Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop na cassatie en verwijzing
- de memorie na verwijzing van Bomo , met productie 49
- de memorie na verwijzing van de bank .
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij rechtbank Amsterdam, hof Amsterdam en Hoge Raad
5.Beoordeling
afsluitenvan de renteswap 2005 geen inzicht heeft verschaft in haar belangenconflict in relatie tot de door haar te realiseren marge, en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 4:88 lid 2 van Pro de Wet op het financieel toezicht (Wft) en artikel 167b van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo). Deze wetgeving dateert van na het afsluiten van de renteswap 2005, zodat de bank toen niet in strijd daarmee kan hebben gehandeld.
Net Present Valuebij aanvang – € 211.641,69 (memorie na verwijzing, 2.14), en heeft de bank in die verdiensten ten onrechte geen inzicht gegeven bij het aangaan van de renteswap 2005.
beëindigingvan de renteswap 2005 de werkelijke marktwaarde daarvan € 846.857,- bedroeg, terwijl de bank slechts € 765.000,- aan [eigenaar 1] en [eigenaar 2] heeft uitgekeerd. De bank heeft dus niet alleen bij het afsluiten van de renteswap 2005, maar ook bij de beëindiging ervan een marge gerealiseerd, die laatste ten bedrage van € 846.857,- -/- € 765.000,- = € 81.857,-. Volgens Bomo had de bank hierop geen recht. Volgens Bomo had de bank destijds op de werkelijke marktwaarde van de renteswap 2005 moeten wijzen (memorie van grieven, 5.7). Als de bank dat zou hebben gedaan, dan zou Bomo (lees: zouden [eigenaar 1] en [eigenaar 2] ) geen genoegen hebben genomen met een bedrag van € 765.000,-, aldus Bomo (memorie van grieven, 5.8). In haar memorie na verwijzing heeft Bomo verder nog aangevoerd dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] ook op basis van de voorwaarden van de bank ervan mochten uitgaan dat geen kosten in rekening zouden worden gebracht en dat zij de daadwerkelijke positieve waarde van de renteswap 2005 ontvingen. In dit verband heeft zij verwezen naar de destijds aan [eigenaar 1] en [eigenaar 2] verstrekte brochure OTC Derivatentransacties (productie 9 conclusie van antwoord), die voor zover hier van belang het volgende inhoudt: “Indien een transactie vervroegd moet worden beëindigd, wordt de transactie gewaardeerd tegen marktwaarde. Dit wil zeggen dat wordt nagegaan welk bedrag zou moeten worden betaald of ontvangen, indien het contract zou worden beëindigd en vervangen door een zelfde transactie voor het restant van de looptijd […] Ook kunnen de kosten van [ de bank ] in verband met beëindiging van eventuele hedge-transacties aan u worden doorbelast.”
op grond van haar rechtsverhouding met [eigenaar 1] en [eigenaar 2], hierop geen aanspraak had. Deze stelling moet worden gezien tegen de achtergrond van een kenmerk van de renteswaps die [eigenaar 1] en [eigenaar 2] respectievelijk Bomo in de loop der tijd met de bank hebben afgesloten (waarover in deze procedure is geprocedeerd), dat de klant steeds het recht heeft om de swap tussentijds te beëindigen, en daartegenover de verplichting respectievelijk het recht heeft om de negatieve marktwaarde daarvan te betalen respectievelijk, in voorkomend geval, de positieve marktwaarde daarvan te ontvangen. In de onderhavige procedure is dit kenmerk juist ook voorwerp van debat geweest, bij de vraag of de bank [eigenaar 1] en [eigenaar 2] bij het aangaan van de diverse swaps voldoende over dit kenmerk had geïnformeerd, in het bijzonder de mogelijke verplichting om bij tussentijdse beëindiging de negatieve marktwaarde te betalen.
aangedrongende renteswap 2008 aan te gaan. Bomo heeft die stelling niet verder feitelijk ingevuld: hoe dat aandringen volgens haar dan is gegaan. Bomo heeft in elk geval niet of althans onvoldoende specifiek gesteld dat de bank een druk heeft aangewend waaraan [eigenaar 1] en [eigenaar 2] als ondernemers redelijkerwijs geen weerstand konden bieden, of die hen überhaupt in hun beoordeling heeft beperkt. Aan bewijslevering over het door Bomo kaal gestelde ‘aandringen’ wordt daarom niet toegekomen.
eigenrenteverwachtingen kan hebben, en dat een goed advies wel mede betrekking kan hebben op de vraag of een bepaald renteproduct beantwoordt aan die verwachting. Bomo stelt echter dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] geen eigen renteverwachting hadden, zodat in deze zin – een niet matchen van een product met de rentevisie van de klant – van een verkeerd advies geen sprake kan zijn geweest.
- Zoals hiervoor (5.22) overwogen hadden [eigenaar 1] en [eigenaar 2] voorafgaand aan de renteswap 2008 op het formulier cliëntenprofiel treasury vermeld dat zij, kort gezegd, bereid waren de in dat formulier vermelde risico’s van marktwaardefluctuaties van derivaten te aanvaarden;
- Ook hadden [eigenaar 1] en [eigenaar 2] de hiervoor in 5.10 aangehaalde brochure OTC Derivatentransacties ontvangen, waarin het risico van een negatieve marktwaarde en de verplichting om deze bij tussentijdse beëindiging te voldoen, is benoemd;
- Op 24 september 2007 heeft de bank een presentatie aan [eigenaar 1] en [eigenaar 2] gegeven over de werking van renteswaps, aan de hand van de details van de renteswap 2005 en de andere op diezelfde datum afgesloten renteswap (hiervoor, 3.4), met (onder meer) de volgende afbeelding:
dwalingin relatie tot de aanwezigheid van een bankmarge als onderdeel van het onder de renteswapovereenkomst door de cliënt verschuldigde vaste rentetarief, als volgt. Voor een geslaagd beroep op dwaling is onder meer vereist dat de partij de overeenkomst bij afwezigheid van de dwaling niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, en dat dit voor de wederpartij kenbaar was. Aan deze vereisten zal in het algemeen – behoudens bijzondere, door de partij die zich op dwaling beroept te stellen omstandigheden – niet zijn voldaan als het beroep op dwaling erop berust dat de bank geen melding heeft gemaakt van de aanwezigheid van een bankmarge als onderdeel van het onder de renteswapovereenkomst door de cliënt verschuldigde vaste rentetarief, of dat de bank geen inzicht heeft gegeven in de componenten waaruit het vaste rentetarief is opgebouwd.
unwind) als de financiering niet (geheel) zou worden verlengd. Die formulering – met de woorden deels en geheel tussen haakjes – betekent vanzelfsprekend dat algehele niet-verlenging van de financiering ook algehele beëindiging van de swap zou moeten meebrengen: precies het risico waarover Bomo – ten onrechte – klaagt en waarvoor de bank dus [eigenaar 1] en [eigenaar 2] heeft gewaarschuwd.
mutual termination clause)en het toegenomen marktwaarderisico dat aan de verlenging 2012 was verbonden, maar daarbij niet (meer) gesteld, anders dan in eerste aanleg, dat zij hierover bij het sluiten van de transactie onvoldoende was geïnformeerd en/of onvoldoende voor de risico’s hiervan was gewaarschuwd. Het hof begrijpt de stellingen van Bomo in het hoger beroep op dit punt aldus dat het hiervoor besproken marktwaardeverschil,
gegevende volgens haar ongunstige eigenschappen van de MTC en het door de verlenging 2012 toegenomen marktwaarderisico (dit laatste dus los van/bovenop de toegenomen negatieve marktwaarde door de verlenging als zodanig), haar van de transactie zou hebben weerhouden. Uit haar enkele stelling in het kader van haar twaalfde grief dat zij schade heeft geleden doordat de bank haar niet indringend heeft gewezen op “de risico’s” van de verlenging 2012 (memorie van grieven, 5.34) is niet af te leiden dat haar verwijt ook betrekking heeft op die bedoelde risico’s (anders dan het marktwaardeverschil, ook al presenteert Bomo dat in dit verband niet echt als risico maar als misleiding of onrechtmatige toe-eigening door de bank ). Overigens geldt dat Bomo onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet bekend was met die risico’s (of het risico dat was verbonden aan de bevoegdheid van de bank om de kredietopslag te verhogen) of hiervoor onvoldoende is gewaarschuwd, gegeven de gemotiveerde betwisting (ook in eerste aanleg) door de bank .
- [eigenaar 1] en [eigenaar 2] hadden de wens om geen renterisico te lopen, zij hadden kennis van en ervaring met rentederivaten en zij waren bekend met de daaraan verbonden risico’s.
- Bomo had een langlopende financieringsbehoefte van tenminste € 26,3 miljoen; de verlenging 2012 sloot daarop aan. Bomo heeft haar renterisico bij de ING voor een langere periode afgedekt met een vastrentende lening en zij heeft door haar overstap naar ING geen nadeel geleden.
- Adviseur [adviseur] was aan de zijde van [eigenaar 1] en [eigenaar 2] respectievelijk Bomo steeds betrokken bij de bij de bank en bij andere banken betrokken financieringen en derivaten en zij hebben hierin steeds bewuste en geïnformeerde keuzes gemaakt.