ECLI:NL:GHDHA:2025:2411

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
200.350.005/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over ontslag op staande voet en bewijsopdracht aan werkgever

In deze zaak gaat het om een ontslag op staande voet van [verweerder] door [café] c.s. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 25 november 2025 een tussenuitspraak gedaan waarin het hof de werkgever een bewijsopdracht heeft gegeven met betrekking tot de feiten en omstandigheden die aan het ontslag ten grondslag liggen. De zaak is ontstaan na een incident op 22 juni 2024, waarbij [verweerder] betrokken was in een vechtpartij met [verzoeker] en [werknemer]. Het hof heeft eerder op 9 september 2025 een tussenbeschikking gegeven en verwijst naar die beschikking voor het procesverloop tot dat moment. De kantonrechter had in eerste aanleg het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig geacht, maar het hof heeft geoordeeld dat [café] c.s. alsnog bewijs moeten leveren van de dringende reden voor het ontslag. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en verdere behandeling van de geschilpunten. Het hof heeft ook de hoogte van de billijke vergoeding en de proceskosten in het geding gebracht, maar deze beslissingen zijn aangehouden. De zaak zal verder worden behandeld in een getuigenverhoor, dat gepland staat voor een nader te bepalen datum in 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
zaaknummer: 200.350.005/01
zaaknummers rechtbank Den Haag: 11208956 \ RP VERZ 24-50414
11275829 \ RP VERZ 24-50473
beschikking van 25 november 2025
in de zaak van

1.IJSSALON EN [café] V.O.F.,

gevestigd te Den Haag,
2.
[verzoeker],
3.
[verzoekster],
beiden wonende te [woonplaats],
verzoekers in principaal beroep,
verweerders in incidenteel beroep,
advocaat: mr. E.M. van der Niet, kantoorhoudend te Den Haag,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerder in principaal beroep,
verzoeker in incidenteel beroep,
advocaat: mr. R.M. van der Zwan, kantoorhoudend te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk [café] c.s. (verzoekers in principaal beroep,
verweerders in incidenteel beroep gezamenlijk), [café], [verzoeker], [verzoekster] en [verweerder] genoemd.

1.De zaak in het kort

Ontslag op staande voet. Het hof geeft de werkgever een bewijsopdracht met betrekking tot de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.

2.Procesverloop in hoger beroep

In deze zaak heeft het hof op 9 september 2025 een tussenbeschikking gegeven. Voor het procesverloop in hoger beroep tot die datum verwijst het hof naar die tussenbeschikking.
Ter uitvoering van de tussenbeschikking heeft [verweerder] een stuk overgelegd.
Vervolgens hebben [café] c.s. zich bij akte uitlaten daarover uitgelaten.
Ten slotte heeft [verweerder] daarop bij akte uitlaten gereageerd.

3.Feitelijke achtergrond

Het gaat in deze zaak om het volgende. Het hof ontleent deze weergave aan de bestreden beschikking onder 2.1 t/m 2.8, met dien verstande dat het hof rekening houdt met de klachten van [café] in grief 1 tegen de vermelding onder 2.3 en 2.6.
3.1.
[verweerder] is samen met zijn ouders eigenaar geweest van IJssalon [naam]. Bij koopovereenkomst van 23 oktober 2023 is de onderneming verkocht aan [verzoeker] en [verzoekster], vennoten van [café].
3.2.
Op 3 oktober 2023 zijn [verzoeker] en [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd overeengekomen waarbij [verweerder] per 1 januari 2024 in dienst trad bij IJssalon [naam] als verkoopmedewerker tegen een salaris van € 2.175,- netto per maand en 8% vakantietoeslag.
3.3.
De ouders van [verweerder] zijn, al dan niet met [verweerder] (dit is tussen partijen in geschil), eigenaar van een boven de ijssalon gelegen appartement (hierna: de woning).
3.4.
Afgesproken is dat [verzoeker] de woning kon gebruiken voor twee werknemers van de ijssalon, onder wie [werknemer]. Voor het gebruik zou een vergoeding worden betaald.
3.5.
Op 22 juni 2024 heeft tussen de ouders van [verweerder] en [verzoeker] een gesprek plaatsgevonden in de ijssalon over de gebruiksvergoeding/huur voor de woning. Tijdens dit gesprek is [verweerder] aangeschoven en heeft hij zich gemengd in het gesprek.
3.6.
Na het gesprek in de ijssalon is [verweerder] naar de woning gegaan. [verzoeker] en [werknemer] zijn een half uur later naar de woning gegaan. In de woning is een gevecht ontstaan tussen [verweerder] enerzijds en [verzoeker] en [werknemer] anderzijds.
3.7.
[verweerder] heeft aangifte van mishandeling gedaan bij de politie en [verzoeker] en [werknemer] zijn op 22 juni 2024 door de politie aangehouden. Zij zijn na verhoor op 23 juni 2024 weer in vrijheid gesteld. De zaak tegen [verzoeker] en [werknemer] is geseponeerd bij gebrek aan bewijs.
3.8.
Bij brief van 26 juni 2024 namens [café] is [verweerder] op staande voet ontslagen. De grond voor dat ontslag was het verbale en fysieke geweld van [verweerder] op 22 juni 2024 tegen [verzoeker]. Eerst in de ijssalon, waarbij [verweerder] dreigementen zou hebben geuit en [verzoeker] fysiek te lijf wilde gaan, en vervolgens de vechtpartij in de woning waarbij [verweerder] [werknemer] wilde slaan en daarna in gevecht raakte met [verzoeker].

4.Procedures bij de kantonrechter

4.1.
[verweerder] heeft in de loop van de procedure in eerste aanleg berust in het hem gegeven ontslag op staande voet. Hij heeft, samengevat, een billijke vergoeding verzocht, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging (met wettelijke rente), een gespecificeerde eindafrekening, achterstallig salaris en pensioenafdrachten.
4.2.
[café] c.s. hebben een gefixeerde schadevergoeding (met wettelijke rente) verzocht.
4.3.
De kantonrechter heeft het laatstgenoemde verzoek van [café] c.s. afgewezen, met compensatie van de daarmee samenhangende proceskosten. De kantonrechter heeft [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een gefixeerde schadevergoeding. Hij heeft [café] c.s. veroordeeld tot betaling van € 4.000,- netto (met wettelijke rente) wegens billijke vergoeding, € 3.428,- netto wegens achterstallig salaris (met wettelijke rente en wettelijke verhoging) en € 2.117,50 inclusief btw (met wettelijke rente) wegens advocaatkosten. De kantonrechter heeft [café] c.s. verder veroordeeld tot het verstrekken van een eindafrekening. Hij heeft [café] c.s. veroordeeld in de proceskosten.

5.Beoordeling

5.1.
Een aantal van deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen is in hoger beroep opnieuw aan de orde gesteld. Het gaat in principaal beroep om:
- de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het gegeven ontslag op staande voet (en de daaruit voortvloeiende veroordeling van [café] c.s. tot betaling van een billijke vergoeding van € 4.000,- netto met wettelijke rente en de afwijzing van het verzoek van [café] c.s. om een gefixeerde schadevergoeding van € 2.818,80 netto met wettelijke rente),
- de veroordeling van [café] c.s. tot betaling van de advocaatkosten van € 2.117,50 inclusief btw met wettelijke rente en de veroordeling van [café] c.s. in de proceskosten in eerste aanleg.
In incidenteel beroep heeft [verweerder] verzocht om hem alsnog een billijke vergoeding van € 12.500,- toe te kennen.
5.2.
Het hof zal deze geschilpunten hierna bespreken.
De rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet
5.3.
In de ontslagbrief van 26 juni 2024 is de dringende reden voor het ontslag als volgt verwoord:
Op zaterdag 22 juni 2024 kwam u samen met uw ouders naar de onderneming van cliënt. U was zichtbaar boos en schold de heer [verzoeker], een van de eigenaren van cliënt, uit. Ook wilde u de heer [verzoeker] fysiek te lijf gaan (vechten). En dreigde u met de “Siciliaanse maffia”. Nota bene waar klanten bij waren. Van dit alles zijn camerabeelden.
Toen de door de heer [verzoeker] opgeroepen security van de Palace Promenade u en uw ouders het pand uitzette, zei u (in het Italiaans) tegen [voornaam] [[werknemer],
hof], een werknemer van cliënt, dat u naar de woning (…) (waar [werknemer] woont, hierna: “de woning”) zou gaan en daar alle spullen zou weghalen. Later zei uw vader de heer [verzoeker] dat u inderdaad spullen buitengezet had, maar dat hij ze weer binnengezet had. Hij bood zijn excuses aan.
Wat daar verder van zij, terwijl de heer [verzoeker] de politie belde om aangifte van onder meer bedreiging te doen (hij stond in de wacht), liep hij met [werknemer] naar de woning om te zien wat daar gebeurd was. Daar troffen zij u aan, waarna u [werknemer] fysiek aanviel. De heer [verzoeker] probeerde hier tussen te komen en u begon een gevecht met de heer [verzoeker]. Vervolgens bewoog u zich naar de keuken en kort daarna zag de heer [verzoeker] [werknemer] wegrennen. U had een keukenmes van zo’n 30 cm in uw handen. Ook de heer [verzoeker] rende weg en samen met [werknemer] hielden zij de buitendeur dicht zodat u hen niet kon bereiken.
De heer [verzoeker] belde de politie, die kort daarna kwam.
Iedereen werd aangehouden en de heer [verzoeker] en [werknemer] zijn een dag later bij gebrek aan bewijs heengezonden.
Uw gedragingen, die kort samengevat bestaan uit verbaal en fysiek geweld jegens de heer [verzoeker] en [werknemer] en ernstige bedreiging van de heer [verzoeker], zijn onacceptabel en brengen op zichzelf maar ook in onderlinge samenhang met zich dat van cliënt niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Ex artikel 7:677 lid 1 (jo. 7:678 lid 2 sub e BW) is sprake van een dringende reden om uw arbeidsovereenkomst per heden te beëindigen. En namens cliënt zeg ik de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op.
5.4.
De kantonrechter heeft de standpunten van partijen over wat is voorgevallen op 22 juni 2024 in de ijssalon en vervolgens in de woning tegenover elkaar gesteld. Hij heeft overwogen dat de door [café] c.s. gestelde dreigende houding van [verweerder] niet (duidelijk) zichtbaar is uit de overgelegde video van de ijssalon en dat er geen geluid is bij de video, zodat niet te horen is wat er gezegd wordt. Omdat de verklaringen van partijen over de gebeurtenissen die dag lijnrecht tegenover elkaar staan, is niet duidelijk vast te stellen wie het gelijk aan zijn zijde heeft. Die onduidelijkheid zal, aldus de kantonrechter, niet worden weggenomen met het horen van getuigen. De belangrijkste zijn immers ook al tijdens de mondelinge behandeling gehoord. Een en ander leidt, zo vervolgde de kantonrechter, tot de conclusie dat de gestelde dringende reden niet voldoende aannemelijk is geworden en het gegeven ontslag op staande voet daarom niet rechtsgeldig is geweest.
5.5.
Bij verweerschrift in eerste aanleg in de zaak met nummer 11208956 hebben [café] c.s. concreet en ter zake dienend bewijs aangeboden van de door hen beschreven gang van zaken op 22 juni 2024 in zowel de ijssalon als de woning onder opgave van zes getuigen. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg leidt het hof af dat enkel [verzoeker], [verweerder] en [verzoekster] als ter zitting aanwezige partijen bij de kantonrechter een verklaring hebben afgelegd. Een en ander betekent dat de kantonrechter in strijd met de wettelijke bewijsregels is voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van [café] c.s.
5.6.
Anders dan [café] c.s. in deze grief primair hebben bepleit, kan tegenover het verweer van [verweerder] niet al op grond van de stukken worden geoordeeld dat de feiten en omstandigheden die zij aan het ontslag ten grondslag hebben gelegd, zijn bewezen. Voor zover in grief 2 wordt geklaagd dat de kantonrechter [café] c.s. in de gelegenheid had moeten stellen nader bewijs te leveren, is deze grief echter gegrond. Het hof zal alsnog doen wat de kantonrechter had behoren te doen en [café] c.s. toelaten tot het bewijs van de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden. Deze zal in de bewijsopdracht worden geformuleerd als het handelen van [verweerder] op 22 juni 2024 in de ijssalon en/of in de woning, zoals beschreven in de ontslagbrief.
5.7.
De verdere behandeling van grief 2 op dit punt wordt in afwachting van de bewijslevering aangehouden. Hetzelfde geldt voor de waardering door het hof van de ernst van de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Ook houdt het hof de overige klachten in grief 2 aan (over de toewijsbaarheid van het verzoek van [café] c.s. om een gefixeerde schadevergoeding, de verschuldigdheid van een billijke vergoeding en het subsidiaire verweer van [café] c.s. dat een lager bedrag wegens billijke vergoeding moet worden toegewezen dan de kantonrechter heeft gedaan).
5.8.
Het hof verwerpt het verweer van [verweerder] dat het ontslag niet rechtsgeldig is omdat het in zijn visie niet onverwijld is gegeven. Zoals hiervóór vermeld, is [verzoeker] op 23 juni 2024 in vrijheid gesteld. [café] c.s. hebben vervolgens een advocaat moeten zoeken voor juridisch advies. Namens [café] c.s. is vervolgens bij brief van 26 juni 2024 aan [verweerder] mededeling gedaan van het ontslag. Het hof acht een en ander voldoende voortvarend om te kunnen oordelen dat het ontslag onverwijld is gegeven.
De advocaatkosten
5.9.
Bij inleidend verzoekschrift in de zaak met nummer 11208956 heeft [verweerder] wegens door hem gemaakte advocaatkosten veroordeling van [café] c.s. tot betaling van een bedrag van € 5.500,- exclusief btw verzocht. De kantonrechter heeft dit verzoek tot een bedrag van € 2.117,50 inclusief btw toegewezen. Hiertegen komen [café] c.s. op in grief 3.
5.10.
Anders dan de kantonrechter, ziet het hof in de stellingen van [verweerder] niet voldoende aanknopingspunten om een deel van de gedeclareerde werkzaamheden aan te merken als andere verrichtingen dan die waarvoor de in de artikelen 237 t/m 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De uren waarop de kantonrechter kennelijk het oog heeft gehad, betreffen uren voor bespreking en correspondentie. Ook voor die werkzaamheden geldt dat deze behoren tot de zojuist bedoelde verrichtingen. [verweerder] heeft in hoger beroep betoogd dat de buitengerechtelijke werkzaamheden ook betrekking hadden op een onderwerp dat in de onderhavige procedure niet aan de orde is (de weigering van toegang tot het werk totdat [verweerder] een nieuw arbeidscontract had getekend). Hij heeft zijn stellingen echter onvoldoende uitgewerkt om te kunnen concluderen dat zijn daaruit voortvloeiende aanspraak niet in de onderhavige procedure geldend is gemaakt (namelijk door middel van zijn verzoek tot betaling van achterstallig salaris en pensioenpremie). [verweerder] heeft gesteld dat [café] c.s. op dat punt hun verplichting om zich als een goed werkgever te gedragen, hebben geschonden. Hij heeft deze stellingen tegenover het verweer van [café] c.s. echter onvoldoende uitgewerkt. Het hof kan daarom niet concluderen dat [café] c.s. zich niet als een goed werkgever hebben gedragen. Grief 3 slaagt dus in zoverre.
Proceskosten
5.11.
De verdere behandeling van grief 3, over de beslissing over de proceskosten, wordt aangehouden.
De hoogte van de billijke vergoeding
5.12.
Ook [verweerder] stelt de hoogte van de billijke vergoeding aan de orde. In incidenteel beroep verzoekt [verweerder] hem alsnog een billijke vergoeding toe te kennen van € 12.500,- bruto. Ook hier houdt het hof het oordeel over de hoogte van de billijke vergoeding, en daarmee de behandeling van de incidentele grief, aan. Wel merkt het hof het volgende op. De kantonrechter heeft aan [verweerder] een billijke vergoeding toegekend op de grond dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest. Dat oordeel is in principaal beroep bestreden. Naar het hof begrijpt, is [verweerder] van mening dat de kantonrechter bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding ten onrechte niet heeft laten meewegen dat [verzoeker] hem in de woning heeft mishandeld. Die door hem gestelde mishandeling wenst [verweerder] blijkens zijn incidentele grief alsnog betrokken te zien bij de bepaling van de billijke vergoeding. De bewijslast van de mishandeling rust op [verweerder]. Omdat deze stelling min of meer spiegelbeeldig is aan de bewijsopdracht aan [café] c.s., zal het hof aan [verweerder] niet een afzonderlijke bewijsopdracht geven. [verweerder] dient zich ervan bewust te zijn dat het hof het bewijs van de door hem gestelde mishandeling te zijner tijd zal beoordelen met inachtneming van deze bewijslastverdeling.
Instructie
5.13.
Het hof wenst met het oog op een doelmatige procesgang het getuigenverhoor zo veel mogelijk te concentreren en verzoekt partijen daaraan hun medewerking te verlenen door bij de opgave van de getuigen en hun verhinderdata zo enigszins mogelijk óók de aan de zijde van [verweerder] voor te brengen getuigen te betrekken. Partijen dienen er van uit te gaan dat per dagdeel niet meer dan twee getuigen zullen kunnen worden gehoord. Indien nodig zullen bij de datumbepaling verschillende, kort achtereen gelegen, data worden bepaald voor het getuigenverhoor.

6.Beslissing

Het hof:
laat [café] c.s. toe tot het bewijs van de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden, bestaande uit het handelen van [verweerder] op 22 juni 2024 in de ijssalon en/of in de woning, zoals beschreven in de ontslagbrief;
bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. R.J.F. Thiessen, op een nader door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en uur;
verwijst de zaak naar de roldatum van
dinsdag 23 december 2025voor opgave door de advocaat van [café] c.s. van verhinderdata aan beide zijden (ook die van de getuigen), met opgave van de namen van de getuigen, in de periode februari t/m mei 2026;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, C.A. Joustra en M.T. Nijhuis, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.