ECLI:NL:GHDHA:2025:2288

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
22-003818-24.a
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 450 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens ongeldige volmacht

Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag. De verdachte had hoger beroep ingesteld via een schriftelijke volmacht die door de raadsvrouw aan een griffiemedewerker was verstrekt. Deze volmacht voldeed echter niet aan de wettelijke vereisten zoals gesteld in artikel 450 van Pro het Wetboek van Strafvordering en jurisprudentie van de Hoge Raad.

De volmacht ontbrak aan een verklaring van de advocaat dat hij specifiek gemachtigd was tot het instellen van hoger beroep, een verklaring dat de verdachte instemde met ontvangst van de oproeping door de griffiemedewerker, en een adres voor verzending van de appeldagvaarding. Hierdoor oordeelde het hof dat de verdachte niet op de wettelijk voorgeschreven wijze hoger beroep had ingesteld.

De verdachte was niet verschenen bij de terechtzitting, en de verschenen raadsvrouw was niet uitdrukkelijk gemachtigd om te verdedigen. Daarom kon het verzuim niet worden gedekt. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep en wees op relevante jurisprudentie van de Hoge Raad ter onderbouwing van dit oordeel.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens niet voldoen aan de wettelijke eisen voor de schriftelijke volmacht.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003818-24
Parketnummers: 09-262257-24 en 22-001904-22 (tul)
Datum uitspraak: 17 oktober 2025
VERSTEK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 6 november 2024 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
adres: [woonadres], 3136 EZ [woonplaats].
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2025 gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep is ingesteld bij akte van 11 november 2024 op grond van een schriftelijke volmacht die door de raadsvrouw namens de verdachte is verleend aan een griffiemedewerker van de rechtbank.
Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810 en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2411) kan een door de verdachte daartoe bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat schriftelijk hoger beroep doen instellen op de wijze als bedoeld in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
De door de advocaat aan de griffie verzonden schriftelijke volmacht dient dan aan de in artikel 450, eerste en derde lid, Sv geformuleerde eisen te voldoen en dient mitsdien de volgende elementen te bevatten:
1. een verklaring van de advocaat dat hij/zij tot het instellen van het hoger beroep door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd;
2. een verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep;
3. de vermelding van het door de verdachte opgegeven adres waarnaar een afschrift van de appeldagvaarding kan worden gezonden.
Gebleken is dat de aan de appelakte gehechte bijzondere volmacht geen verklaring bevat als hierboven onder 2. bedoeld. Evenmin bevat de volmacht een adres waarnaar een afschrift van de appeldagvaarding kan worden verzonden zoals bedoeld onder 3. Dit brengt het hof tot het oordeel dat de schriftelijke volmacht niet voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen en derhalve dat de verdachte niet op de door de wet voorgeschreven wijze hoger beroep heeft ingesteld.
Het hof stelt vast dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen en dat de wel verschenen raadsvrouw heeft medegedeeld niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdachte ter terechtzitting te verdedigen, waardoor zich geen situatie voordoet waarin voornoemde verzuimen voor gedekt kunnen worden gehouden.
Gelet op het voorgaande en met name gelet op genoemd arrest van de Hoge Raad van 19 september 2017 komt het hof tot het oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, en mr. B.W. Mulder en mr. J.H. Crijns, leden, in bijzijn van de griffier mr. N. Germeraad-van der Velden.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 oktober 2025.
Mr. J.H. Crijns is buiten staat dit arrest te ondertekenen.