De Heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn legde belanghebbende een aanslag leges van €10.233,15 op. Belanghebbende maakte bezwaar, dat niet-ontvankelijk werd verklaard, waarna beroep werd ingesteld bij de Rechtbank Den Haag. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, verminderde de aanslag tot nihil en veroordeelde de gemeente tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De gemeente stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de procedure bereikten partijen een compromis waarbij de aanslag werd vastgesteld op €1.500, met vergoeding van griffierecht en proceskosten in beroep. Het geschil bleef beperkt tot de vergoeding van proceskosten in hoger beroep en een immateriële schadevergoeding wegens de duur van de procedure.
Het Hof veroordeelde de gemeente tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep van €2.146,68, bestaande uit forfaitaire kosten voor rechtsbijstand, reiskosten en verletkosten. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen omdat de totale procedure minder dan vier jaar duurde, waardoor geen overschrijding van de redelijke termijn werd vastgesteld.
De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd behalve voor de proceskosten en griffierechtveroordeling. De aanslag werd verminderd tot €1.500 en de gemeente werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen.