ECLI:NL:GHDHA:2025:2369

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
BK-25/6
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en schade aan kettingspanner

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). De Rechtbank had de naheffingsaanslag verminderd, maar de belanghebbende stelde dat er schade aan de kettingspanner van zijn Audi RS3 Limousine was, die niet was meegenomen in de taxatie. De Rechtbank oordeelde dat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat deze schade al aanwezig was ten tijde van de registratie van de auto. De belanghebbende had een bedrag van € 5.393 aan BPM betaald, maar de Rechtbank verlaagde dit bedrag naar € 5.261 en kende een schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep heeft het Gerechtshof Den Haag de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Hof oordeelde dat de belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd voor de schade aan de kettingspanner en dat de eerdere taxaties geen schade hadden geconstateerd. Het Hof concludeerde dat het hoger beroep ongegrond was en dat er geen proceskostenvergoeding werd toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/6

Uitspraak van 6 november 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 december 2024, nummer SGR 23/8571.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.393 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag aan bpm van € 5.261;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden; en
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 4.504 aan bpm voldaan ter zake van de inschrijving van een Audi RS3 Limousine (de auto). De registratie heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2021. Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 97.216, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 24.930 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 16.930. Het taxatierapport vermeldt niets over een kapotte kettingspanner.
2.2.
Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft een hertaxatie uitgevoerd op 17 augustus 2021. Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade en geen kapotte kettingspanner. Naar aanleiding hiervan heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag bpm opgelegd uitgaande van een historische nieuwprijs van € 101.815 en een handelsinkoopwaarde van € 38.950. De naheffingsaanslag bedraagt € 5.393 (€ 9.897 -/- € 4.504).
2.3.
Belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 26 augustus 2021 aan de heren [A] en [B] onder meer meegedeeld:
“lch haben bereits ein Audi RS3 gekauft bei ihr..
Kurz nach abholen vom das fahrzeug und am nächsten morgen gibt es ein rasselnden geräusch beim starten von das motor. Auch das abgasklappe macht rasseln gerausch.
lch war bei einer niederländische Audi Werkstatt und die haben mir gesagt das das Nockenwellenverstellers oder Kettung/kettungspanner nicht gut funktioniert.
Das auto hat Volkswagen ankauf versicherung, aber das bedeutet dass nicht alle kosten erstattet werd und ich die Rechnung im voraus bezahlen müssen, ich kann und wollen das nicht.
Wie können wir das lossen ? is est mochlich das fahrzeug im Niederlande herstellen zu lassen und die rechnung direkt an sie senden?
Ansonsten muss ich das fahrzeug in ihre werkstatt bringen aber das kostet mich viel geld und zeit, ich wollen diese problem so schnel wie möchlich auflösen.”
2.4.
Bij e-mailbericht van 16 september 2021 heeft [C] van Audidealer [naam dealer] belanghebbende meegedeeld:
“Geacht [belanghebbende] ,
Bedankt voor het aanbieden van uw Audi ter diagnose.
De ratel die uw hoort is afkomstig van vanuit de kettingspanner/ ketting combinatie.
Uit de diagnose welke wij gesteld hebben aan uw Audi A3 RS, is gebleken dat de achterste ketting spanner defect is en vervangen dient te worden.
De werkzaamheden hiervan bedragen rond de 6 uur.
*Kettingspanner uit- en inbouwen
*Nokkenasversteller uit- en inbouwen
*Interactieve meerwerk functies uitvoeren.
> Betreffende proefrit/ kalibratie etc.
Wij adviseren de werkzaamheden op korte termijn uit te laten voeren i.v.m. mogelijk meer inwendige schade aan de motor.”
2.5.
De prijsopgave van [C] van de werkplaats van Audidealer [naam dealer] van 27 september 2021 vermeldt een bedrag van € 1.800,12. Deze prijsopgave betreft onder meer het uit- en inbouwen van een kettingspanner.
2.6.
Aan de auto hebben op 4 februari 2022 bij [D GmbH] werkzaamheden plaatsgevonden ten bedrage van € 3.758,62. De factuur vermeldt onder meer:
“Artikelnummer Bezeichnung Menge Preis € USt Gesamt €

AWMotor zerlegen Reinigen80,00 7,57 V605,60

und mit verstärkten Teilen
Zusammenbauen
Schwungrad umbauen auf
Verstärktes Mittelstern”
De factuur vermeldt geen Kettenspanner (kettingspanner).

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Schade
9. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door de taxateur vastgestelde schade. De bewijslast dienaangaande rust op eiser. Daarvoor verwijst hij onder meer naar het taxatierapport.
10. Vaststaat dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd. Eiser heeft met het taxatierapport en hetgeen hij heeft gesteld de in dat taxatierapport vermelde schade niet aannemelijk gemaakt.
11. In beroep heeft eiser voorts aangevoerd dat sprake is geweest van een kapotte kettingspanner. Dit is niet gebruikelijk bij een auto met zo weinig kilometers op de teller. Er is dan ook sprake van schade en niet van slijtage. Dat de kettingspanner op het moment van opname door de taxateur en de schouw door DRZ nog niet was onderkend, neemt niet weg dat dit gebrek ten tijde van de aangifte al latent aanwezig moet zijn geweest. Ter onderbouwing heeft eiser een e-mailbericht van de Audi-dealer van 17 september 2021 overgelegd waarin wordt vermeld dat uit diagnose is gebleken dat de kettingspanner defect is en vervangen moet worden. Verder heeft eiser een factuur overgelegd van [D GmbH] uit Duitsland, gedagtekend 4 februari 2022, voor een bedrag van € 3.758,62, alsmede een betaalbewijs voor dat bedrag. Eiser stelt dat deze factuur betrekking heeft op de reparatie van de kettingspanner.
12. Op de door eiser overgelegde factuur van [D GmbH] wordt vermeld dat de reparatie heeft plaatsgevonden op 4 februari 2022. Dat is meer dan vijf maanden na de datum van registratie, te weten 16 augustus 2021. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee niet aannemelijk gemaakt dat deze schade al aanwezig was ten tijde van het belastbare feit.
13. Eiser heeft verder nog verwezen naar beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade. De auto had ten tijde van de aangifte één of meer van de volgens dat beleid geldende schades. Deze stelling faalt reeds, omdat verweerder noch DRZ is gebonden aan een dergelijk beleid. In de verwijzing naar dat beleid ziet de rechtbank dan ook evenmin aanleiding voor de conclusie dat verweerder of DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen.
Slotsom
14. Gelet op het nader standpunt van verweerder dient het beroep gegrond te worden verklaard. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van € 5.261.
Vergoeding van immateriële schade
15. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 3 februari 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 17 december 2024 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, elf maanden. Eiser heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Hierbij zij nog opgemerkt dat in deze zaak het overgangsrecht zoals geformuleerd in het arrest van 14 juni 2024[1] van toepassing is. Verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 20 november 2023. Dat betekent dat de overschrijding geheel aan de bezwaarfase is toe te rekenen.
Proceskosten
16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.998 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
(…)
[1] HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of met een waardevermindering wegens schade rekening moet worden gehouden.
4.2.
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.811 en tot de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert – naar het Hof begrijpt uiteindelijk – tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Schade
5.2.1.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De beoordelaar van DRZ heeft geen schade in aanmerking genomen. De afwijzing voor de door belanghebbende gestelde schade is in het rapport van DRZ toegelicht. Belanghebbende stelt dat DRZ ten onrechte geen schade in aanmerking heeft genomen en verwijst daarbij naar het taxatierapport.
5.2.2.
De Rechtbank heeft op goede gronden beslist dat geen schade in aanmerking hoeft te worden genomen. Het enkele opsommen van gebreken onder opgave van de daaraan verbonden reparatiekosten in een taxatierapport is, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet voldoende om schade aannemelijk te maken. De foto’s in het rapport van DRZ tonen een auto zonder schade.
5.2.3.
Belanghebbende heeft nog gesteld dat ten onrechte geen rekening is gehouden met latent aanwezige schade aan de kettingspanner van de auto dan wel een ander verborgen gebrek ten tijde van de registratie.
5.2.4.
Het Hof is met de Rechtbank en de Inspecteur van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om enige schade ter zake van de kettingspanner in aanmerking te nemen. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat zowel de taxateur van belanghebbende als DRZ de gestelde schade en het ratelende geluid waarvan belanghebbende in zijn e-mail van 26 augustus 2021 melding maakt niet hebben geconstateerd. Verder neemt het Hof in aanmerking dat Audidealer [naam dealer] in september 2021 adviseert de kettingspanner op korte termijn te laten repareren/vervangen in verband met mogelijk meer inwendige schade aan de motor, dat vervolgens pas na meer dan vijf maanden, in februari 2022, werkzaamheden hebben plaatsgevonden bij [D GmbH] in [plaats 1] (Duitsland) en niet bij [naam dealer] of de verkoper van de auto in Duitsland, [naam verkoper] in [plaats 2] , dat de factuur van [D GmbH] niet het kenteken van de auto en evenmin een kettingspanner en een nokkenas vermeldt en dat uit de stukken niet blijkt of enige terugbetaling heeft plaatsgevonden in verband met de aankoopverzekering van Volkswagen dan wel garantie. Belanghebbende stelt in dat kader dat onder de werkzaamheden vermeld in de eerste regel met bedragen op de factuur van de [D GmbH] kennelijk de kettingspanner valt. Het Hof acht volstrekt niet aannemelijk dat onder het bedrag van € 605,60 de vervanging van een kapotte kettingspanner is begrepen. De factuur vermeldt een hoeveelheid (Menge) van 80 maal een prijs van € 7,57, zodat het bedrag van € 605,60 niet betrekking heeft op losse onderdelen, maar op de arbeid ter zake van het reinigen en weer opbouwen van de motor met versterkte onderdelen, die op de rest van de factuur staan vermeld, echter zonder kettingspanner. De prijsopgave van de Audidealer is onvoldoende bewijs voor het bestaan van de gestelde schade aan de kettingspanner. Het is verder opvallend dat het e-mailbericht van belanghebbende van 26 augustus 2021 (zie 2.3) vermeldt dat hij bij een Nederlandse Audi werkplaats was geweest, terwijl de e-mailberichten van [C] (zie 2.4 en 2.5) dateren van 16 en 27 september 2021, en dat het bericht vermeldt dat belanghebbende het probleem snel wilde oplossen.
5.2.5.
Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat zelfs als het niet een kapotte kettingspanner zou zijn geweest er wel iets ander kapot was, een verborgen gebrek dus. Belanghebbende heeft een andere verborgen schade aan de motor niet objectief onderbouwd. Deze stelling mist dus feitelijke grondslag. Het Hof hecht eraan te benadrukken dat een dergelijke, vage opmerking sowieso geen grondslag biedt voor enige aftrek wegens schade.
5.2.6
Belanghebbende heeft derhalve naar het oordeel van het Hof schade aan de kettingspanner of enige andere schade aan de motor ten tijde van de registratie niet aannemelijk gemaakt.
Slotsom
5.3.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, A. van Dongen en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A Reijs
De beslissing is op 6 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.