Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 18 november 2025
[appellante] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding van 16 februari 2024 waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van de door de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 18 augustus 2023 en 17 november 2023;
- het arrest van 7 mei 2024;
- de memorie van grieven in principaal hoger beroep van [appellante] (met producties);
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] (met producties);
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellante] (met productie).
Het geschil in eerste aanleg
Vorderingen in principaal hoger beroep
Vorderingen in incidenteel hoger beroep
De beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep
principale grief Ibetoogt [appellante] dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij had moeten worden veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak.
incidentele griefbetoogt [geïntimeerde] dat zij gerechtigd is tot de tegen [appellante] ingestelde vordering. Dat is als volgt toegelicht.
principale grief IIkeert [appellante] zich tegen de proceskostenveroordeling in het incident. Volgens [appellante] had [geïntimeerde] haar vordering nimmer toegewezen kunnen krijgen en diende de beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden te worden tot de beslissing over de proceskosten in het bestreden eindvonnis.
Beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2023, uitsluitend op het punt van de proceskosten en veroordeelt [geïntimeerde] alsnog in de proceskosten in eerste aanleg aan de kant van [appellante] voor een bedrag van € 464,--;
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2023 voor het overige;
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2023;
- compenseert de proceskosten in principaal hoger beroep:
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 429,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, zij de kosten van die betekening moet betalen, evenals de nakosten van € 178,--, plus extra nakosten van € 92,--, vermeerderd met de wettelijke rente over al deze kosten als
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.