ECLI:NL:GHDHA:2025:2371

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
200.333.725/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering vervangende schadevergoeding afgewezen; geen sprake van verzuim in aannemingsovereenkomst

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 11 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een vordering tot vervangende schadevergoeding. De appellant, een aannemersbedrijf, had een aanbouw gerealiseerd voor de geïntimeerde, maar deze voldeed volgens de geïntimeerde niet aan de eisen. De geïntimeerde vorderde vervangende schadevergoeding en stelde dat er schade aan zijn woning was ontstaan tijdens de werkzaamheden. De appellant vorderde op zijn beurt betaling van een onbetaalde factuur. Het hof oordeelde dat de vordering tot vervangende schadevergoeding niet toewijsbaar was, omdat de appellant niet in verzuim was geraakt. Het hof concludeerde dat de geïntimeerde onvoldoende had aangetoond dat de appellant de schade had veroorzaakt en dat er geen oplevering van de aanbouw had plaatsgevonden. De rechtbank had eerder de appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de geïntimeerde, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees zowel de vorderingen van de geïntimeerde als de tegenvorderingen van de appellant af. De proceskosten werden toegewezen aan de appellant, en de geïntimeerde werd veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen hij op basis van het eerdere vonnis had ontvangen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.333.725/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/638775 / HA ZA 22/992
Arrest van 11 november 2025
in de zaak van
[appellant] , h.o.d.n. [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. C.J.H. Anker, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. H.C. Uittenbogaart, kantoorhoudend in Alphen aan den Rijn.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1.
[appellant] heeft zich verbonden tot het maken van een aanbouw aan de woning van [geïntimeerde] . Volgens [geïntimeerde] voldoet de aanbouw niet aan de daaraan te stellen eisen. Hij vordert daarom – in plaats van nakoming – vervangende schadevergoeding van [appellant] . Daarnaast is volgens [geïntimeerde] sprake van schade aan zijn woning die is ontstaan tijdens de werkzaamheden, waarvoor [appellant] volgens hem aansprakelijk is. [appellant] vordert op zijn beurt betaling van de laatste (gedeeltelijk onbetaald gelaten) factuur.
1.2.
Het hof is van oordeel dat de gevorderde vervangende schadevergoeding niet toewijsbaar is, omdat [appellant] niet in verzuim is geraakt. Daarnaast heeft [geïntimeerde] onvoldoende gesteld waaruit kan volgen dat [appellant] de door [geïntimeerde] gestelde schade aan de woning heeft veroorzaakt. [geïntimeerde] hoeft de laatste (gedeeltelijk onbetaald gelaten) factuur niet aan [appellant] te betalen, omdat geen oplevering van de aanbouw heeft plaatsgehad.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 18 oktober 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2023 en het herstelvonnis van 4 oktober 2023;
  • het arrest van dit hof van 21 november 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • de ten behoeve van de mondelinge behandeling na aanbrengen, gehouden op 25 januari 2024, door [geïntimeerde] ingediende aanvullende stukken (producties HB1 t/m HB10);
  • de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen (producties HB1 t/m HB13);
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , tevens incidenteel appel, met bijlage (productie 1);
  • de akte overleggen procesdossier in eerste aanleg en extra productie 2 van [geïntimeerde] ;
  • de akte overleggen producties (productie 3), tevens eisvermeerdering van [geïntimeerde] ;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant] ;
  • de nadere stukken die namens [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling in de procedure zijn gebracht:
o de productie HB20 (H12-formulier),
o de brief van 15 augustus 2025 (H16-formulier),
o de akte wijziging eis tevens houdende akte overleggen producties HB13 t/m HB17 en – op voorwaarde dat het hof productie 2 en 3 van [geïntimeerde] toelaat – de producties HB18 en HB19 (H3-formulier);
  • de nadere producties HB21 en HB22 van [appellant] ;
  • het H16-formulier van [geïntimeerde] van 26 augustus 2025, waarin hij zijn bezwaren kenbaar maakt tegen de door [appellant] overgelegde producties HB14 t/m HB19 en HB21 en HB22.
2.2.
Op 27 augustus 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. Anker aan de hand van spreekaantekeningen.
2.3.
Tot slot is een datum voor arrest bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1.
De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook voor het hof als uitgangspunt. Het hof heeft waar nodig de feiten aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan.
3.2.
[appellant] exploiteert aannemersbedrijf [handelsnaam] . In het handelsregister is geregistreerd dat dit bedrijf is gevestigd op het adres [adres 1] .
3.3.
[appellant] heeft in opdracht van [geïntimeerde] een aanbouw gerealiseerd en werkzaamheden in de woning van [geïntimeerde] uitgevoerd. [geïntimeerde] is fysiotherapeut en wilde de aanbouw als praktijkruimte gaan gebruiken.
3.4.
De offerte van [appellant] van 13 januari 2021 vermeldt als adres van [handelsnaam] [adres 2] (het voormalige vestigingsadres van [appellant] ). Deze offerte is door [geïntimeerde] geaccordeerd. De aanneemsom bedroeg aanvankelijk € 130.455,86, en is uiteindelijk bijna € 220.000,00 geworden. Op de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming (hierna: de aannemingsovereenkomst) zijn de algemene voorwaarden van [appellant] van toepassing. [appellant] heeft vervolgens werkzaamheden uitgevoerd in de periode van april 2021 tot oktober 2021. De heren [werknemer 1] (hierna: [werknemer 1] ) en [werknemer 2] (hierna: [werknemer 2] of [werknemer 2] ) hebben als werknemers van [appellant] feitelijk de werkzaamheden uitgevoerd.
3.5.
Op 23 januari 2022 heeft [geïntimeerde] per e-mail aan [appellant] laten weten dat hij niet tevreden is over de uitvoering van de werkzaamheden. Voor zover relevant schrijft [geïntimeerde] op dat moment het volgende:
“[…] Vooruitlopend op een eindoplevering wil ik u graag op een aantal zaken wijzen die naar mijn mening niet correct of vakkundig zijn uitgevoerd.[…]
Graag maak ik met u een afspraak met betrekking tot een eindoplevering waarbij van mijn zijde een bouwkundige aanwezig zal zijn om een en ander met u samen te beoordelen. Vooralsnog ga ik er van uit dat u bereid bent op korte termijn de nodige maatregelen te nemen om een voor beide partijen een aanvaardbare oplossing te bieden. […]”
3.6.
[appellant] heeft op 16 februari 2022 per e-mail als volgt gereageerd:
“[…] wij willen zoals je voorstelt graag met je afspreken en de deskundige om het werk na te lopen. Wij kunnen daar in principe gewoon tijd voor maken ergens komende maand ik hoor graag wanneer de afspraak gaat plaatsvinden Ik zal zorgen dat [werknemer 2] aanwezig zal zijn om het door te nemen. […]”
3.7.
In reactie daarop heeft de vader van [geïntimeerde] per e-mail van 18 februari 2022 het volgende aangegeven:
“Komen er volgende week op terug om een afspraak te maken”
3.8.
Op 24 februari 2022 heeft de heer ir. [naam 1] van architecten- & ingenieursbureau ir. [naam 1] in opdracht van [geïntimeerde] – en buiten aanwezigheid van [appellant] – een (visueel) onderzoek uitgevoerd. Zijn bevindingen zijn vastgelegd in het rapport dat door [geïntimeerde] als productie 4 bij inleidende dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd (hierna: ‘expertiserapport 1’). In dat rapport is, voor zover van belang, vermeld dat sprake is van gebreken aan de fundering, de gevel- en buitenbeplating (wijze van aanbrenging), kozijnen en de afwerking van de onder- en zijkant van de dakpannen. Verder zijn additionele werkzaamheden geadviseerd en is nader onderzoek naar de houtconstructie/timmerwerk en de kwaliteit van het glas geadviseerd.
3.9.
Op 3 april 2022 zond [geïntimeerde] expertiserapport 1 per e-mail aan [appellant] . In deze e-mail heeft [geïntimeerde] , voor zover hier relevant, het volgende aan [appellant] geschreven:
“[…] Graag wil ik een afspraak maken voor een inspectie van de werkzaamheden. In een eerdere mail van mij had ik al aangegeven dat er een aantal zaken naar mijn mening niet correct of vakkundig zijn uitgevoerd. Inmiddels is er een schouwingsrapport gemaakt (zie bijlage).
Van mijn zijde zal er een bouwkundige aanwezig zijn om het een en ander met u samen te beoordelen.
Vooralsnog ga ik er van uit dat u bereid bent op korte termijn de nodige maatregelen te nemen om voor beide partijen een aanvaardbare oplossing te bieden. […]”
3.10.
[geïntimeerde] heeft op 18 mei 2022 een brief, gericht aan [appellant] , geadresseerd aan het adres [adres 2] . De gemachtigde van [geïntimeerde] schrijft in deze brief het volgende:
“[…] Uit het voorgaande volgt dat u uw verplichtingen uit de overeenkomst van aanneming van werk jegens cliënt niet deugdelijk bent nagekomen. Voor zover nog nodig stel ik u hierbij dan ook namens cliënt in gebreke. Namens cliënt verzoek ik u, en voor zover nodig sommeer ik u daartoe, om binnen 21 dagen na heden alle gebreken, zoals vermeld in het schouwingsrapport van ir. [naam 1] , deugdelijk te herstellen. Tevens dient u binnen diezelfde termijn de punten, zoals genoemd door cliënt in de bijlage bij deze brief, deugdelijk uit te voeren. Doet u dit niet, dan verkeert u blijvend in verzuim, met alle gevolgen van dien. Namens cliënt stel ik u reeds nu voor alsdan aansprakelijk voor de schade die hij reeds heeft geleden, thans lijdt en eventueel nog zal lijden als gevolg van uw handelwijze. […]”.
3.11.
Bij brief van 3 juni 2022 (per aangetekende e-mail verzonden om 15:19 uur) heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] , voor zover hier relevant, het volgende aan [appellant] geschreven:
“[…] Onder verwijzing naar mijn brief van 18 mei jl. bericht ik u als volgt.
In mijn voornoemde brief heb ik u verzocht c.q. gesommeerd om binnen 21 dagen na dagtekening van de brief alle gebreken, zoals vermeld in het schouwingsrapport van ir. [naam 1] , deugdelijk te herstellen. Tevens dient u binnen diezelfde termijn de punten, zoals genoemd door cliënt in de bijlage bij deze brief, deugdelijk uit te voeren. Van cliënt vernam ik dat er tot nu toe eenmaal een medewerker van u bij hem langs is geweest om wat herstelklusjes uit te voeren. Gelet op de totale schade waar cliënt mee is geconfronteerd is dat natuurlijk een weinig zinvolle actie die zeker niet kan worden gezien als enige vorm van nakoming van hetgeen ik in mijn brief van 18 mei jl. heb gevorderd.
Intussen heeft de heer ir. [naam 1] laten weten dat hij in de week van 13 juni a.s. met u bij cliënt wil gaan kijken naar de huidige situatie en vervolgens met u wil bespreken hoe deze kwestie verder dient te worden opgelost. De heer [naam 1] zal daartoe contact met u opnemen om dag en datum af te spreken. […]”
3.12.
Ook op 3 juni 2022 (om 15:26 uur) heeft [werknemer 1] , namens [appellant] , daarop als volgt gereageerd:
“[…] Wij hebben op diezelfde dag dat er een collega is geweest een nieuwe afspraak gemaakt met [geïntimeerde] en die heeft Dhr [geïntimeerde] afgezegd zonder reden te geven. Wij wachten nog steeds op een nieuwe datum voorstel om de punten te bekijken en op te lossen indien dat aan ons kan worden toegerekend. […]”
3.13.
[naam 1] heeft (na een tweede schouwing) een schadebegroting afgegeven op 24 juni 2022. De schadebegroting heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg in de procedure gebracht als productie 7 bij inleidende dagvaarding. De totale kosten in verband met herstelwerkzaamheden zijn door [naam 1] begroot op € 62.500,00.
3.14.
Bij brieven van 29 augustus 2022 (gericht aan [adres 2] ) en 12 september 2022 (gericht aan [adres 1] ) heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] , voor zover hier relevant, het volgende aan [appellant] geschreven:
“Onder verwijzing naar mijn brief van 3 juni jl. (zie bijlage) bericht ik u thans als volgt.Inmiddels heeft de heer ir. [naam 1] een tweede onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de door uw bedrijf gebouwde aanbouw bij cliënt. Van zijn bevindingen heeft de heer [naam 1] een rapport opgesteld. Een kopie van dat rapport treft u bij deze brief aan. […] Uit dat rapport blijkt klip en klaar dat uw bedrijf de overeengekomen werkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd. Als gevolg hiervan dienen herstelwerkzaamheden te worden uitgevoerd. De hiermee gemoeide kosten worden geraamd op € 62.500,- (zie bijlage). In mijn brief van 18 mei jl. heb ik uw bedrijf verzocht c.q. gesommeerd om binnen 21 dagen na heden na dagtekening van de brief alle gebreken, zoals vermeld in het schouwingsrapport van de heer [naam 1] , deugdelijk te herstellen. Tevens diende uw bedrijf binnen diezelfde termijn de punten zoals genoemd door cliënt in de bijlage bij die brief, deugdelijk uit te voeren. Uw bedrijf heeft hier evenwel geen gevolg aan gegeven. Gelet hierop alsmede op het feit dat hij geen enkel vertrouwen meer heeft in uw bedrijf heeft cliënt besloten om af te zien van enige verdere nakoming door uw bedrijf en in plaats daarvan vervangende schadevergoeding te vorderen. De hoogte van die schade wordt door cliënt vooralsnog gesteld op het bedrag van € 62.500,- als voornoemd. […] Namens cliënt verzoek ik u derhalve, en voor zover nodig sommeer ik u daartoe, om binnen 14 dagen na héden een bedrag van € 62.500,- aan cliënt te betalen.”
3.15.
[geïntimeerde] heeft, na daartoe op 9 november 2022 verlof te hebben gekregen van de voorzieningenrechter, conservatoir derdenbeslag laten leggen onder ING Bank N.V., op de bankrekening van [appellant] .
3.16.
Op 13 januari 2023 heeft de heer ing. [naam 2] van Top Expertise, in opdracht van [appellant] , onderzoek gedaan. Het rapport van 26 januari 2023 is door [appellant] als productie 8 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegd (hierna: ‘de contra-expertise’). Er is onderzoek op locatie en dossierstudie verricht. In dit rapport is voor zover van belang vermeld:
“Het onderzoek richt zich op de aard en de omvang van de gebreken en de mogelijkheden van herstel en de kosten hiervan. (...) Wij hebben het uitgevoerde werk van uw cliënt geïnspecteerd en moeten vaststellen dat de door bureau [naam 1] gerapporteerde gebreken terecht zijn. Wederpartij geeft aan dat de HPL-platen niet van het merk Trespa zijn. Wij hebben dit niet kunnen controleren, echter zijn de huidige HPL-platen dusdanig ondeugdelijk aangebracht dat deze hoe dan ook vervangen dienen te worden. (...) Wij zijn van oordeel dat het mogelijk is om de te dunne OSB-plaat te versterken vanaf de buitenkant wanneer de buitengevel open ligt. Hierdoor kan de binnenzijde van de wanden onaangetast blijven. Wij ramen de kosten voor herstel op € 28.201,00 (...) Wij hebben bij onze raming geen rekening gehouden met herstel van een eventuele koudebrug ter plaatse van de vloer op de fundering. (...) ”.
3.17.
Vervolgens hebben deze (door partijen ingeschakelde) deskundigen over en weer steeds op elkaar gereageerd.
3.18.
[geïntimeerde] woont – na verkoop en levering aan een derde – niet meer in de woning (productie HB17 van [appellant] ).

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en, samengevat, gevorderd (in conventie) [appellant] – na eisvermeerdering – te veroordelen:
I. tot betaling van een bedrag van € 87.329,28;
II. tot betaling van de beslagkosten;
III. in de proceskosten en nakosten.
4.2.
Volgens [geïntimeerde] is [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen op grond van de aannemingsovereenkomst, omdat de aanbouw gebreken vertoont, werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd en [appellant] bij de uitvoering schade aan de woning heeft veroorzaakt. Ook heeft [geïntimeerde] , zo stelt hij, kosten gemaakt voor het vaststellen van de schade, die hij ook door [appellant] vergoed wil zien.
4.3.
[appellant] heeft op zijn beurt, samengevat, gevorderd (in reconventie) [geïntimeerde] te veroordelen:
I. tot betaling van een bedrag van € 11.289,20, met wettelijke rente;
II. tot betaling van een bedrag van € 877,89 aan buitengerechtelijke incassokosten, met rente;
III. tot betaling van een bedrag van € 2.292,95 aan contra-expertisekosten, met wettelijke rente;
IV. tot opheffing van het door [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslag;
V. zowel in conventie als in reconventie, in de proceskosten en nakosten.
4.4.
[appellant] vordert het bedrag van € 11.289,20 omdat [geïntimeerde] de laatste (deel)factuur nog niet volledig heeft betaald.
4.5.
De rechtbank heeft [appellant] in conventie veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 78.456,46 aan [geïntimeerde] , te vermeerderen met rente en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. In reconventie heeft de rechtbank [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 11.289,20, te vermeerderen met rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
4.6.
Kort samengevat heeft de rechtbank in conventie het volgende overwogen. [geïntimeerde] heeft [appellant] bij brief van 18 mei 2022 in gebreke gesteld. [geïntimeerde] heeft voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat hij redelijkerwijs mocht aannemen dat [appellant] op het adres [adres 2] kon worden bereikt. De schade die [geïntimeerde] heeft geleden vanwege de tekortkoming van [appellant] in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst moet [appellant] vergoeden (€ 63.526,00), € 9.123,40 voor herstelkosten pui, balkondeur en elektra, € 4.908,06 wegens expertisekosten, en € 899,00 wegens kosten rechtsbijstand. In reconventie is de vordering wat betreft de (gedeeltelijk) onbetaald gelaten factuur toegewezen.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1.
[appellant] wil dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog geheel afwijst. Na eiswijziging vordert [appellant] in hoger beroep [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van wat op basis van het vonnis door [geïntimeerde] (teveel) is geïncasseerd bij [appellant] , althans (ingeval het hof het oordeel is toegedaan dat sprake is van het vereiste verzuim) tot terugbetaling van een bedrag van € 50.255,46, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 september 2023, althans vanaf de datum van vernietiging van het vonnis, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.
5.2.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep verweer gevoerd en geconcludeerd het vonnis van de rechtbank op de bestreden onderdelen te bekrachtigen. Daarnaast eist [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep, na wijziging van eis, om de beslissingen van de rechtbank in rov. 5.5. t/m 5.8. te vernietigen en [appellant] te veroordelen om aan hem een bedrag van € 14.732,86 te betalen, een ander steeds met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in (conventie en reconventie) in beide instanties.
5.3.
[appellant] concludeert tot afwijzing van het incidenteel hoger beroep.

6.Beoordeling in hoger beroep

De omvang van het geschil in hoger beroep
6.1.
De bezwaren van [appellant] richten zich in principaal hoger beroep op het oordeel van de rechtbank dat sprake is van verzuim aan zijn zijde (grief I), dat voor het bepalen van de omvang van de schade het rapport van [naam 1] leidend is wat betreft de benodigde herstelwerkzaamheden (grief II), dat de schadeposten met betrekking tot de balkondeur, schuifpui en elektrawerkzaamheden, te wijten zijn aan een tekortkoming van de zijde van [appellant] (grief III), en dat hij is veroordeeld tot betaling van de expertisekosten (grief IV), buitengerechtelijke incassokosten (grief V), en proceskosten (grief VI).
6.2.
De bezwaren van [geïntimeerde] zijn in incidenteel hoger beroep gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij de nog openstaande factuur van [appellant] , ter hoogte van € 11.289,20, verschuldigd is.
6.3.
[geïntimeerde] heeft geen grieven gericht tegen de door de rechtbank afgewezen vorderingen met betrekking tot:
  • de gipsplaten, ter hoogte van € 2.541,00 (zie rov. 4.12 vonnis rechtbank);
  • de OSB-platen en dampfolie, ter hoogte van € 271,96 en € 925,82 (zie rov. 4.13 vonnis rechtbank);
  • de vergoeding voor verzekering, ter hoogte van € 5.134,04 (zie rov 4.15 vonnis rechtbank).
Deze vorderingen vallen daarmee buiten het bereik van dit hoger beroep en liggen niet meer ter beoordeling voor.
De eiswijziging van [geïntimeerde]
6.4.
heeft na de memorie van antwoord tevens incidenteel appel van 18 juni 2024, op 3 september 2024 een akte vermeerdering eis genomen (met extra productie 2), waarin hij zijn eis heeft vermeerderd van € 11.289,20 naar € 14.732,86. Het meerdere bestaat uit een bedrag wegens door [geïntimeerde] gemaakte aanvullende expertisekosten ter hoogte van € 3.443,66 inclusief btw. Deze kosten zijn volgens [geïntimeerde] door [naam 1] gemaakt ter voorbereiding op zijn nadere rapportage van juni 2024 . Deze rapportage (extra productie 2 van de zijde van [geïntimeerde] ) bevat de reactie van [naam 1] op de memorie van grieven. [appellant] heeft bij brief van 25 augustus 2025 bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging.
6.5.
De mogelijkheid tot wijziging of aanvulling van juridische stellingen is in beginsel beperkt tot het eerste processtuk dat partijen in hoger beroep mogen nemen. Deze beperking betreft niet alleen het aanvoeren van (nieuwe) grieven, maar ook de bevoegdheid om de eis te veranderen of te vermeerderen (Hoge Raad 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771). Nu de eiswijziging van [geïntimeerde] pas na de memorie van antwoord is ingediend, is deze in strijd met de in artikel 347, lid 1 Rv neergelegde twee-conclusie-regel en in beginsel te laat. Een bijzondere reden om hierop een uitzondering te maken doet zich niet voor. Ter onderbouwing van de eisvermeerdering heeft [geïntimeerde] een factuur overgelegd van [naam 1] van 2 juli 2024 voor in juni 2024 gewerkte uren. Van nieuwe feiten of omstandigheden is reeds geen sprake, nu [geïntimeerde] genoeg gelegenheid heeft gehad om al bij het opstellen van de memorie van antwoord rekening te houden met deze extra kosten door ter zake een PM-post op te nemen.
De eiswijziging van [appellant]
6.6.
Ook [appellant] heeft een akte wijziging van eis genomen, waarin hij terugbetaling vordert van wat door hem op basis van het vonnis van de rechtbank aan [geïntimeerde] is betaald (een vordering tot ongedaanmaking).
6.7.
Het hof zal deze eiswijziging toestaan. Een geslaagd (principaal) hoger beroep brengt van rechtswege de ongedaanmaking met zich mee, zodat deze eiswijziging niet als te laat ingestelde grief wordt aangemerkt. Van strijd met de goede procesorde is ook geen sprake.
De nadere producties
6.8.
Tijdens de zitting heeft het hof beslist dat de extra producties 2 en 3 van [geïntimeerde] onderdeel zijn geworden van de procedure, net als de producties HB18 en HB19 van [appellant] . Wat betreft de producties HB20 en HB21 van [appellant] heeft het hof tijdens de zitting beslist dat deze geen onderdeel zijn geworden van het procesdossier.
Vervangende schadevergoeding; verzuim
6.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] in de nakoming van de aannemingsovereenkomst is tekortgeschoten en dat nakoming door [appellant] niet blijvend onmogelijk was. Geen grief is gericht tegen rov 4.1 van het bestreden vonnis waarin de rechtbank – terecht – oordeelt dat voor toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van de door [naam 1] begrote herstelkosten (€ 63.526,00) verzuim is vereist (hof: moet komen vast te staan dat [appellant] in verzuim is geraakt (artikel 6:74 lid 2 BW)). [appellant] voert aan dat dat niet het geval is. Deze grief slaagt. Het hof overweegt daarover het volgende.
- de brief van 18 mei 20226.10. Tussen partijen is in geschil of [appellant] in verzuim is geraakt doordat [geïntimeerde] hem in gebreke heeft gesteld (artikel 6:82 lid 1 BW). [geïntimeerde] stelt dat hij dat heeft gedaan met de brief van 18 mei 2022. [appellant] betwist dat hij deze brief heeft ontvangen.
6.11.
Vooropgesteld wordt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om werking te hebben, die persoon bereikt moet hebben (artikel 3:37 lid 3 BW). Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Het antwoord op de vraag wanneer kan worden gezegd dat een verklaring door de geadresseerde is ontvangen, wordt noch in de wettekst noch in de daarbij behorende toelichting gegeven. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig dient te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan in beginsel – behoudens andersluidend beding – worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van art. 1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde, en voorts het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt (Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104).
6.12.
Nu [appellant] betwist dat hij de brief van 18 mei 2022 heeft ontvangen, lag het op de weg van [geïntimeerde] om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de brief van 18 mei 2022 is aangeboden op het adres waarvan [geïntimeerde] redelijkerwijs mocht aannemen dat [appellant] aldaar door hem kon worden bereikt. Uit het door [geïntimeerde] in de procedure gebrachte verzendbewijs (productie 1 bij memorie van antwoord) blijkt dat hij op 18 mei 2022 een aangetekend poststuk heeft verzonden aan het adres [adres 2] . [geïntimeerde] heeft echter geen bewijs in de procedure gebracht waaruit blijkt dat dit poststuk ook op dat adres is afgeleverd. Desgevraagd heeft [geïntimeerde] tijdens de zitting bij het hof bevestigd dat hij geen afleverbevestiging heeft van de brief van 18 mei 2022. Dat een gelijkluidend e-mailbericht is verzonden, dat [appellant] heeft bereikt, is niet gesteld. Een verklaring voor het ontbreken van een afleverbewijs heeft [geïntimeerde] niet gegeven. Evenmin heeft [geïntimeerde] bewijs aangeboden op dit punt. Dit betekent dat het hof niet kan vaststellen dat de brief van 18 mei 2022 is aangeboden op het adres [adres 2] en dus ook niet dat deze brief [appellant] op die manier heeft bereikt. Evenmin kan worden vastgesteld dat de brief [appellant] anderszins heeft bereikt.
6.13.
Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] de e-mail van 3 juni 2022 heeft ontvangen en dat in deze e-mail wordt verwezen naar een brief van 18 mei 2022. Uit deze e-mail blijkt echter niet dat de brief van 18 mei 2022 is aangekomen op het adres [adres 2] . Ook blijkt hieruit niet dat de brief als bijlage bij deze e-mail is gevoegd en [appellant] alsnog – op dat moment – heeft bereikt. Voor zover [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat het op de weg van [appellant] lag om kenbaar te maken dat de brief van 18 mei 2022 (waarnaar in de e-mail van 3 juni 2022 wordt verwezen) hem op dat moment onbekend was en daarnaar te vragen, wijst het hof erop dat de stelplicht (en bij voldoende betwisting de bewijslast) van de ontvangst van deze brief op [geïntimeerde] rust. De enkele verwijzing naar een eerder verzonden brief, brengt daarin geen verandering. Uit de omstandigheid dat [appellant] niet heeft gereageerd op de brief van 18 mei 2022 kan tegen deze achtergrond door [geïntimeerde] niet worden opgemaakt dat [appellant] niet langer wenste na te komen, te meer nu [werknemer 1] kennelijk naar aanleiding van eerdere klachten bereidheid had een afspraak te maken om de door [geïntimeerde] aangedragen herstelpunten te gaan bekijken en op te lossen, welke afspraak door [geïntimeerde] is afgehouden.
6.14.
De conclusie is dat [appellant] niet met de brief van 18 mei 2022 in gebreke is gesteld. De vraag of in dit geval sprake is van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [geïntimeerde] redelijkerwijs mocht aannemen dat [appellant] op het adres [adres 2] kon worden bereikt, hoeft gelet op het voorgaande niet te worden beantwoord.
- de e-mail van 3 juni 20226.15. Voor zover [geïntimeerde] stelt dat de e-mail van 3 juni 2022 moet worden aangemerkt als ingebrekestelling, volgt het hof hem daarin niet.
6.16.
De e-mail van 3 juni 2022 is naar het oordeel van het hof slechts gericht op het in overleg oplossen van de ontstane situatie en heeft niet de strekking van een ingebrekestelling. [geïntimeerde] verwijst in de e-mail van 3 juni 2022 weliswaar naar de sommatie van 18 mei 2022, maar sluit deze niet bij en vermeldt niet dat – wanneer herstel van de gestelde gebreken uitblijft – hij daaraan gevolgen zal verbinden, omdat [appellant] dan in verzuim verkeert. [geïntimeerde] sluit de e-mail immers af met de mededeling dat [naam 1] met partijen naar de huidige situatie wil gaan kijken en hij vervolgens wil bespreken hoe de kwestie verder dient te worden opgelost. De e-mail bevat geen aanmaning waarbij aan [appellant] een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. De brief van 3 juni 2022 kan daarom ook niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling.
6.17.
Dit leidt tot de conclusie dat [appellant] niet overeenkomstig artikel 6:82 BW in gebreke is gesteld en dat [appellant] niet op die manier in verzuim kan zijn geraakt.
- geen sprake van verzuim zonder ingebrekestelling
6.18.
Verzuim kan ook zonder ingebrekestelling intreden. Artikel 6:83 BW noemt (niet limitatief) drie gevallen waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt. [geïntimeerde] heeft subsidiair aangevoerd dat het verzuim is ingetreden op de wijze als bedoeld onder artikel 6:83 sub c, althans sub b, BW. Ook daarin volgt het hof [geïntimeerde] niet.
6.19.
Artikel 6:83 sub c BW bepaalt dat verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. [geïntimeerde] heeft niet toegelicht uit welke mededeling van [appellant] hij dit heeft kunnen afleiden. Het enkele uitblijven van een reactie door [appellant] , zoals [geïntimeerde] stelt, kan zoals hiervoor overwogen niet gelijk worden gesteld aan een zodanige mededeling. Daarbij komt dat [appellant] zich op 16 februari 2022 en 3 juni 2022 juist wél bereid heeft getoond om de gestelde gebreken te komen bekijken en zo nodig op te lossen.
6.20.
[geïntimeerde] stelt verder dat uit artikel 6:83 sub b jo artikel 6:74 lid 1 BW volgt dat verzuim is ingetreden zonder ingebrekestelling, omdat [geïntimeerde] schadevergoeding vordert. Daarmee miskent [geïntimeerde] echter dat het aldaar bedoelde verzuim betrekking heeft op secundaire verbintenissen tot schadevergoeding, die zijn ontstaan doordat een andere, de primaire, verbintenis of verplichting is geschonden. Artikel 6:83 sub b BW is pas van toepassing als er een recht op schadevergoeding blijkt te bestaan. Daarvoor is op grond van artikel 6:74 lid 2 BW in geval van niet nakoming van een overeenkomst vereist dat de schuldenaar is verzuim is.
6.21.
Onder omstandigheden kan een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven, zodat de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het wat betreft de in artikel 6:82 en 6:83 BW vervatte hoofdregels en uitzonderingen omtrent ingebrekestelling en verzuim niet zozeer gaat om strakke regels die de schuldeiser, na raadpleging van de wet, in de praktijk naar de letter zal kunnen toepassen. Deze bepalingen beogen veeleer de rechter de mogelijkheid te geven om in de gevallen dat partijen – zoals meestal – zonder gedetailleerde kennis van de wet hebben gehandeld, tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hen mocht worden verwacht (Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581).
6.22.
In dit geval is er onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kon blijven en [appellant] zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. De omstandigheden die [geïntimeerde] aanvoert (namelijk dat hij meermaals via e-mail zijn onvrede heeft geuit aan [appellant] over de werkzaamheden en hem daarbij de mogelijkheid heeft geboden de gestelde gebreken te herstellen, en dat [appellant] op de hoogte was van het expertiserapport 1) zijn onvoldoende om in dit geval te kunnen concluderen dat sprake is van verzuim aan de zijde van [appellant] zonder ingebrekestelling. Daarvoor is het volgende redengevend:
- Eerst is [appellant] – na zijn e-mailbericht van 16 februari 2022 en een herinnering op 18 februari 2022 in reactie op de e-mail van [geïntimeerde] van 23 januari 2022 – niet betrokken bij het onderzoek door [naam 1] op 24 februari 2022, terwijl [geïntimeerde] op 18 februari 2022 wel had kenbaar gemaakt terug te zullen komen op het maken van een afspraak. [appellant] geeft in de e-mail van 16 februari 2022 aan dat hij graag afspreekt om het werk na te lopen en dat hij ervoor zal zorgen dat ook [werknemer 2] ( [werknemer 2] ) daarbij aanwezig zal zijn om het door te nemen. De vader van [geïntimeerde] heeft op 18 februari 2022 kenbaar gemaakt daar “
volgende week” op terug te zullen komen (e-mailberichten van 16 en 18 februari 2022, productie 6 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie in eerste aanleg). [geïntimeerde] is daar echter niet meer op teruggekomen en heeft in plaats daarvan in de week daarna een onderzoek laten verrichten door een door hem ingeschakelde deskundige, zonder [appellant] daarbij te betrekken.
- Met betrekking tot de opmerking van [geïntimeerde] ter zitting dat hij alleen [appellant] wilde toelaten tot de schouwing op 24 februari 2022 – en niet wilde dat [werknemer 2] en/of [werknemer 1] aanwezig zouden zijn bij deze schouwing – is niet gesteld of gebleken dat hij (of zijn vader) daarvan mededeling heeft gedaan aan [appellant] . Een oproeping van [naam 1] aan [appellant] om aanwezig te zijn tijdens de schouwing heeft [geïntimeerde] niet gesteld en heeft het hof niet in het procesdossier aangetroffen, zodat het hof ervan uit gaat dat [appellant] daarvoor ook geen uitnodiging heeft gehad. Zonder nadere toelichting, valt evenmin in te zien dat [geïntimeerde] – zoals hij tijdens de zitting heeft gesteld – niet hoefde accepteren dat iemand anders dan [appellant] naar de gestelde gebreken kwam kijken (naar het hof begrijpt: [werknemer 1] of [werknemer 2] ).
- Vervolgens heeft [werknemer 2] zich namens [appellant] op enig moment tussen 24 februari en 3 juni 2022 gemeld op het werk bij [geïntimeerde] , maar werd aan hem (zoals ter zitting is gebleken) geen gelegenheid geboden het werk te betreden. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht waarom het niet toelaten van [werknemer 2] op dat moment gerechtvaardigd was, anders dan met de mededeling dat hij anderen dan de heer [appellant] zelf niet hoeft toe te laten tot het werk in geval van gebreken. Waarom het uitvoeren van “
wat herstelklusjes” een “
weinig zinvolle actie” zou zijn – zoals in de brief van 3 juni 2022 door de gemachtigde van [geïntimeerde] wordt geschreven – en om welke herstelwerkzaamheden het zou gaan is, heeft [geïntimeerde] ook niet toegelicht.
- Daarna heeft [appellant] zich ook in de e-mail van 3 juni 2022 (wederom) bereid getoond de gestelde gebreken te komen bekijken en zo nodig op te lossen. [geïntimeerde] heeft op dat aanbod niet gereageerd, terwijl vast staat dat – zo heeft de vader van [geïntimeerde] tijdens de zitting bij het hof bevestigd – deze e-mail [geïntimeerde] heeft bereikt.
- Ook heeft [geïntimeerde] [appellant] vervolgens (wederom) niet betrokken bij het door hem gestelde (aanvullende) onderzoek, uitgevoerd door [naam 1] op 24 juni 2022.
6.23.
Waarom [geïntimeerde] er niet meer op hoefde te vertrouwen dat [appellant] de gestelde gebreken zou herstellen, heeft [geïntimeerde] gelet op deze feiten en omstandigheden onvoldoende toegelicht. In dit geval heeft [appellant] – anders dan [geïntimeerde] stelt – juist wel mededelingen gedaan over (eventueel) benodigd herstel van de gestelde gebreken. [appellant] heeft nadrukkelijk (in elk geval op 16 februari 2022 en op 3 juni 2022) kenbaar gemaakt dat hij (samen met [naam 1] ) naar de gestelde gebreken wilde komen kijken, en deze zo nodig op wilde lossen. Die gelegenheid om naar de gestelde gebreken te komen kijken heeft [geïntimeerde] vervolgens onvoldoende aan [appellant] geboden, terwijl [appellant] in elk geval twee keer aan (de vader van) [geïntimeerde] heeft gevraagd om daartoe een afspraak in te plannen. In dit geval staat daarnaast vast dat het juist [geïntimeerde] is geweest die een al eerder in dat kader gemaakte afspraak had afgezegd en [appellant] (twee keer) niet heeft betrokken bij een onderzoek van een door hem ingeschakelde deskundige.
6.24.
De omstandigheid dat gebreken zijn vastgesteld door een door [geïntimeerde] ingeschakelde deskundige en [appellant] daarvan op de hoogte was, betekent – anders dan [geïntimeerde] lijkt te veronderstellen – ook niet dat [appellant] niet bereid was tot herstel over te gaan wanneer bij een (gezamenlijke) inspectie zou blijken dat hij daartoe gehouden was. De enkele omstandigheid dat [appellant] niet heeft gereageerd op de e-mail van 3 april 2022 (het verzoek om gezamenlijk naar de constateringen van [naam 1] te kijken), kan in het licht van voornoemde feiten en omstandigheden ook niet tot de conclusie leiden dat hem voldoende gelegenheid is gegeven de gestelde gebreken te bekijken en zo nodig op te lossen.
6.25.
Ook de omstandigheid dat de (later) door [appellant] zelf ingeschakelde deskundige van oordeel is dat sprake is van gebreken in het werk, leidt niet tot een ander oordeel. Op het moment dat Top Expertise kenbaar maakte een deel van de gebreken te erkennen, maar dat herstel daarvan ook voor een lager bedrag mogelijk zou zijn, stelde [geïntimeerde] immers (al) geen prijs (meer) op nakoming van de overeenkomst door [appellant] . Dat had [geïntimeerde] met zijn brief van 29 augustus 2022 ondubbelzinnig aan [appellant] kenbaar gemaakt, waarna hij zijn aanspraak op vervangende schadevergoeding op 12 september 2022 herhaalde.
6.26.
Ten slotte overweegt het hof – met verwijzing naar het voorgaande – dat [geïntimeerde] ook onvoldoende heeft gesteld waaruit kan volgen dat uit de houding van [appellant] zou blijken dat aanmaning nutteloos zou zijn en hij daarom mocht volstaan met een schriftelijke mededeling dat [appellant] voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld (op grond van artikel 6:82 lid 2 BW).
Conclusie6.27. Omdat [appellant] niet in verzuim is geraakt, is er geen grond voor vervangende schadevergoeding en is het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag van € 63.526,00 wegens herstelkosten niet toewijsbaar.
De overige schadeposten
6.28.
De rechtbank heeft de door [geïntimeerde] gevorderde schadevergoeding met betrekking tot herstel van de balkondeur, schuifpui en elektrawerk, toegewezen. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [appellant] deze schadevergoeding – ter hoogte van € 5.493,40 voor herstel van de schuifpui en balkondeur en € 3.630,00 voor herstel van het elektrawerk – niet verschuldigd is. Daartoe wordt, per afzonderlijk gestelde schadepost, het volgende overwogen.
Schuifpui
6.29.
[geïntimeerde] heeft onvoldoende gesteld dat [appellant] schade aan de (ruiten van de) schuifpui van de woonkamer heeft veroorzaakt. [geïntimeerde] heeft de gemotiveerde betwisting van [appellant] – die inhoudt dat hij niet verantwoordelijk is voor de schade aan de schuifpui en dat de schuifpui al in matige staat verkeerde – namelijk onvoldoende weersproken.
6.30.
[geïntimeerde] heeft in verband hiermee een verklaring overgelegd van getuige [getuige] (hierna: [getuige] ). Gelet op de gemotiveerde betwisting van deze verklaring door [appellant] , lag het op de weg van [geïntimeerde] om bijvoorbeeld te stellen op welke dag en datum [getuige] heeft gezien dat tijdens het slijpen vonken met kracht op de(zelfde) schuifpui kwamen. De verklaring van [getuige] is onvoldoende duidelijk en specifiek op dit punt. Door in het midden te laten wanneer deze slijpwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, kan door [appellant] (of het hof) niet worden nagegaan of en zo ja, welke van, zijn medewerkers daar toen aan het werk waren, laat staan of toen slijpwerkzaamheden in de buurt van deze schuifpui hebben plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft verder ook niet gereageerd op de betwisting dat ook andere personen – die niet waren ingeschakeld door [appellant] – werkzaam waren in de woning en slijpwerkzaamheden veelal buiten worden verricht.
6.31.
Nu [geïntimeerde] onvoldoende heeft gesteld op dit punt, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
Balkondeur
6.32.
[geïntimeerde] heeft ook onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen dat [appellant] de schade aan de balkondeur heeft veroorzaakt. [geïntimeerde] heeft de gemotiveerde betwisting van [appellant] – inhoudende dat deze deur in matige staat verkeerde, en eventuele schade daarom veeleer aan de verouderde staat van de woning te wijten is – namelijk onvoldoende weersproken. Het beroep op de verklaring van [getuige] is hiervoor onvoldoende.
6.33.
Het lag op de weg van [geïntimeerde] om – gelet op de gemotiveerde betwisting van [appellant] – bijvoorbeeld te stellen op welke dag en datum [getuige] heeft gezien dat de balkondeur door een medewerker van [handelsnaam] met kracht is dichtgedrukt en hoe hij weet dat de betreffende deur daarna niet meer te openen was. De verklaring van [getuige] is op dit punt onduidelijk en onvoldoende specifiek. [getuige] beschrijft in zijn schriftelijke verklaring weliswaar dat de scharnieren van de deur zijn ontzet en de pensleutel door de dorpel is gedrukt, maar een foto daarvan (waaruit dit blijkt) heeft [geïntimeerde] niet in de procedure gebracht en nadere feiten waaruit blijkt dat de schade is toegebracht door medewerkers van [appellant] zijn niet gesteld. Niet kan niet worden uitgesloten dat de persoon die volgens [getuige] de balkondeur heeft dichtgemaakt, iemand anders is geweest dan een medewerker van [appellant] . [geïntimeerde] heeft namelijk onvoldoende weersproken dat er gedurende de werkzaamheden met betrekking tot de aanbouw ook anderen in zijn woning aan het werk waren dan enkel medewerkers van [handelsnaam] .
6.34.
Nu [geïntimeerde] onvoldoende heeft gesteld op dit punt, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
Elektra
6.35.
[geïntimeerde] vordert herstelkosten met betrekking tot het niet (volledig) door [appellant] – en overeenkomstig de tussen hen daarover gemaakte afspraken – uitvoeren van elektrawerkzaamheden. Volgens [appellant] is geen sprake van een tekortkoming aan zijn zijde op grond waarvan schadevergoeding kan worden gevorderd. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit blijkt dat de door [appellant] uitgevoerde werkzaamheden aan de elektrische installatie niet overeenkomstig de met [appellant] gemaakte afspraken zijn (geweest).
6.36.
[geïntimeerde] heeft de gestelde gebreken aan de elektrische installatie (na zijn eerdere melding bij e-mail van 23 januari 2022 dat de elektriciteitsdraden als een kluwen om elkaar zijn gedraaid in de meterkast) bij conclusie van antwoord in reconventie aan de orde gesteld. Uit de door hem overgelegde foto’s van de meterkast en de bijbehorende offerte van Geveke Elektrotechniek (de producties 16 en 17 bij conclusie van antwoord in reconventie) kan het hof echter niet afleiden dat de elektrische installatie niet zou voldoen en dat dit te wijten zou zijn aan [appellant] . Uit de enkele mededelingen van een derde partij, in dit geval Geveke Elektrotechniek – inhoudende dat de installatie niet is aangelegd volgens een bepaalde norm, de verlichtingsgroepen niet goed zijn verdeeld, de bedrading aangepast zal moeten worden en de meterkast ‘netjes’ zal moeten worden gemaakt – volgt nog niet dat [appellant] ondeugdelijk werk heeft verricht. Uit het onderzoek van [naam 1] blijkt niet dat deze de gestelde gebreken aan de elektrische installatie nader heeft onderzocht en deze ondeugdelijk heeft bevonden.
6.37.
Nu [geïntimeerde] ook op dit punt onvoldoende heeft gesteld, wordt ook hier aan bewijslevering niet toegekomen.
De tegenvordering van [appellant]
6.38.
heeft niet betwist dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de betaling van de laatste 10% van de aanneemsom pas verschuldigd is na oplevering van de aanbouw. Tussen partijen is niet in geschil dat geen eindoplevering heeft plaatsgevonden van de aanbouw. Dat blijkt ook het feit dat [appellant] geen werkzaamheden meer heeft verricht na de brief van [geïntimeerde] van 23 januari 2022. In deze brief schrijft [geïntimeerde] aan [appellant] dat hij “
vooruitlopend op een eindoplevering” op een aantal zaken wil wijzen die naar zijn mening niet correct of vakkundig zijn uitgevoerd. Tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat een afspraak om tot oplevering over te gaan niet tot stand is gekomen.
6.39.
Omdat geen oplevering heeft plaatsgehad, hoeft [geïntimeerde] de slottermijn niet aan [appellant] te betalen. Dat leidt ertoe dat het door [appellant] gevorderde bedrag van
€ 11.289,20 niet toewijsbaar is.
Expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten
6.40.
Nu aansprakelijkheid van [appellant] voor de door [geïntimeerde] gestelde schade ontbreekt, komen de door [geïntimeerde] gevorderde deskundigenkosten evenmin voor vergoeding in aanmerking. Datzelfde geldt voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Ook ten aanzien hiervan zal de vordering dus worden afgewezen.
Conclusie
6.41.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat zowel het principaal hoger beroep van [appellant] als het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt. Het bestreden vonnis van de rechtbank zal daarom worden vernietigd en zowel de vorderingen van [geïntimeerde] als de tegenvorderingen van [appellant] zullen, opnieuw rechtdoende, worden afgewezen. Dit heeft tot gevolg dat de bedragen die partijen hebben betaald (of verrekend) op basis van het vonnis van de rechtbank, door hen terugbetaald moeten worden. De terugbetalingsvordering van [appellant] zal worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld. De wettelijke rente is daarover verschuldigd vanaf de datum waarop het bedrag door [appellant] was betaald, en zal – nu [geïntimeerde] deze datum niet heeft weersproken – worden toegewezen als gevorderd.
Proceskosten
6.42.
[geïntimeerde] zal zowel in de procedure bij de rechtbank in conventie als in principaal hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten.
6.43.
De kosten van de procedure in conventie in eerste aanleg zullen aan de zijde van [appellant] worden vastgesteld op:
griffierecht € 1.301,00
salaris advocaat € 2.166,00(2 punten × tarief IV)
Totaal € 3.467,00
6.44.
Het hof stelt de proceskosten in principaal hoger beroep aan de zijde van [appellant] vast op:
dagvaarding € 129,14
griffierecht € 783,00
salaris advocaat € 4.426,00 (2 punten × tarief IV)
nakosten € 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.516,14
6.45.
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in de procedure bij de rechtbank in conventie en in principaal hoger beroep toewijzen zoals hierna vermeld, waarbij een termijn van veertien dagen zal worden gehanteerd.
6.46.
[appellant] zal zowel in de procedure bij de rechtbank in reconventie als in incidenteel hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten.
6.47.
De kosten van de procedure in reconventie in eerste aanleg zullen aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op € 598,00 (salaris advocaat, 1 punt (2 punten × factor 0,5) × tarief II).
6.48.
Het hof stelt de proceskosten in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] vast op:
salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt (2 punten × factor 0,5) tarief II)
nakosten € 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.392,00
6.49.
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in de procedure bij de rechtbank in reconventie toewijzen zoals hierna vermeld, waarbij een termijn van veertien dagen zal worden gehanteerd.

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2023 voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen en, opnieuw rechtdoende:
in conventie:
- wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
in reconventie:
- wijst de vorderingen van [appellant] af;
7.2.
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in de procedure bij de rechtbank in conventie en in principaal hoger beroep, en stelt die kosten aan de zijde van [appellant] vast op:
  • € 3.467,00 tot aan de bestreden uitspraak wat betreft de procedure in eerste aanleg in conventie;
  • € 5.516,14 tot aan deze uitspraak wat betreft de procedure in principaal hoger beroep;
en bepaalt dat voornoemde bedragen wegens proceskosten binnen veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak moeten zijn voldaan, en, als [geïntimeerde] niet tijdig aan de kostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, deze bedragen worden vermeerderd met € 92,00 en de kosten van betekening;
7.3.
veroordeelt [geïntimeerde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in de procedure bij de rechtbank in conventie en in principaal hoger beroep als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak zijn voldaan;
7.4.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in de procedure bij de rechtbank in reconventie en in incidenteel hogere beroep, en stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vast op:
  • € 598,00 tot aan de bestreden uitspraak wat betreft de procedure in eerste aanleg in reconventie;
  • € 1.392,00 tot aan deze uitspraak wat betreft de procedure in incidenteel hoger beroep;
en bepaalt dat voornoemde bedragen wegens proceskosten binnen veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak moeten zijn voldaan, en, als [appellant] niet tijdig aan de kostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, deze bedragen worden vermeerderd met € 92,00 en de kosten van betekening;
7.5.
veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in de procedure bij de rechtbank in reconventie als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak zijn voldaan;
7.6.
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen op basis van het bestreden vonnis door [geïntimeerde] (teveel) is geïncasseerd bij [appellant] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 september 2023;
7.7.
verklaart dit arrest ten aanzien van de (kosten)veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.8.
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.G.C. Veneman, J. de Graaf en M.C.M. van Dijk, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.