Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
3.Feitelijke achtergrond
- verklaringen voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld;
- een verbod voor de Staat om uitingen, beleid en maatregelen op het UU-rapport te baseren;
- een verbod voor de Staat om op enigerlei wijze de suggestie te wekken dat seksueel misbruik binnen de geloofsgemeenschap van CGJG veelvuldiger voorkomt dan elders in de maatschappij en/of dat CGJG of haar leden (potentiële) slachtoffers van seksueel misbruik in strijd met een daartoe voor CGJG bestaande rechtsplicht onvoldoende ondersteuning en/of bescherming biedt/bieden;
- een immateriële schadevergoeding.
4.Procedure bij de rechtbank
“slechts summierlijk”had onderbouwd, terwijl het – nu zij al over een veelheid aan (groten)deels leesbare bescheiden beschikte – op haar weg lag om per document of per categorie documenten aan te geven welke informatie zij daarin mist en in hoeverre die informatie kan dienen ter onderbouwing van haar standpunt. Ook het verzoek ten aanzien van toekomstige stukken is afgewezen, omdat volgens de rechtbank volstrekt onduidelijk was op welke stukken zij doelde. Bovendien had CGJG naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van deze bescheiden haar rechtmatig belang bij ongecensureerde exhibitie niet inzichtelijk gemaakt. Het gebrek aan een voldoende concreet rechtmatig belang stond naar het oordeel van de rechtbank ook in de weg aan toewijzing van het verzoek op grond van het EVRM.
5.Verzoek in hoger beroep
- Met grief 1 betoogt CGJG dat de rechtbank voor het verzoek van belang zijnde feiten buiten beschouwing heeft gelaten, althans dat CGJG niet kan nagaan of de rechtbank alle aangedragen feiten bij het eindoordeel heeft betrokken. Met name heeft de rechtbank volgens haar onvoldoende acht geslagen op de verwikkelingen voorafgaand aan de totstandkoming van het UU-rapport. CGJG stelt dat de Staat zich achter de schermen vanaf het prille begin baseerde op weinig gesubstantieerde informatie en ongefundeerde vermoedens van ambtenaren en dat daaruit al blijkt dat sprake was van vooringenomenheid en/of oneigenlijke beïnvloeding.
- Grief 2 valt uiteen in twee delen. Met het eerste deel voert CGJG aan dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door ten onrechte te eisen dat CGJG per document of per categorie documenten had moeten aangeven welke informatie zij daarin miste en in hoeverre die informatie kan dienen ter onderbouwing van haar standpunt. CGJG stelt dat de vereisten van artikel 843a Rv in onderlinge samenhang moeten worden bekeken, en dat de vraag hoe specifiek stukken moeten worden genoemd afhangt van het doel dat de exhibitie moet dienen en de rechtsbetrekking waarop zij betrekking hebben. Het verzoek is volgens haar hoe dan ook voldoende specifiek. Het tweede deel van grief 2 houdt in dat CGJG wel degelijk rechtmatig belang heeft bij de verzochte stukken en dat geen sprake is van een ‘fishing expedition’. CGJG heeft in hoger beroep de verzochte stukken op twee manieren nader gecategoriseerd (op die categorisering wordt hieronder teruggekomen). CGJG wil kunnen aantonen dat sprake is geweest van oneigenlijke beïnvloeding en stelt dat het daarvoor nodig is dat zij exact kan reconstrueren hoe en waarom het onderzoek is opgestart en wie daarbij op welk moment betrokken waren, en waarom, alsmede hun betrokkenheid ná publicatie van het rapport. CGJG verwijst ook in hoger beroep in dit verband naar het rapport Ongemakkelijk Onderzoek van 15 januari 2019 en voert aan dat een deel van de in dit rapport genoemde signalen van oneigenlijke beïnvloeding is bevestigd in de gecensureerde kopieën van de openbaar gemaakte documenten en dat daaruit verder blijkt dat ambtenaren input hebben gegeven op de conclusies en aanbevelingen van ten minste drie conceptversies van het rapport.
- Grief 3 gaat in op het oordeel van de rechtbank over de verzochte toekomstige bescheiden. Volgens CGJG zijn ook die stukken wel degelijk voldoende bepaalbaar.
- Met grief 4 voert CGJG aan dat zij op grond van de artikelen 6, 8, 9 en 10 EVRM recht heeft op niet-geredigeerde kopieën van informatie die ‘ready and available’ is. CGJG stelt dat een rechtmatig belang geen vereiste is voor het recht op uitoefening van ‘the freedom to receive and impart information’ onder artikel 10 EVRM Pro. Als dat wel zo zou zijn, geldt volgens haar dat wel degelijk sprake is van een legitiem belang. Verder wijst zij op het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde ‘adversarial principle and the principle of equality arms’ en het door artikel 8 EVRM Pro beschermde ‘right to information held by a public authority’.
6.Beoordeling in hoger beroep
- álle op de Wob-inventarislijsten voorkomende stukken en
- álle onder de Wob/Woo nog te verstrekken stukken, en
- alle conceptrapporten.
“juist om de (…) oneigenlijke beïnvloeding aan te tonen is nodig dat de CGJG exact kan reconstrueren hoe en waarom het onderzoek is opgestart en wie daarbij op welk moment betrokken waren, en waarom, alsmede hun betrokkenheid ná publicatie van het UU-rapport.”CGJG voert aan dat beleidsopvattingen onder de Wob weliswaar niet openbaar gemaakt hoeven te worden als het gaat om intern beraad, maar dat in dit geval de (civiele) waarheidsvinding moet prevaleren. Als hof het goed begrijpt wil CGJG ook de conceptversies vergelijken met het definitieve rapport, om zo te kunnen vaststellen, aan de hand van de leesbaar gemaakte input, tot welke wijzigingen die input heeft geleid.
7.Beslissing
- bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2024;
- veroordeelt CGJG in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.404,-;
- bepaalt dat als CGJG niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, CGJG de Staat de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-.