Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 18 oktober 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2023 en het herstelvonnis van 4 oktober 2023;
- het arrest van dit hof van 21 november 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- de ten behoeve van de mondelinge behandeling na aanbrengen, gehouden op 25 januari 2024, door [geïntimeerde] ingediende aanvullende stukken (producties HB1 t/m HB10);
- de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen (producties HB1 t/m HB13);
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , tevens incidenteel appel, met bijlage (productie 1);
- de akte overleggen procesdossier in eerste aanleg en extra productie 2 van [geïntimeerde] ;
- de akte overleggen producties (productie 3), tevens eisvermeerdering van [geïntimeerde] ;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant] ;
- de nadere stukken die namens [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling in de procedure zijn gebracht:
- de nadere producties HB21 en HB22 van [appellant] ;
- het H16-formulier van [geïntimeerde] van 26 augustus 2025, waarin hij zijn bezwaren kenbaar maakt tegen de door [appellant] overgelegde producties HB14 t/m HB19 en HB21 en HB22.
3.Feitelijke achtergrond
“Het onderzoek richt zich op de aard en de omvang van de gebreken en de mogelijkheden van herstel en de kosten hiervan. (...) Wij hebben het uitgevoerde werk van uw cliënt geïnspecteerd en moeten vaststellen dat de door bureau [naam 1] gerapporteerde gebreken terecht zijn. Wederpartij geeft aan dat de HPL-platen niet van het merk Trespa zijn. Wij hebben dit niet kunnen controleren, echter zijn de huidige HPL-platen dusdanig ondeugdelijk aangebracht dat deze hoe dan ook vervangen dienen te worden. (...) Wij zijn van oordeel dat het mogelijk is om de te dunne OSB-plaat te versterken vanaf de buitenkant wanneer de buitengevel open ligt. Hierdoor kan de binnenzijde van de wanden onaangetast blijven. Wij ramen de kosten voor herstel op € 28.201,00 (...) Wij hebben bij onze raming geen rekening gehouden met herstel van een eventuele koudebrug ter plaatse van de vloer op de fundering. (...) ”.
4.Procedure bij de rechtbank
I. tot betaling van een bedrag van € 11.289,20, met wettelijke rente;
II. tot betaling van een bedrag van € 877,89 aan buitengerechtelijke incassokosten, met rente;
III. tot betaling van een bedrag van € 2.292,95 aan contra-expertisekosten, met wettelijke rente;
IV. tot opheffing van het door [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslag;
V. zowel in conventie als in reconventie, in de proceskosten en nakosten.
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
- de gipsplaten, ter hoogte van € 2.541,00 (zie rov. 4.12 vonnis rechtbank);
- de OSB-platen en dampfolie, ter hoogte van € 271,96 en € 925,82 (zie rov. 4.13 vonnis rechtbank);
- de vergoeding voor verzekering, ter hoogte van € 5.134,04 (zie rov 4.15 vonnis rechtbank).
volgende week” op terug te zullen komen (e-mailberichten van 16 en 18 februari 2022, productie 6 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie in eerste aanleg). [geïntimeerde] is daar echter niet meer op teruggekomen en heeft in plaats daarvan in de week daarna een onderzoek laten verrichten door een door hem ingeschakelde deskundige, zonder [appellant] daarbij te betrekken.
wat herstelklusjes” een “
weinig zinvolle actie” zou zijn – zoals in de brief van 3 juni 2022 door de gemachtigde van [geïntimeerde] wordt geschreven – en om welke herstelwerkzaamheden het zou gaan is, heeft [geïntimeerde] ook niet toegelicht.
vooruitlopend op een eindoplevering” op een aantal zaken wil wijzen die naar zijn mening niet correct of vakkundig zijn uitgevoerd. Tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat een afspraak om tot oplevering over te gaan niet tot stand is gekomen.
€ 11.289,20 niet toewijsbaar is.
7.Beslissing
- € 3.467,00 tot aan de bestreden uitspraak wat betreft de procedure in eerste aanleg in conventie;
- € 5.516,14 tot aan deze uitspraak wat betreft de procedure in principaal hoger beroep;
- € 598,00 tot aan de bestreden uitspraak wat betreft de procedure in eerste aanleg in reconventie;
- € 1.392,00 tot aan deze uitspraak wat betreft de procedure in incidenteel hoger beroep;