Deze zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag die de terugkeer van een minderjarige van Nederland naar Australië gelastte op grond van het Haags Verdrag inzake internationale kinderontvoering.
De moeder, die met het kind naar Nederland was vertrokken zonder toestemming van de vader, stelde zich op het standpunt dat zij toestemming had voor een definitieve verhuizing en voerde diverse weigeringsgronden aan. Het hof oordeelde echter dat geen ondubbelzinnige toestemming was gegeven en dat sprake was van ongeoorloofde achterhouding.
Het hof stelde vast dat de termijn van één jaar tussen de achterhouding en het verzoek tot teruggeleiding nog niet was verstreken, waardoor de onmiddellijke terugkeer moest worden gelast. De door de moeder ingeroepen weigeringsgronden van berusting, ondragelijke toestand en schending van fundamentele rechten faalden, mede omdat de vader actief optrad om terugkeer te bewerkstelligen en er geen bijzondere omstandigheden waren die terugkeer zouden verhinderen.
De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en de moeder werd bevolen het kind uiterlijk 8 september 2025 terug te brengen naar Australië, al dan niet via overdracht aan de vader met geldige reisdocumenten.