In deze zaak stond een geschil centraal tussen een agrariër en het waterschap over de eigendom van een sloot die deels op het perceel van de agrariër en deels op dat van het waterschap ligt. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het waterschap door bevrijdende verjaring eigenaar was geworden van het deel van de sloot op het perceel van de agrariër.
Het hof heeft dit vonnis vernietigd omdat het waterschap niet heeft aangetoond dat het bezit van de sloot zodanig was dat aan de vereisten voor verjaring kon worden voldaan. De rechtbank had aangenomen dat de sloot bij de ruilverkaveling geheel op het perceel van het waterschap was gelegen, maar het hof oordeelde dat dit niet voldoende is bewezen en dat de sloot mogelijk als gemeenschappelijke sloot was bedoeld.
Verder is een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij het waterschap de kadastrale grens zoals vastgesteld door het Kadaster erkent en het talud zal herstellen. Het hof veroordeelde het waterschap in de proceskosten en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad.