ECLI:NL:GHDHA:2025:2035

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 september 2025
Publicatiedatum
30 september 2025
Zaaknummer
200.343.861/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 6 EVRMArt. 8 EVRMArt. 9 EVRMArt. 10 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ongecensureerde stukken WODC-rapport over seksueel misbruik binnen Jehova’s getuigen

In deze civiele zaak vordert de Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen (CGJG) ongecensureerde afschriften van documenten die betrekking hebben op het WODC-rapport over seksueel misbruik binnen hun gemeenschap. CGJG stelt dat er sprake is van oneigenlijke beïnvloeding door ambtenaren van het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de totstandkoming van het rapport en wil met de gevorderde stukken deze stelling onderbouwen.

De rechtbank wees het verzoek af wegens onvoldoende concreet rechtmatig belang en het hof bekrachtigt deze beslissing. Het hof overweegt dat CGJG onvoldoende heeft gespecificeerd welke stukken relevant zijn en waarom, waardoor het verzoek neerkomt op een ongeoorloofde 'fishing expedition'. Daarnaast is vastgesteld dat het rapport en de onderzoeksprocedure niet onrechtmatig waren en dat de betrokken ambtenaren binnen de geldende kaders handelden.

Ook het beroep op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) biedt geen grond voor toewijzing. Het hof concludeert dat het inzagerecht niet onbeperkt is en dat de belangenafweging in deze zaak niet in het voordeel van CGJG uitvalt. CGJG wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot afgifte van ongecensureerde stukken wegens ontbreken van een concreet rechtmatig belang.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.861/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : C/09/649127 / HA RK 23-237
Beschikking van 16 september 2025
in de zaak van
Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland,
gevestigd in Emmen,
verzoekster,
advocaat: mr. D. Becht, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
Staat der Nederlanden,
gevestigd in Den Haag,
verweerder,
advocaat: mr. I.M. van der Heijden, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna CGJG en de Staat.

1.De zaak in het kort

1.1
In december 2019 heeft de Universiteit Utrecht in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (hierna: WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: het Ministerie) het rapport ‘Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehova’s getuigen’ uitgebracht. Het CGJG stelt dat rond de totstandkoming van dat rapport sprake is geweest van oneigenlijke beïnvloeding door ambtenaren van het Ministerie. Zij heeft onder de toenmalige Wet openbaarheid van het bestuur (Wob) een groot aantal stukken gekregen van het WODC en het Ministerie. Daarin zijn delen weggelakt. In deze procedure vordert zij – kort gezegd – ongecensureerde afschriften van die stukken. Daarnaast wil zij alsnog afgifte van de conceptversies van het rapport. Zij baseert deze vorderingen primair op artikel 843a Wetboek van Rechtsvordering (Rv) en subsidiair op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
1.2
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en het hof is het daarmee eens.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 7 mei 2024, is CGJG in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2024.
De Staat heeft een verweerschrift ingediend dat op 2 oktober 2024 is ontvangen ter griffie van het hof.
2.2.
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 19 juni 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Op 3 juli 2018 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen [1] waarin de regering is verzocht om onderzoek uit te voeren naar opgedane ervaringen met seksueel misbruik van personen die onderdeel zijn (geweest) van CGJG, met als doel inzicht te krijgen in het mogelijk onderliggende patroon, de gebruikte (kerk)regels, gebruiken en structuren binnen CGJG en de invloed die dit heeft op de aangiftebereidheid van deze personen. Daarnaast heeft de Tweede Kamer de regering in deze motie verzocht te bewerkstelligen dat een analyse wordt gemaakt van de ter zake in andere landen reeds verrichte onderzoeken en daarbij, zo mogelijk, aanbevelingen voor Nederland te formuleren. Aanleiding voor deze motie waren berichten in de media en meldingen van de Stichting Reclaimed Voices, een stichting opgericht door ex-leden van CGJG, waaruit een beeld naar voren kwam dat slachtoffers van seksueel misbruik binnen CGJG niet (altijd) steun zouden krijgen bij het doen van aangifte en ontmoedigd zouden worden om naar buiten te treden.
3.2
De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: ‘de Minister’) heeft het WODC gevraagd dit onderzoek uit te voeren. Het WODC heeft het onderzoek in december 2018 uitbesteed aan de Universiteit Utrecht (hierna: de UU).
3.3
Vlak nadat het WODC de opdracht aan de UU had verleend, kwam op 15 januari 2019 het rapport Ongemakkelijk Onderzoek uit. In het rapport werd geconcludeerd dat ambtenaren van het Ministerie in de periode 2017-2019 regelmatig de onafhankelijkheid van het WODC hadden geschaad en dat in dat verband sprake was van structurele tekortkomingen in de relatie tussen het WODC en de beleidsafdelingen van het Ministerie. De rapporteurs achtten het aannemelijk dat bij ten minste enkele onderzoeken sprake is geweest van oneigenlijke beïnvloeding op opzet, uitvoering of conclusies van WODC-onderzoek.
3.4
Het UU-onderzoek is onder meer uitgevoerd door middel van de instelling van een elektronisch contactpunt op de website van de UU, waar (vermeende) slachtoffers tussen 6 maart 2019 en 1 juni 2019 vragen konden beantwoorden, diepte-interviews met (vermeende) slachtoffers en hun naasten, een gesprek met het bestuur van CGJG, dossier-inzage en een gesprek met het bestuur van de Stichting Reclaimed Voices. Het onderzoeksteam heeft in diverse fasen van het onderzoek overleg gehad met de begeleidingscommissie, die was samengesteld door het WODC ten behoeve van de advisering van de onderzoekers en de kritische reflectie op (tussentijdse) resultaten (zie UU-onderzoek, p. 27). De voorzitter van deze begeleidingscommissie was een bestuursadviseur, verbonden aan een organisatie voor strategie en bestuur. Daarnaast bestond de commissie uit twee wetenschappers (een hoogleraar Empirical Legal Studies en een emeritus hoogleraar Sociologie van Kerk en Godsdienst), een medewerker van het WODC en een beleidsmedewerker van het Ministerie.
3.5
Op 2 december 2019 is de ‘Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming van 25 november 2019 nr. 2710533 betreffende de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid’ (Regeling wetenschappelijke onafhankelijkheid WODC) in werking getreden. Op 5 december 2019 is mede ter uitwerking hiervan het ‘Kader voor omgang tussen medewerkers van het Ministerie van JenV en het WODC in opeenvolgende fasen van het onderzoek’ (het Omgangskader) vastgesteld.
3.6
De UU heeft haar onderzoeksbevindingen neergelegd in het rapport ‘Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehovah’s getuigen’ van 11 december 2019 (hierna: ‘het UU-rapport’). In het rapport staat dat niet aan waarheidsvinding is gedaan, maar dat doel van het onderzoek was hoe er met meldingen van seksueel misbruik door de gemeenschap van Jehova’s getuigen volgens de respondenten wordt omgegaan. Het rapport vermeldt dat het bestuur van CGJG zich gedurende het onderzoek coöperatief heeft opgesteld.
3.7
CGJG heeft samen met één van haar leden de Staat en de UU in kort geding gedagvaard. In die procedure vorderden zij - kort gezegd – een verbod op publicatie van het UU-rapport. De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft die vordering bij mondeling vonnis van 23 januari 2020 afgewezen, omdat naar zijn oordeel onvoldoende was vast komen te staan dat de Staat en de UU door publicatie van het UU-rapport onrechtmatig jegens CGJG en het desbetreffende lid zouden handelen.
3.8
De Minister heeft het UU-rapport vervolgens bij brief van 23 januari 2020 aan de Tweede Kamer gezonden. Als gevolg daarvan is het UU-rapport op diverse overheidswebsites gepubliceerd. Naar aanleiding van het UU-rapport zijn in diverse media uitingen verschenen met een jegens Jehova’s getuigen negatieve (onder)toon.
3.9
CGJG heeft bij brief van 5 maart 2020 aan de Minister te kennen gegeven dat zij geen gehoor zal geven aan diens verzoek om een intern meldpunt in te richten conform de aanbevelingen in het UU-rapport. De Minister heeft hierop maatregelen getroffen c.q. aangekondigd en diverse uitlatingen over CGJG gedaan, zowel in de Tweede Kamer als op sociale media en televisie.
3.1
Op 4 augustus 2020 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen in het hoger beroep van het onder 3.7. bedoelde kort geding. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat het spoedeisend belang ontbrak omdat het rapport al was gepubliceerd, onder meer op websites waarvoor de Staat en het WODC niet verantwoordelijk zijn, en heeft de uitspraak van de voorzieningenrechter bekrachtigd
3.11
Op 1 oktober 2021 hebben CGJG en één van haar leden de Staat in een bodemprocedure bij de rechtbank Den Haag gedagvaard. In die procedure vorderen zij kort gezegd:
  • verklaringen voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld;
  • een verbod voor de Staat om uitingen, beleid en maatregelen op het UU-rapport te baseren;
  • een verbod voor de Staat om op enigerlei wijze de suggestie te wekken dat seksueel misbruik binnen de geloofsgemeenschap van CGJG veelvuldiger voorkomt dan elders in de maatschappij en/of dat CGJG of haar leden (potentiële) slachtoffers van seksueel misbruik in strijd met een daartoe voor CGJG bestaande rechtsplicht onvoldoende ondersteuning en/of bescherming biedt/bieden;
  • een immateriële schadevergoeding.
CGJG en het individuele lid hebben ter onderbouwing van het gevorderde onder meer aangevoerd dat de Minister zich bij het bepalen van de maatregelen jegens de CGJG ten onrechte op het UU-rapport heeft gebaseerd. Ook hebben zij aangevoerd dat de Minister door zijn uitlatingen binnen de Tweede Kamer, op sociale media en in de talkshow Opl, onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de CGJG en haar leden. Volgens hen zijn de uitlatingen en de getroffen maatregelen in strijd met meerdere grondrechten en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Kort voor de mondelinge behandeling is door hen een incidentele exhibitievordering op grond van artikel 843a Rv ingesteld. De rechtbank heeft deze vordering bij rolbeslissing van 11 mei 2023 geweigerd wegens strijd met de goede procesorde.
3.12
De rechtbank heeft bij vonnis van 13 december 2023 de vorderingen in de bodemprocedure afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat dat de Minister zich op het UU-rapport heeft mogen baseren, en dat de uitlatingen van de Minister in de media – hoewel kritisch – binnen de grenzen van het toelaatbare zijn gebleven. Voor uitingen in de Tweede Kamer geniet de Minister naar het oordeel van de rechtbank immuniteit. Ook de maatregelen die de Minister heeft genomen, zijn, gelet op de ernst van de kwestie, de concrete en specifieke signalen die de Minister uit de Tweede Kamer en het maatschappelijk veld hadden bereikt, en gelet op de beleidsruimte die de Minister bij het nemen van maatregelen toekomt, volgens de rechtbank gerechtvaardigd en proportioneel en voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de (grond)rechten van eisers niet zijn geschonden. CGJG is in hoger beroep gegaan van deze beslissing. De memorie van grieven is op 17 juni 2025 genomen.
3.13
Voorafgaand aan het starten van de bodemprocedure heeft CGJG onder meer bij het WODC en het Ministerie een verzoek ingediend op grond van de inmiddels per 1 mei 2022 vervallen Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Deze verzoeken strekken tot het verkrijgen van kopieën van alle bescheiden die betrekking hebben op het onderzoek van het UU en de totstandkoming van het UU-rapport. Het WODC en de Minister hebben deze Wob-verzoeken op 18 mei 2020 respectievelijk 16 juni 2021 deels toegewezen. Tegen deze besluiten om de verzochte informatie slechts deels openbaar te maken, heeft CGJG bezwaar gemaakt.
3.14
Op die bezwaren is op 27 oktober 2020 respectievelijk 12 april 2022 beslist, waarbij opnieuw een deel van de gevraagde informatie is geweigerd. CGJG heeft tegen deze beslissingen op bezwaar beroep ingesteld bij de bestuursrechter. In die beroepsprocedures is nog niet beslist (de zittingen hebben plaatsgevonden in april 2025).
3.15
In het kader van deze Wob-procedures zijn door het WODC en het Ministerie inventarislijsten aan CGJG verstrekt, waarin de aangetroffen bescheiden kort zijn beschreven en waarin is aangegeven of deze al dan niet (deels) openbaar worden gemaakt.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Bij verzoekschrift van 5 juni 2023 heeft CGJG de rechtbank verzocht om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking
1. de Staat te veroordelen tot afgifte van
primair:
a) niet-geanonimiseerde afschriften van de in de volgende inventarisatielijsten genoemde bescheiden (met uitzondering van de correspondentie tussen de Staat en zijn advocaten):
(i) inventarislijst 18 mei 2020 met betrekking tot het Wob-verzoek bij WODC (producties 21 en 25);
(ii) inventarislijst 16 juni 2021 met betrekking tot het Wob-verzoek bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (producties 22 en 26)
(iii) inventarislijst 12 april 2022 met betrekking tot het besluit op bezwaar op het Wob-verzoek bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (producties 23 en 27)
b) de toekomstige bescheiden die voortkomen uit de reeds tegen het WODC en het Ministerie van Justitie en Veiligheid aanhangige Wob-procedures, althans
subsidiair: de bescheiden betreffende de periode vanaf januari 2018 tot en met de publicatie van het UU-rapport in januari 2020 althans
meer subsidiair:de in goede justitie te bepalen bescheiden;
2. de Staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 500.000,- als niet binnen vier weken na betekening van de te wijzen uitspraak is voldaan aan de onder 1 verzochte veroordeling;
3. in alle gevallen met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.2
Deze verzoeken zijn primair gebaseerd op artikel 843a Rv en subsidiair op artikel 10 EVRM Pro, bezien in samenhang met de artikelen 6, 8 en 9 EVRM. Samengevat heeft CGJG aangevoerd het niet eens te zijn met het UU-rapport en de manier waarop de Staat met dat rapport is omgegaan. Volgens CGJG heeft de Staat onrechtmatig gehandeld ná de publicatie van dat rapport en bestaat er daarnaast een aanzienlijke kans dat de Staat ook voor de publicatie onrechtmatig heeft gehandeld. CGJG stelt dat er sterke aanwijzingen zijn dat bij het onderzoek en de totstandkoming van het rapport sprake is geweest van vooringenomenheid van en oneigenlijke beïnvloeding door de Staat. Volgens CGJG kan dat aan de hand van de ongecensureerde stukken, waarin de namen van de betrokken ambtenaren en onderzoekers, beleidsopvattingen, interpretaties en andere teksten niet zijn weggelakt, worden onderbouwd. CGJG kan dit als bewijs gebruiken in de lopende bodemprocedure: als sprake is van oneigenlijke beïnvloeding kan de Staat geen beroep meer doen op het rapport ter rechtvaardiging van de gedane uitlatingen. Daarnaast kan een dergelijke oneigenlijke beïnvloeding worden aangemerkt als een zelfstandige onrechtmatige daad op grond waarvan in een nieuwe procedure een vordering kan worden gebaseerd. Tot slot stelt CGJG dat zij op grond van het EVRM een tweeledig belang heeft bij volledige openbaarmaking van de verzochte informatie ten aanzien van de periode voor, tijdens en na het UU-onderzoek: niet alleen heeft CGJG de informatie nodig voor de bodemprocedure, maar de informatie is ook nodig om de ongeveer 30.000 Jehovah’s getuigen in Nederland en mogelijk ook het publiek in het algemeen te informeren over de mate van (oneigenlijke) beïnvloeding door de Staat.
4.3
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en CGJG in de proceskosten veroordeeld. Zij heeft daartoe overwogen, samengevat, dat CGJG het verzoek zodanig beperkt heeft onderbouwd, dat naar het oordeel van de rechtbank niet valt te beoordelen of CGJG een voldoende concreet rechtmatig belang heeft bij ongecensureerde verstrekking van de door haar gevorderde stukken. De rechtbank was van oordeel dat CGJG het verzoek
“slechts summierlijk”had onderbouwd, terwijl het – nu zij al over een veelheid aan (groten)deels leesbare bescheiden beschikte – op haar weg lag om per document of per categorie documenten aan te geven welke informatie zij daarin mist en in hoeverre die informatie kan dienen ter onderbouwing van haar standpunt. Ook het verzoek ten aanzien van toekomstige stukken is afgewezen, omdat volgens de rechtbank volstrekt onduidelijk was op welke stukken zij doelde. Bovendien had CGJG naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van deze bescheiden haar rechtmatig belang bij ongecensureerde exhibitie niet inzichtelijk gemaakt. Het gebrek aan een voldoende concreet rechtmatig belang stond naar het oordeel van de rechtbank ook in de weg aan toewijzing van het verzoek op grond van het EVRM.

5.Verzoek in hoger beroep

5.1
CGJG is in hoger beroep gekomen. Zij verzoekt – zakelijk weergegeven – de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken toe te wijzen. Zij heeft haar verzoek onder 1. primair sub a in hoger beroep vermeerderd en vordert nu ook de veroordeling van de Staat tot afgifte van de bescheiden genoemd in
(iv) de inventarislijst van 12 maart 2024 betreffende het herstelbesluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
5.2
Samengevat zien de grieven (de bezwaren) van CGJG op het volgende.
  • Met grief 1 betoogt CGJG dat de rechtbank voor het verzoek van belang zijnde feiten buiten beschouwing heeft gelaten, althans dat CGJG niet kan nagaan of de rechtbank alle aangedragen feiten bij het eindoordeel heeft betrokken. Met name heeft de rechtbank volgens haar onvoldoende acht geslagen op de verwikkelingen voorafgaand aan de totstandkoming van het UU-rapport. CGJG stelt dat de Staat zich achter de schermen vanaf het prille begin baseerde op weinig gesubstantieerde informatie en ongefundeerde vermoedens van ambtenaren en dat daaruit al blijkt dat sprake was van vooringenomenheid en/of oneigenlijke beïnvloeding.
  • Grief 2 valt uiteen in twee delen. Met het eerste deel voert CGJG aan dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door ten onrechte te eisen dat CGJG per document of per categorie documenten had moeten aangeven welke informatie zij daarin miste en in hoeverre die informatie kan dienen ter onderbouwing van haar standpunt. CGJG stelt dat de vereisten van artikel 843a Rv in onderlinge samenhang moeten worden bekeken, en dat de vraag hoe specifiek stukken moeten worden genoemd afhangt van het doel dat de exhibitie moet dienen en de rechtsbetrekking waarop zij betrekking hebben. Het verzoek is volgens haar hoe dan ook voldoende specifiek. Het tweede deel van grief 2 houdt in dat CGJG wel degelijk rechtmatig belang heeft bij de verzochte stukken en dat geen sprake is van een ‘fishing expedition’. CGJG heeft in hoger beroep de verzochte stukken op twee manieren nader gecategoriseerd (op die categorisering wordt hieronder teruggekomen). CGJG wil kunnen aantonen dat sprake is geweest van oneigenlijke beïnvloeding en stelt dat het daarvoor nodig is dat zij exact kan reconstrueren hoe en waarom het onderzoek is opgestart en wie daarbij op welk moment betrokken waren, en waarom, alsmede hun betrokkenheid ná publicatie van het rapport. CGJG verwijst ook in hoger beroep in dit verband naar het rapport Ongemakkelijk Onderzoek van 15 januari 2019 en voert aan dat een deel van de in dit rapport genoemde signalen van oneigenlijke beïnvloeding is bevestigd in de gecensureerde kopieën van de openbaar gemaakte documenten en dat daaruit verder blijkt dat ambtenaren input hebben gegeven op de conclusies en aanbevelingen van ten minste drie conceptversies van het rapport.
  • Grief 3 gaat in op het oordeel van de rechtbank over de verzochte toekomstige bescheiden. Volgens CGJG zijn ook die stukken wel degelijk voldoende bepaalbaar.
  • Met grief 4 voert CGJG aan dat zij op grond van de artikelen 6, 8, 9 en 10 EVRM recht heeft op niet-geredigeerde kopieën van informatie die ‘ready and available’ is. CGJG stelt dat een rechtmatig belang geen vereiste is voor het recht op uitoefening van ‘the freedom to receive and impart information’ onder artikel 10 EVRM Pro. Als dat wel zo zou zijn, geldt volgens haar dat wel degelijk sprake is van een legitiem belang. Verder wijst zij op het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde ‘adversarial principle and the principle of equality arms’ en het door artikel 8 EVRM Pro beschermde ‘right to information held by a public authority’.

6.Beoordeling in hoger beroep

Primaire grondslag artikel 843a Rv (grieven 1 tot en met 3)
Juridisch kader [2]
6.1
Aan het hof ligt de vraag voor of CGJG op grond van artikel 843a Rv recht heeft op afgifte van de hierboven onder 4.1 en 5.1 bedoelde stukken. Artikel 843a Rv voorziet niet in een onbeperkt recht op inzage of afschrift van stukken die een ander onder zich heeft. Op grond van lid 1 van deze bepaling moet zijn voldaan aan drie cumulatieve vereisten:
de eiser moet een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel;
het moet gaan om bepaalde bescheiden, en
deze bescheiden moeten verband houden met een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is of was; daaronder valt ook een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad.
Zoals CGJG terecht heeft opgemerkt (grief 2) moeten deze vereisten in onderlinge samenhang worden beschouwd. De vereisten hebben mede als doel ‘fishing expeditions’ te voorkomen en geven de rechter een kapstok om de belangen af te wegen en de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek bij de beoordeling te betrekken.
6.2
Het vereiste van ‘rechtmatig belang’ brengt onder meer mee dat geen stukken kunnen worden opgevraagd waarvan de eiser slechts vermoedt dat zij weleens steun kunnen geven aan zijn of haar stelling. Speculaties over een mogelijke gang van zaken zijn niet voldoende en een rechtmatig belang kan dus niet zijn gelegen in de wens om een vermoeden alsnog handen en voeten te geven.
6.3
Verder geldt dat het aan de verzoekende partij is om de stukken zodanig concreet te omschrijven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld én dat getoetst kan worden of er inderdaad een rechtmatig belang bij inzage of afschrift bestaat. CGJG voeren terecht aan dat het niet (altijd) nodig is dat elk afzonderlijk stuk afzonderlijk wordt gespecificeerd; het omschrijven van bepaalde categorieën van stukken kan in bepaalde gevallen volstaan. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
6.4
De derde eis houdt in dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop het verzoek ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van stukken verlangt om een door hem vermoede onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden moeten stellen en met eventueel al beschikbaar bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan. Wat in dit verband als een voldoende mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Enerzijds is uitgangspunt dat niet hoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing van een vordering in kort geding, anderzijds moeten aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde onrechtmatigheid bij de beoordeling van een inzageverzoek wel hogere eisen worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal.
6.5
Ook als aan deze drie vereisten is voldaan, kan het zijn dat een verzoek om inzage of afgifte toch wordt afgewezen, namelijk – voor zover in deze zaak relevant – als sprake is van gewichtige redenen (artikel 843a lid 4 Rv).
6.6
Het feit dat een verzoek onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob 1992, nu de Wet open overheid, Woo) is afgewezen, staat niet in de weg aan een verzoek op grond van artikel 843a Rv [3] . In een Wob-procedure gaat het om een aan iedereen toekomende aanspraak op publieke openbaarheid en de criteria in zo’n procedure zijn ook niet hetzelfde als de criteria in een artikel 843a Rv-procedure. Dat neemt niet weg dat de omstandigheid dat de verzoeker via een Wob-procedure al stukken heeft ontvangen wel een relevante factor kan zijn bij de beoordeling van het 843a Rv-verzoek (zie ook hierna).
6.7
Tot slot geldt het volgende. Op 1 januari 2025 is het nieuwe bewijsrecht in werking getreden, waaronder ook nieuwe regels omtrent het inzagerecht. Op deze zaak is zoals gezegd artikel 843a Rv nog van toepassing. CGJG heeft ter zitting bepleit dat het hof bij de interpretatie van dit verzoek niettemin moet uitgaan van een reflexwerking van het nieuwe stelsel, waarin voorop staat dat het inzagerecht geen ultimum remedium is, maar een snelle en eenvoudige wijze om voorafgaand aan een procedure de bewijspositie te beoordelen en waarin de nadruk ligt op het waarborgen van ‘equality of arms’ tussen de procespartijen. Wat daar ook van zij, ook onder het nieuwe recht is het inzagerecht niet onbegrensd. Er gelden nog steeds eisen, onder meer om tot een zorgvuldige belangenafweging te komen en ‘fishing expeditions’ te voorkomen. Het hof volstaat hier met de overweging dat het in deze zaak onder het nieuwe recht tot eenzelfde uitkomst zou zijn gekomen. Dat wordt niet anders doordat onder het nieuwe recht de eis van een voldoende aannemelijke rechtsbetrekking niet (meer) geldt.
6.8
Het hof zal het verzoek tegen de achtergrond van het voorgaande beoordelen.
De op de inventarislijsten vermelde stukken: niet aan de eisen voldaan (grieven 1 en 2)
6.9
CGJG vermoedt dat sprake is geweest van oneigenlijke beïnvloeding. Zij stelt dat dit met de verzochte ongecensureerde stukken nader te onderbouwen is en dat dit voor haar van belang is met het oog op het hoger beroep in de bodemprocedure, waarin de Staat zich ter rechtvaardiging van zijn handelen op het rapport beroept. Daarnaast zou de oneigenlijke beïnvloeding ook een zelfstandige onrechtmatige daad opleveren. Zoals hierboven al vermeld, wil CGJG de ongecensureerde versies van:
  • álle op de Wob-inventarislijsten voorkomende stukken en
  • álle onder de Wob/Woo nog te verstrekken stukken, en
  • alle conceptrapporten.
6.1
Het gaat om meer dan duizend stukken. CGJG voert op zich terecht aan (grief 2) dat die grote hoeveelheid als zodanig nog geen reden voor afwijzing is, maar zoals de Staat onweersproken heeft gesteld (en zoals overigens ook het hof is gebleken), zitten tussen al die stukken ook veel stukken waarvan vrijwel direct duidelijk is dat deze niet relevant zijn voor het beroep op oneigenlijke beïnvloeding. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt immers niet in te zien waarom bijvoorbeeld offertes, facturen, contracten, mails over het Privacy Impact Assessment en communicatie over de geheimhoudingsverklaring (dit is een niet-limitatieve opsomming), gebruikt kunnen worden ter onderbouwing van de gestelde oneigenlijke beïnvloeding. Dit betekent dat voor een aanzienlijk deel van de verzochte stukken hoe dan ook niet aan de vereisten van 843a Rv is voldaan. CGJG heeft in hoger beroep weliswaar een categorisering aangebracht maar hierna zal worden uiteengezet dat deze niet afdoende is. Het hof is het met de Staat en de rechtbank eens dat CGJG aan de hand van de al openbaar gemaakte stukken redelijkerwijs in staat moest worden geacht een nadere onderbouwing te geven van haar verzoek en beter te omschrijven van welke stukken, dan wel van welk type stukken, zij de ongecensureerde versie wil en waarom zij daarbij een rechtmatig belang heeft. De stukken zijn niet alle zodanig gecensureerd dat dat niet mogelijk was. Dat klemt temeer nu CGJG op basis van de verstrekte stukken zelf ook al conclusies trekt.
6.11
De door CGJG aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad van 29 november 2024 [4] en van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2025 [5] doen aan het voorgaande niet af. In de zaak waar de uitspraak van de Hoge Raad op zag ging het om een bewijsbeslag op een administratie waarin na een zoekslag met zoektermen in een bijzonder grote hoeveelheid digitale bestanden, nog steeds een grote hoeveelheid bestanden (ca 650.000) overbleef. De Hoge Raad overwoog dat in zo’n geval “niet uit te sluiten” valt dat sommige bestanden ten onrechte tot de geselecteerde bestanden behoren, maar dat dit nog niet voldoende reden is voor afwijzing van een inzagevordering, omdat ook in dat geval het rechtmatig belang van de verzoeker zwaarder kan wegen dan het belang van de beslagene. In de onderhavige zaak liggen de feiten anders en is niet alleen “niet uit te sluiten” dat zich onder de verzochte stukken ook niet-relevante stukken bevinden, maar staat dat als onweersproken vast. Zoals hierboven al overwogen valt bovendien niet in te zien waarom in dit geval niet redelijkerwijs van CGJG gevergd kon worden dat zij een beter werkbare categorisering aan zou brengen ten behoeve van de toetsing aan de eisen van artikel 843a Rv. Het belang van CGJG bij afgifte van álle verzochte stukken weegt in elk geval niet zonder meer zwaarder dan het belang van de Staat om niet gedwongen te worden ook stukken zonder enige kenbare relevantie af te geven.
6.12
In de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2025 stond vast dat de Gemeente Delft heimelijk en zonder toepassing van hoor en wederhoor een onderzoek naar de lokale moslimgemeenschap had uitgevoerd. De rechtbank achtte aannemelijk dat dit onrechtmatig was. Ook stond in die zaak vast dat de door de moskee-stichting gevorderde stukken in directe relatie stonden tot die onrechtmatige daad. Dat is een belangrijk verschil met de onderhavige zaak, waarin het juist de vraag is of er voldoende aanwijzingen zijn voor het gestelde onrechtmatige handelen (zie hierna) en waarin juist niet vaststaat dat alle gevorderde stukken betrekking hebben op dat handelen.
6.13
In hoger beroep heeft CGJG een categorisering in de stukken aangebracht, maar die is zoals gezegd niet afdoende. Het gaat om de volgende categorisering:
- Categorie 1: ontbrekende informatie
CGJG heeft ten aanzien van deze categorie aangevoerd dat zij wil bereiken dat de Staat leesbaar maakt:
alle namen van de ambtenaren (inclusief hun functie),
alle (persoonlijke) beleidsopvattingen van de ambtenaren, en
de door hen concreet gegeven input op de vraagstelling en de conceptversies van het rapport.
CGJG stelt dat zij de individuele ambtenaren wil kunnen linken aan beleidsopvattingen en aan de gegeven input bij de start, de uitvoering en de totstandkoming van het rapport en aan de input op de vraagstelling en op het rapport zelf. Ook stelt zij:
“juist om de (…) oneigenlijke beïnvloeding aan te tonen is nodig dat de CGJG exact kan reconstrueren hoe en waarom het onderzoek is opgestart en wie daarbij op welk moment betrokken waren, en waarom, alsmede hun betrokkenheid ná publicatie van het UU-rapport.”CGJG voert aan dat beleidsopvattingen onder de Wob weliswaar niet openbaar gemaakt hoeven te worden als het gaat om intern beraad, maar dat in dit geval de (civiele) waarheidsvinding moet prevaleren. Als hof het goed begrijpt wil CGJG ook de conceptversies vergelijken met het definitieve rapport, om zo te kunnen vaststellen, aan de hand van de leesbaar gemaakte input, tot welke wijzigingen die input heeft geleid.
- Categorie 2: de verschillende tijdvakken
voorgeschiedenis: 2017-2018,
het onderzoek: september 2018-december 2019, en
nasleep van het UU-rapport: januari 2020 tot heden.
CGJG stelt dat zij er belang bij heeft om te kunnen aantonen dat in alle fases oneigenlijke beïnvloeding heeft plaatsgevonden op grond van vooringenomenheid. Zij wil weten of de ambtenaren die betrokken waren bij het Jehova’s Getuigen-dossier dezelfde waren als de ambtenaren die het WODC-onderzoek in werking hebben gezet en die later concrete beleidsvoorstellen deden en de Minister adviseerden over diens uitingen in de media. Zij wil concreter kunnen maken waaruit de actieve bemoeienis heeft bestaan in de diverse fases.
6.14
Het hof is het met de Staat eens dat het hier niet gaat om een onderbouwing per document of categorie van documenten, maar om een onderbouwing per type informatie die het hof (en de Staat) nog steeds niet in staat stelt te toetsen of aan de eisen van artikel 843a Rv is voldaan. De categorisering heft in elk geval niet het bezwaar op dat veel stukken hoe dan ook niet relevant zijn en helpt niet of nauwelijks bij de beoordeling van de vraag bij welke (typen) stukken wèl rechtmatig belang bestaat. Zo valt wat betreft categorie 2 niet in te zien waarom rechtmatig belang zou bestaan bij álle op de lijsten voorkomende stukken uit één of meer van de onderscheiden tijdvakken, terwijl vaststaat dat niet alle verzochte stukken verband houden met de gestelde oneigenlijke beïnvloeding. Ten aanzien van categorie 1 speelt een soortgelijk probleem omdat óók de hierboven al vermelde, niet relevante stukken (facturen, communicatie over PIA, geheimhoudingsverklaringen, offertes etc.) namen van ambtenaren en beleidsopvattingen kunnen inhouden. Niet duidelijk is waarom CGJG rechtmatig belang zou hebben bij kennisname van álle namen en álle beleidsopvattingen, voorkomend in álle stukken, en waarom dat belang zwaarder zou moeten wegen dan het belang van de Staat om niet al deze gevoelige informatie te hoeven verschaffen. Dit geldt nog afgezien van de vraag of gewichtige redenen aan afgifte in de weg staan, zoals het privacybelang van de ambtenaren en het belang om vrijelijk van gedachten te kunnen wisselen, zoals de Staat heeft aangevoerd.
6.15
Aldus resteren categorie 1 sub (c), de door ambtenaren gegeven input, en daarnaast de vanaf het begin als afzonderlijke categorie genoemde conceptversies van de rapporten. Beide typen informatie/documenten houden op zich verband met de stelling van CGJG dat sprake is geweest van sturing en beïnvloeding. Dat is echter nog niet voldoende reden voor toewijzing van de verzoeken. Zoals hierboven al is overwogen is voor het aannemen van een rechtmatig belang méér nodig dan speculaties over een mogelijke gang van zaken en de wens om stukken in handen te krijgen die misschien een bevestiging kunnen vormen van een vermoeden. Anders gezegd (zoals in de toelichting op de nieuwe regeling van artikel 194 en Pro 195a Rv staat): er is sprake van een fishing expedition als informatie meer lijkt te worden opgevraagd om een zaak op te zetten dan om deze te kunnen onderbouwen [6] .
6.16
CGJG erkent dat sturing door ambtenaren op zichzelf niet onrechtmatig behoeft te zijn. Volgens haar is echter sprake geweest van ‘oneigenlijke’ en dus onrechtmatige beïnvloeding. Naar het hof begrijpt zou dat moeten blijken uit de volgende feiten en omstandigheden:
Uit het rapport Ongemakkelijk Onderzoek blijkt dat in andere WODC-onderzoeken ook oneigenlijke beïnvloeding heeft plaatsgevonden. Deze andere onderzoeken overlappen de periode van het UU-onderzoek.
De gecensureerde Wob-stukken bevestigen volgens CGJG bovendien dat de in dat rapport Ongemakkelijk Onderzoek gesignaleerde elementen die zouden (kunnen) duiden op oneigenlijke beïnvloeding, ook in het UU-onderzoek voorkomen. Zo is er tot het laatst toe gesleuteld aan de hoofdonderzoeksvraag.
Verder is gebleken dat beleidsambtenaren ten minste drie conceptversies van het rapport hebben geredigeerd inclusief de conclusies en aanbevelingen. Ook dat is een signaal van oneigenlijke beïnvloeding.
Weer een ander signaal is dat de onderzoeker in het UU-onderzoek op zeer amicale voet stond met het WODC.
Uit de omstandigheid dat het onderwerp (omgang met seksueel misbruik binnen CGJG) ook na het gesprek met het bestuur van CGJG op de agenda bleef staat, blijkt dat het gesprek met het bestuur kennelijk geen indruk had gemaakt. Dit bevestigt dat sprake was van vooringenomenheid, aldus CGJG.
Opvallend is ook dat CGJG als enige godsdienstige gemeenschap wordt genoemd in het rapport van 1 november 2019 over verruiming van de aangifteplicht, nog voordat het UU-rapport er überhaupt lag. Dit versterkt volgens CGJG de indruk dat de Staat erop uit was een onderbouwing te krijgen om CGJG te bewegen tot maatregelen en zich daarbij meer baseerde op ongefundeerde vermoedens dan op feiten.
Tot slot is van belang dat in een intern verslag van 17 april 2018 van een gesprek binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid ter voorbereiding van een gesprek met het bestuur van CGJG staat dat als CGJG niet meebeweegt met de verzoeken van de Staat er (maximaal) druk zal worden uitgeoefend om de door de Staat gewenste veranderingen te bewerkstelligen.
6.17
Ten aanzien van e) tot en met g) geldt het volgende. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt is het gelet op de aard en ernst van het onderwerp niet vreemd of verdacht dat het onderwerp na een gesprek met het bestuur van CGJG op de agenda bleef staan, dat behoefte bestond aan het onderzoeken van het nut van een verruiming van de aangifteplicht en dat belang werd gevoeld om zo nodig druk uit te oefenen op CGJG om in te stemmen met een onafhankelijk onderzoek. Dat duidt nog niet op vooringenomenheid. Tegenover de visie van het bestuur stond immers de visie van de (vermeende) slachtoffers die (media)aandacht hadden gezocht. Staat moest ook die signalen serieus nemen. Bovendien waren de onderzoeken het gevolg van een Kamermotie. Een verruiming van de aangifteplicht werd in de Tweede Kamer gezien een mogelijke manier om de aangiftebereidheid te vergroten. De Staat heeft er terecht op gewezen dat de motie uiteindelijk breed was ingestoken en op meerdere sectoren zag. Omdat de onderzoeken wel in elkaars verlengde lagen is in het ene rapport naar het andere verwezen. Daarbij is niet vooruitgelopen op de uitkomsten van het UU-onderzoek. Wat betreft het interne verslag (sub g) geldt bovendien dat daarin niet staat wat CGJG stelt: er staat dat er maximaal druk opgevoerd zal worden als de Jehovah’s Getuigen tijd blijven rekken. Hieruit blijkt dat de Staat in elk geval graag onafhankelijk onderzoek wilde laten doen, en wel mét medewerking van CGJG, want er wordt ook melding gemaakt van het advies om geen eigen onderzoek te starten zonder die medewerking.
6.18
Er zijn geen aanwijzingen dat de hoofdonderzoeker niet onafhankelijk was (d); het feit dat hij eerder was ingeschakeld en (daardoor) op ‘amicale wijze’ communiceerde met het WODC is daarvoor onvoldoende.
6.19
Op zich is juist dat in het rapport Ongemakkelijk Onderzoek wordt geconcludeerd dat sprake was van een terugkerend patroon waarin sommige medewerkers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid probeerden om WODC-onderzoek te beïnvloeden en dat aannemelijk is dat in tenminste enkele onderzoeken sprake is geweest van oneigenlijke beïnvloeding. Dat is een serieuze constatering. Het betekent echter niet dat als in een onderzoek één of meer van de door dat rapport genoemde risico-signalen word(t)(en) geconstateerd, er “dus” wel iets onoorbaars aan de hand moet zijn geweest. Of sprake is van oneigenlijke beïnvloeding blijft uiteraard afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval.
6.2
In dit geval is onder meer van belang dat toen het rapport Ongemakkelijk Onderzoek werd uitgebracht (januari 2019), het “eigenlijke” onderzoek van de UU (instelling meldpunt, interviews etc.) nog moest beginnen. Dit is door de Staat op de zitting desgevraagd bevestigd en het blijkt ook uit de overgelegde Wob-stukken en het UU-rapport zelf. Logischerwijs zijn de conceptrapporten dus ook pas daarna tot stand gekomen. CGJG heeft terecht gesteld dat een cultuurverandering niet van de ene op de andere dag tot stand is gebracht, maar dat neemt niet weg dat de Staat op zijn beurt terecht heeft aangevoerd dat de onderzoekers en de begeleidingscommissie (mede gelet op alle media-aandacht voor het rapport Ongemakkelijk Onderzoek) zich ervan bewust zullen zijn geweest dat WODC-onderzoeken onder een vergrootglas lagen.
6.21
Niet in geschil is dat er input is gegeven op de onderzoeksvraag en op de conclusies en aanbevelingen van het rapport. Dat de hoofdonderzoeksvraag na de goedkeuring van de startnotitie nog is aangepast (sub b) maakt echter nog niet dat CGJG recht heeft op afgifte van ongecensureerde stukken. Dat die aanpassing mede is gebeurd naar aanleiding van vragen van de Stichting Reclaimed Voices doet daar niet aan af. Uit de Wob-stukken blijkt dat die vragen waren ingegeven door de strekking en reikwijdte van de motie en dat de aanpassing van de onderzoeksvraag tot doel had die onderzoeksvraag beter te laten aansluiten bij de motie. CGJG heeft niet onderbouwd waarom zij niettemin rechtmatig belang heeft bij méér informatie op dit punt dan al aan haar is verstrekt onder de Wob.
6.22
Ook het feit dat input is gegeven op de conclusies en aanbevelingen (sub c) en dat deze naar aanleiding daarvan zijn aangepast levert nog niet een zodanig rechtmatig belang op, ook niet in samenhang bezien met de overige door CGJG genoemde omstandigheden (a, b en d tot en met g). De Staat heeft al in eerste aanleg uiteengezet dat het gebruikelijk is en ook is toegestaan dat de ambtenaar van het Ministerie die lid is van de begeleidingscommissie (hierna: het Ministeriële lid) overleg voert, meeleest en input geeft op het onderzoek en (de conclusies en aanbevelingen in) het concept onderzoeksrapport. Dit strookt volgens de Staat met het op 5 december 2019 in werking getreden Omgangskader, dat, naar de Staat ter zitting in hoger beroep heeft toegelicht, een bevestiging vormt van wat daarvoor al de praktijk was. Ook was en is het volgens de Staat daarbij toegestaan dat dit Ministeriële lid overleg voert met collega’s buiten de begeleidingscommissie, vanwege de specifieke expertise van die collega’s, en dat de resultaten van dat overleg vervolgens door het Ministeriële lid worden gedeeld met de begeleidingscommissie en via die commissie met de onderzoekers. Volgens de Staat komt dit voort uit de taak van de begeleidingscommissie: het toezien op de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek en het waarborgen van de onafhankelijkheid van de uitvoering van dat onderzoek en van de totstandkoming van het rapport; de begeleidingscommissie moet toetsen of de conclusies zijn gebaseerd op, respectievelijk voortvloeien uit de opgehaalde data en bevindingen. Niet in geschil is dat ook in het UU-onderzoek feedback is gegeven aan de onderzoekers, rechtstreeks door de begeleidingscommissie zelf en door ambtenaren buiten de begeleidingscommissie, via die begeleidingscommissie. Wat dat laatste betreft geldt dat uit de stukken blijkt dat het Ministeriële lid aan de projectleider van het WODC (volgens de verklaring van de Staat is dat de WODC-medewerker die deel uit maakt van de begeleidingscommissie) schriftelijk toestemming heeft gevraagd om overleg te hebben met die collega’s en dat die toestemming is gegeven onder de voorwaarde dat ook die collega’s zich zouden houden aan de vertrouwelijkheidsvoorwaarden en dat het Ministeriële lid zelf verantwoordelijk zou zijn voor de inbreng in de begeleidingscommissie. Dit verzoek om toestemming is overigens in overeenstemming met het Omgangskader, hetgeen een bevestiging vormt van de stelling dat voorheen ook al conform dat kader werd gehandeld.
6.23
De aldus beschreven gang van zaken is niet vreemd of ‘verdacht’. Er kunnen allerlei goede redenen zijn voor input die niets te maken hebben met oneigenlijke beïnvloeding. Ter zitting is het voorbeeld gegeven dat input is gevraagd ten aanzien van de cijfers (aantallen meldingen/aangiften van seksueel misbruik binnen CGJG respectievelijk aantallen meldingen/aangiften landelijk). Het hof is van oordeel dat in beginsel moet worden vertrouwd op de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van de onderzoekers en de controlerende taak van de begeleidingscommissie die in meerderheid bestaat uit onafhankelijke wetenschappers. Dit klemt temeer nu in dit geval ook geen sprake is van een louter negatief rapport. Het rapport bevat ook nuances en in het rapport staat bijvoorbeeld ook vermeld dat het bestuur van CGJG goed heeft meegewerkt aan het onderzoek en dat bij de vragenlijsten expliciet is vermeld dat de onderzoekers niet alleen op zoek waren naar negatieve, maar ook naar positieve ervaringen met de afhandeling van een melding of nazorg. In dit verband kan nog worden opgemerkt dat CGJG zelf heeft opgemerkt dat het rapport de (volgens CGJG) veronderstelde uitkomsten niet bevestigde en dat de (volgens CGJG) diffamerende uitlatingen van de Minister niet strookten met de conclusies en aanbevelingen uit dat rapport. Dit verhoudt zich ook niet goed tot de gestelde oneigenlijke beïnvloeding.
6.24
De conclusie luidt dat er veel argwaan bestaat bij CGJG, maar dat zij uiteindelijk toch blijft steken in vermoedens en speculaties. Het hof kan in het aangevoerde (ook niet in onderlinge samenhang bezien) geen (begin van een) ‘smoking gun’ ontwaren. Daarmee heeft CGJG onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een rechtmatig belang bij de verzochte ongecensureerde stukken. Er bestaat dan ook geen recht op meer informatie dan reeds is verstrekt. Het hof ziet geen aanleiding tot nadere bewijslevering door het horen van getuigen en evenmin tot het geven van een nieuwe gelegenheid om het verzoek te preciseren, nu CGJG die gelegenheid al ruimschoots heeft gehad.
6.25
Uit het voorgaande volgt dat grief 2 niet slaagt. Dat geldt ook voor grief 1, nu het hof hiervoor alle voor zijn oordeel relevante feiten in acht heeft genomen.
Geen recht op de ongecensureerde versie van toekomstige Wob/Woo-stukken (grief 3)
6.26
Ook de vordering tot afgifte van de ongecensureerde versie van alle toekomstige stukken die voortkomen uit reeds aanhangige Wob-procedures is niet toewijsbaar. Het hof is het met de rechtbank eens dat niet is voldaan aan de eis dat sprake is van ‘bepaalde bescheiden’; het feit dat het gaat om stukken die zullen voortkomen uit reeds aanhangige procedures doet daaraan niet af. Bovendien is het hof niet bij voorbaat in staat het rechtmatig belang bij de ongecensureerde versie van deze toekomstige stukken te toetsen. Ook grief 3 faalt dus.
Subsidiaire grondslag: EVRM (grief 4)
6.27
Het hof is met de Staat van oordeel dat in de artikelen 6, 8 en 10 EVRM evenmin een grondslag kan worden gevonden voor toewijzing van de verzoeken. Deze artikelen voorzien ook niet in een onbeperkt recht op afgifte van of inzage in stukken. De eisen die artikel 843a Rv stelt vallen in beginsel binnen de reikwijdte van de beperkingen die op grond van genoemde bepalingen van het EVRM zijn toegestaan. Dat dat in dit geval anders is, is niet gesteld of gebleken. Voor zover CGJG zich meer in het bijzonder beroept op artikel 10 EVRM Pro geldt dat het door dat artikel beschermde recht op inlichtingen wordt gewaarborgd door de Wob (nu: Woo) en dat de beperkingen die onder de Wob gelden op hun beurt in beginsel vallen binnen de beperkingen die op grond van artikel 10 EVRM Pro gerechtvaardigd (kunnen) zijn.
Conclusie en proceskosten
6.28
De conclusie is dat het hoger beroep van CGJG niet slaagt. Het hof zal de beschikking daarom bekrachtigen. Het hof zal CGJG als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.29
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.404,-

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2024;
  • veroordeelt CGJG in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.404,-;
  • bepaalt dat als CGJG niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, CGJG de Staat de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Dousma-Valk, mr. D. Stoutjesdijk en mr. J.A. Tuinman en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2017/18, 31015, nr. 154.
2.Zie o.a. HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244; HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251 (Semtex).
3.HR 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3350.
4.HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773.
5.Rechtbank Den Haag 12 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1562.
6.Kamerstukken II 2019/20, nr. 3, p. 14.