapport en het onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt. Tot slot heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerde 1] c.s. – ook volgens het rapport van de gerechtelijk deskundige – nog geen schade hebben omdat zij nog geen herstelwerkzaamheden hebben laten uitvoeren, zodat de rechtbank op onjuiste gronden [geïntimeerde 1] c.s. een voorschot op de schade heeft toegekend.
5.2
Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding is om de tenuitvoerlegging van het eindvonnis te schorsen.
5.2.1
Uitgangspunt is dat een beslissing zonder nadere voorwaarden uitvoerbaar moet zijn, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan van dit uitgangspunt afwijken als de omstandigheden dat rechtvaardigen. Dat is het geval als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die nu is, ondanks dat uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van de uitspraak. Het hof gaat daarbij uit van de beslissingen en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen in de uitspraak van de rechtbank en kijkt niet naar de kans van slagen van een eventueel hoger beroep daartegen, tenzij zij op een kennelijke misslag berusten. In dat geval, kan het hof dit in zijn oordeel betrekken. [1]
5.2.2
De vordering van [appellant] strekt ertoe de veroordeling tot betaling van het voorschot op te schorten. Die veroordeling heeft de rechtbank mede gebaseerd op het rapport van de door haar benoemde gerechtelijk deskundige. Volgens de rechtbank zijn [appellant] en [naam] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade aan de woning van [geïntimeerde 1] c.s. veroorzaakt door de funderingswerkzaamheden die zij aan hun eigen woning hebben laten uitvoeren. De rechtbank acht de schade die [geïntimeerde 1] zullen lijden c.s. groter dan het gevorderde voorschotbedrag, zodat er reden is [appellant] en [naam] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het gevorderde voorschot.
5.2.3
Voor zover [appellant] zich erop beroept dat het oordeel van de rechtbank berust op een kennelijke misslag, slaagt dat betoog niet. [appellant] formuleert bezwaren tegen het oordeel van de gerechtelijk deskundige, maar hieruit volgt niet dat het oordeel van de rechtbank berust op een kennelijke misslag. Deze bezwaren zijn dus enkel grieven tegen het oordeel van de rechtbank die bij de behandeling van het hoger beroep aan de orde zullen komen. Zij spelen dan ook geen rol bij de beoordeling van de vraag of de tenuitvoerlegging van het eindvonnis moet worden geschorst. Dat maakt dat bij de belangenafweging moet worden uitgegaan van de oordelen van de rechtbank zoals omschreven in 5.2.2.
5.2.4
Het belang van [appellant] om niet aan de veroordeling tot betaling van het voorschot te voldoen, is volgens hem vooral gelegen in zijn financiële situatie. [appellant] heeft echter niet concreet toegelicht waarom zijn financiële situatie (momenteel) dusdanig slecht is dat hij niet aan de veroordeling tot betaling van het voorschot kan voldoen. Hetzelfde geldt voor de concrete financiële situatie van [naam], waarop [appellant] zich beroept. Anders dan [appellant], acht het hof ook niet relevant dat [geïntimeerde 1] c.s. nog geen herstelwerkzaamheden hebben laten uitvoeren. Dat betekent immers niet dat [geïntimeerde 1] c.s. het voorschot niet nodig hebben. [appellant] heeft al met al niet voldoende onderbouwd waarom het belang van [geïntimeerde 1] c.s. om betaling van het voorschot te krijgen, minder zwaar weegt dan het belang van [appellant] om de situatie te houden zoals deze is.
5.3
De conclusie is dat de incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis zal worden afgewezen. Het hof zal de proceskosten in het incident reserveren tot aan de beslissing in de hoofdzaak.

6.De beslissing

Het hof:
in het incident
  • wijst de vordering van [appellant] af;
  • houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak;
  • wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak

  • verwijst de zaak naar de rol van 26 augustus 2025 voor memorie van antwoord;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, H.J. van Harten en J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.