Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2025:1272

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
24/200.354.766/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 4 Wrakingsprotocol gerechtshof Den HaagArt. 16 Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren in bestuursrechtelijke belastingzaak

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de drie raadsheren die betrokken zijn bij de behandeling van zijn bestuursrechtelijke belastingzaak. Het verzoek richt zich op het niet verlenen van uitstel voor de mondelinge behandeling in afwachting van een belangrijke beslissing van de Hoge Raad.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek zonder zitting en concludeerde dat de raadsheren geacht worden onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel bewijzen. De wrakingsgronden betroffen met name het oordeel dat het uitstelverzoek onterecht werd afgewezen, maar dit betreft een procedurele beslissing waartegen wraking niet kan worden ingesteld.

De wrakingskamer vond geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Het verzoek tot uitstel was niet definitief afgewezen maar zou ter zitting worden behandeld. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en de beslissing openbaar uitgesproken op 26 juni 2025.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de drie raadsheren is afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 200.354.766/01
Nummer hoofdzaak : BK-24/653
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 26 juni 2025.
inzake het schriftelijke verzoek om wraking, als bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de hoofdzaak met het genoemde nummer van:

[X] ,

wonende te [Z] ,
verzoeker.

Het geding

1.1.
De procedure waarin verzoeker het verzoek om wraking (wrakingsverzoek) heeft gedaan (de hoofdzaak) betreft een zaak van verzoeker tegen de invorderingsambtenaar van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (de Invorderingsambtenaar). In deze procedure was de mondelinge behandeling door de meervoudige belastingkamer van het hof bepaald op 20 mei 2025 ten overstaan van R.A. Bosman (voorzitter), M.J.M. van der Weijden en C. Maas.
1.2.
Bij brief met dagtekening 7 mei 2025 heeft verzoeker om uitstel van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak verzocht. In de brief wordt – zakelijk weergegeven – aangegeven dat de verzoeker het wenselijk acht dat wordt gewacht op een beslissing van de Hoge Raad in september 2025, alvorens de zaak inhoudelijk wordt behandeld.
1.3.
Bij bericht met dagtekening 12 mei 2025 heeft het hof het volgende aan verzoeker meegedeeld:
“(…)
Naar aanleiding van uw brief, waarin u verzoekt om uitstel van de zitting van dinsdag 20 mei 2025 om 11.30 uur, deel ik u mede, dat geen uitstel wordt verleend. Uw verzoek om uitstel c.q. aanhouding zal ter zitting worden behandeld.
De behandeling van de zaak zal op dinsdag 20 mei 2025 om 11.30 uur plaatsvinden.”
1.4.
Bij brief met dagtekening 16 mei 2025 heeft verzoeker een verzoek om wraking gedaan van R.A. Bosman, M.J.M. van der Weijden en C. Maas (hierna: de raadsheren wier wraking is verzocht).
1.5.
De raadsheren wier wraking is verzocht hebben bij e-mailbericht van 19 mei 2025 aan de wrakingskamer meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten.

Het wrakingsverzoek

2. In het wrakingsverzoek is, onder meer, het volgende vermeld:
“(…)
A) Per brief dd 7/5/25 heeft ondergetekende (hierna: verzoeker) met inachtneming van de Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2025 dd 1/1/25, gemotiveerd uitstel verzocht van de zitting op 20/5/25 in bovenvermelde inhoudelijke zaak, wegens het in afwachting zijn van een belangrijke beslissing van de Hoge Raad (zie bijlage bij brief 7/5/25) tegen een eerdere gerelateerde wrakingsbeslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof en zal die beslissing van de Hoge Raad als richtinggevend worden beschouwd in de praktijk, en direct van invloed zijn op de inhoudelijke behandeling van de zaak 24/653 door het gerechtshof op een zitting, die gepland staat op 20/5/25
B) De wrakingsgronden zijn
nietgericht tegen het niet verlenen van uitstel per 12/5/25
C) De wrakingsgronden richten zich op het feit dat:
1) de 3 bovengenoemde (gewraakte) raadsheren, los van de afwijzing, met de afwijzing van 12/5/25 van verzoeker’s uitstelverzoek dd 7/5/25, in
strijdhebben gehandeld met art. 16 van Pro bovengenoemde Procesregeling dat bepaald dat een gemotiveerd uitstelverzoek wordt
toegewezen, terwijl de 3 raadsheren juist geen
andere belangenbekend hebben gemaakt in die afwijzingsbrief van 12/5/25, waardoor de Procesregeling door hen met willekeur wordt toegepast.
2) verzoeker al zijn uitstelgronden per 7/5/25 al heeft benoemd en nu door de 3 raadsheren aan het lijntje wordt gehouden, door enerzijds zijn uitstelverzoek per 12/5/25 af te wijzen, maar anderzijds de mogelijkheid suggereren om zijn uitstelverzoek eventueel toch toe te wijzen op de zitting van 20/5/25, wat opnieuw bij de 3 raadsheren willekeur blootlegt en tevens verzoeken onnodig belast met het aanwenden van zijn middelen en tijd, dat met een alsnog in tweede instantie toewijzende uitstelbrief zal worden veroorzaakt.
3) de 3 raadsheren het zorgvuldig gemotiveerde uitstelverzoek dd 7/5/25 van verzoeker, slechts op ongemotiveerde en niet inzichtelijke wijze per 12/5/25 hebben afgewezen en dat het dan volledig ontbreekt aan een gedachtegang en opnieuw willekeur blootlegt bij de 3 raadsheren.
4) nu de drie raadsheren in strijd met het verbod van willekeur en art. 16 van Pro de Procesregeling, verzoeker’s gemotiveerde uitstelverzoek van de behandeling op de zitting ongemotiveerd hebben afgewezen en juist zonder overige belangen bekend te maken, verzoeker het risico loopt dat die handel- en werkwijze en willekeur van de 3 raadsheren herhaald gaat worden door ook verzoeker’s inhoudelijke gronden in zaak 24/653 ongemotiveerd te passeren en ten koste zal gaan van een eerlijke behandeling van verzoeker’s inhoudelijke zaak.
5) de 3 raadsheren de Hoge Raad als laatste instantie binnen de Nederlandse rechtsorde niet relevant achten voor hun eigen inhoudelijke behandeling op een zitting die gepland staat op 20/5/25, waarmee de 3 raadsheren het rechtspraak-systeem voor verzoeker verzwakken en ten koste zal gaan van een eerlijke behandeling van verzoeker’s inhoudelijke zaak.
6) de 3 raadsheren niet accepteren dat de aanstaande richtinggevende beslissing van de Hoge Raad direct van invloed zal zijn op de timing en relevantie van hun inhoudelijke behandeling op een zitting die gepland staat op 20/5/25, en de 3 raadsheren blijkbaar een vooringenomen voorschot nemen op die aanstaande richtinggevende beslissing van de Hoge Raad.
7) de 3 raadsheren in strijd handelen met de in verzoeker’s uitstelbrief van 7/5/25 genoemde jurisprudentie van de Raad van State, m.b.t. het aanhouden van de zaak wegen procedurele efficientie (ECLI:NL:RVS:2014:188, rov. 4.3.1)
Uit bovenstaande wrakingsgronden kan worden afgeleid, dat de rechterlijke onpartijdigheid van de behandelende raadsheren schade lijdt en wraakt verzoeker de behandelende raadsheren o.g.v. art. 8:15 Awb Pro.
(…)”

Beoordeling van het wrakingsverzoek

3.1.
De wrakingskamer doet dit verzoek om wraking af zonder behandeling ter zitting (zie artikel 4, lid 1, onderdeel a, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag). Het verzoek is kennelijk ongegrond.
3.2
Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1331).
3.3
Op grond van artikel 8:15 Awb Pro kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.4.
De wrakingsgronden komen in de kern erop neer dat de raadsheren wier wraking is verzocht ten onrechte de mondelinge behandeling niet hebben uitgesteld in afwachting van een volgens de verzoeker voor de hoofdzaak van belang zijnde beslissing van de Hoge Raad. Volgens verzoeker kan hieruit worden afgeleid dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.
3.5.
Voor processuele beslissingen, zoals het weigeren van een dergelijk verzoek om uitstel, geldt dat zij geen grond kunnen opleveren voor wraking. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de procedurele beslissingen van het hof. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel is belast met de behandeling van de zaak. Slechts indien een beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat het hof jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De beslissing van het hof is naar het oordeel van de wrakingskamer niet zo onbegrijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de raadsheren wier wraking is verzocht jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Daar komt bij dat het verzoek tot uitstel niet op voorhand is afgewezen, maar dat het volgens het bericht van het hof ter zitting zal worden behandeld. Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden is dus geen sprake.
3.6
Het voorgaande brengt mee dat het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.

Beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek om wraking af, en
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, aan de raadsheren wier wraking is verzocht, alsmede aan de Invorderingsambtenaar.
Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J. van Boven, P. Glazener en L. Koper, in aanwezigheid van de griffier mr. T. van Hout. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2025.