ECLI:NL:GHDHA:2025:2575

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
BK-25/391
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aftrek specifieke zorgkosten en grievend taalgebruik in processtukken

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 19 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de aftrek van specifieke zorgkosten door belanghebbende voor het jaar 2021. De Inspecteur had een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, waarbij belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.570 had aangegeven. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en de beschikking belastingrente, maar de Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep heeft belanghebbende opnieuw geprobeerd de aftrek van specifieke zorgkosten te verhogen, maar het Hof oordeelde dat hij niet voldoende bewijs had geleverd voor de door hem gestelde kosten. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en wees op het ongepaste taalgebruik van belanghebbende in zijn processtukken, wat leidde tot een waarschuwing. Het Hof benadrukte dat dergelijk taalgebruik niet acceptabel is en dat toekomstige stukken met grievende opmerkingen mogelijk niet in behandeling worden genomen. De uitspraak van het Hof bevestigt de eerdere beslissing van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/391

Uitspraak van 19 november 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 maart 2025, nummer SGR 24/4913.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.570 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 38 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking bezwaar gemaakt bij de Inspecteur. Bij uitspraak op bezwaar van 8 april 2024 zijn de aanslag en de beschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 5 juni 2025 een nader stuk (van vier pagina’s) ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 12 november 2025. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende is in de onderhavige zaak door de griffier van het Hof bij een digitaal verzonden bericht uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van 12 november 2025 om 10.45 uur te Den Haag. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet ter genoemde zitting verschenen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 2 oktober 2025, 14:12 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mail verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof correct uitgenodigd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1965. Belanghebbende is met zijn zoon [naam] , geboren op [geboortedatum] 2004, in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op hetzelfde adres.
2.2.
Voor het jaar 2021 heeft belanghebbende in zijn aangifte IB/PVV een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 13.092 (€ 16.026 -/- € 150 aan studiekosten en € 2.784 aan specifieke zorgkosten).
2.3.
De Inspecteur heeft met dagtekening 1 juni 2023 de onderhavige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.570. Daarbij heeft de Inspecteur voor € 150 aan studiekosten, € 150 aan reiskosten ziekenbezoek en forfaitair € 300 aan kosten voor kleding en beddengoed in aftrek geaccepteerd. Na verhoging specifieke zorgkosten ad € 120 en toepassing van de drempel uitgaven specifieke zorgkosten ad € 264, is een bedrag van € 306 aan totaal aftrekbare specifieke zorgkosten in aanmerking genomen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“2. Eiser heeft op 4 augustus 2022 voor het jaar 2021 aangifte gedaan naar een verzamelinkomen van € 13.092. Dit bestaat uit een inkomen uit werk en woning van € 16.036, waarop een persoonsgebonden aftrek van € 2.934 in mindering is gebracht. De persoonsgebonden aftrek bestaat voor € 150 uit studiekosten en andere scholingsuitgaven en voor € 2.784 uit specifieke zorgkosten. De specifieke zorgkosten heeft eiser als volgt gespecificeerd:
Kosten medicijnen
€ 520
Uitgaven voor hulpmiddelen
€ 300
Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit
€ 250
Dieetkosten
€ 250
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 750
Reiskosten ziekenbezoek
€ 150
Uitgaven specifieke zorgkosten voor toepassing verhoging
€ 2.220
Grondslag specifieke zorgkosten
€ 2.070
Verhoging specifieke zorgkosten
€ 828
Totaal uitgaven specifieke zorgkosten
€ 3.048
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten
€ 264
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
€ 2.784
3. Op 4 april 2023 heeft verweerder een verzoek om informatie gestuurd naar eiser. Eiser heeft daarop gereageerd op 24 april 2023. In reactie daarop heeft verweerder met dagtekening 25 april 2023 een vooraankondiging verstuurd waarin verweerder het voornemen om van de aangifte af te wijken kenbaar maakt. Hierop heeft eiser gereageerd op 4 mei 2023. Met dagtekening 10 mei 2023 heeft verweerder eiser per brief laten weten de aangekondigde afwijking van de aangifte te handhaven.
4. Verweerder heeft op 1 juni 2023 de definitieve aanslag IB/PVV 2021 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 15.570. Dit bestaat uit een inkomen uit werk en woning van € 16.026 en een persoonsgebonden aftrek van € 456. De persoonsgebonden aftrek bestaat voor € 150 aan studiekosten en andere scholingsuitgaven en voor € 306 aan specifieke zorgkosten. Verweerder heeft de in aftrek toegestane specifieke zorgkosten als volgt gespecificeerd:
Kosten medicijnen
€ 0
Uitgaven voor hulpmiddelen
€ 0
Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit
€ 0
Dieetkosten
€ 0
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 300
Reiskosten ziekenbezoek
€ 150
Uitgaven specifieke zorgkosten voor toepassing verhoging
€ 450
Grondslag specifieke zorgkosten
€ 300
Verhoging specifieke zorgkosten
€ 120
Totaal uitgaven specifieke zorgkosten
€ 570
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten
€ 264
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
€ 306
Bij gelijktijdig met de aanslag opgelegde beschikking is € 38 aan belastingrente berekend.
5. In geschil is of eiser recht heeft op een hogere aftrek aan specifieke zorgkosten.
6. Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 bevat een limitatieve opsomming van de aftrekbare uitgaven voor specifieke zorgkosten. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 komen - voor zover hier van belang - de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor genees- en heelkundige hulp, vervoer, farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts, andere hulpmiddelen (niet zijnde brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen), de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet en extra kleding en beddengoed voor aftrek in aanmerking. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de door hem gestelde specifieke zorgkosten in direct verband staan met ziekte of invaliditeit, dat hij daadwerkelijk de door hem gestelde uitgaven heeft gedaan en dat hij voor deze uitgaven geen vergoeding heeft ontvangen van een zorgverzekeraar.
7. Eiser stelt dat hij, wegens chronische pijnklachten en ziektes van hemzelf en zijn zoon, extra kosten maakt voor onder meer dextrose, een speciale contactlens, oogdruppels, lenzenvloeistof, vervoer naar het ziekenhuis in [plaats] , eiwitrijk voedsel en kleding. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling betalingsbewijzen van een opticien, ritten met het openbaar vervoer, een kledingwinkel, supermarkten en een drogist overgelegd.
8. Eiser heeft hiermee de door hem gestelde specifieke zorgkosten niet aannemelijk gemaakt. Voor wat betreft de kosten van andere hulpmiddelen stelt de rechtbank voorop dat de kosten de contactlens en lenzenvloeistof reeds op grond van artikel 6.17, tweede lid, ten eerste, van de Wet IB 2001, niet aftrekbaar zijn. Verder zijn uitgaven voor andere hulpmiddelen niet aftrekbaar als dergelijke middelen ook voor andere doeleinden dan de behandeling of voorkoming van ziekte of aandoeningen worden gebruikt. Dit is bijvoorbeeld bij dextrose het geval, zodat ook die kosten niet aftrekbaar zijn. Dat eisers zoon dextrose gebruikt voor zijn ziekte, maakt dit niet anders. Daarnaast heeft eiser geen facturen of andere schriftelijke bewijsstukken overgelegd, waaruit kan worden afgeleid op welke andere (farmaceutische) hulpmiddelen de door hem gestelde kosten zien.
9. Ook met betrekking tot de vervoerskosten heeft eiser onvoldoende bewijsstukken overgelegd. Uit de door eiser overgelegde betalingsbewijzen van de ritten met het openbaar vervoer kan, zonder nader aanvullende bewijsstukken zoals bijvoorbeeld een afsprakenkaart van het ziekenhuis, niet worden opgemaakt dat deze zijn gemaakt in verband met ziekte. Verder heeft eiser met betrekking tot de kosten voor extra kleding en beddengoed een bon van de [winkel] ten bedrage van € 211 euro overgelegd. Hiermee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven € 600 te boven gaan waardoor recht bestaat op het hogere forfaitaire bedrag van € 750. Verweerder heeft immers al het forfaitaire bedrag van € 300 in aftrek toegestaan. Eisers stelling dat zijn zoon wegens zijn suikerziekte kleding en beddengoed stuk maakt en eiser hiervoor extra uitgaven heeft gedaan, maakt dit niet anders. Daarnaast heeft eiser de dieetkosten niet aannemelijk gemaakt nu hij geen ondertekende dieetverklaring heeft vertrekt. Hij voldoet daarom niet aan de voorwaarde van het op medisch voorschrift gehouden dieet zoals is opgenomen in artikel 6.17, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet IB 2001.
10. De overige door eiser overgelegde betalingsbewijzen van de supermarkten kunnen, anders dan eiser kennelijk veronderstelt, niet als uitgaven voor ziekte worden aangemerkt.
11. Eiser heeft verder geen andere bewijsstukken van de door hem gestelde kosten ingebracht. Eiser kan daarbij niet volstaan met een schatting van zijn jaarlijkse minimale specifieke zorgkosten, omdat voor het in aanmerking nemen van specifieke zorgkosten vereist is dat bewijs moet worden geleverd dat deze kosten zijn gemaakt. Dat eiser geen andere bewijsstukken meer heeft, komt voor rekening en risico van eiser.
12. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht de aftrek specifieke zorgkosten gecorrigeerd.
13. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat sprake is geweest van discriminatie, faalt dit. In de gedingstukken zijn geen aanwijzingen te vinden dat eiser vanwege zijn buitenlandse afkomst is gediscrimineerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat tijdens het onderzoek van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 door verweerder niet is gehandeld overeenkomstig hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, laat staan dat hier sprake zou zijn van een door de Hoge Raad genoemde situatie waarin is gehandeld op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van de resultaten van het onderzoek van de aangifte onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.[1]
14. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
15. De rechtbank merkt ten slotte nog op dat eiser (met name) in zijn nader stuk uitlatingen heeft gedaan over een medewerker van verweerder die beledigend en grievend zijn. De rechtbank acht dergelijk taalgebruik volstrekt ongepast. Dat dit taalgebruik is ingegeven, zoals eiser ter zitting desgevraagd heeft gesteld, door diens bredere frustraties over de wijze waarop hij zich door (onder meer) verweerder bejegend voelt, maakt dit niet anders. De rechtbank wijst eiser erop dat bij herhaling de mogelijkheid bestaat dat zijn stukken, voor zover die dergelijke uitlatingen bevatten, zullen worden geweigerd. Voor nu volstaat de rechtbank met deze waarschuwing.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] vgl. Hoge Raad 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748 en Hoge Raad 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:14

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is, zo begrijpt het Hof, of:
1) belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek aan ziektekosten;
2) belanghebbende wordt gediscrimineerd.
4.2.
Het hoger beroep van belanghebbende strekt, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partijen in hoger beroep toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of eerste aanleg zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dient te worden.
Waarschuwing wegens grievend en beledigend taalgebruik
5.2.1.
Het Hof hecht eraan nog het volgende te overwegen.
5.2.2.
Belanghebbende mag zijn standpunt verwoorden op een wijze die hem goeddunkt, ook als dat standpunt verwijten behelst aan de wederpartij of anderen. Maar daarbij geldt dat hij zich niet onnodig grievend dient uit te laten, dat hij zijn verwijten en beschuldigingen feitelijk dient te onderbouwen en dat hij duidelijk moet maken wat de relevantie daarvan is voor het geschil.
5.2.3.
Het Hof is van oordeel dat het taalgebruik van belanghebbende structureel in strijd komt met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke omgangsvormen. Hij uit verwijten en beschuldigingen aan burgerlijke en rechterlijke ambtenaren, aan rechterlijke colleges, aan artsen en aan de rechtsstaat en Nederland in het algemeen. Daarbij gaat het er niet om dat belanghebbende kenbaar maakt het oneens te zijn met bepaalde rechterlijke oordelen. Laatstbedoelde uitingen passen bij rechterlijke procedures. Waar het wel om gaat, is dat belanghebbende zeer beledigende, zelfs grievende opmerkingen maakt. Ook na daarvoor eerder door de Rechtbank te zijn gewaarschuwd, heeft belanghebbende daarin in zijn hoger beroep volhard.
5.2.4.
Het Hof wijst belanghebbende uitdrukkelijk erop dat het Hof bij de inhoudelijke beoordeling van een toekomstig hoger beroep geen kennis zal nemen van geschriften waarin belanghebbende zich, dan wel een gemachtigde namens hem, wederom bedient van onnodig beledigende opmerkingen als thans gebezigd. Dit brengt mee dat het Hof alsdan geen kennis zal nemen van de stellingen en standpunten van belanghebbende en de onderbouwing daarvan voor zover zij in deze stukken zijn vervat, zodat het hoger beroep alsdan niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
5.3.
Belanghebbende heeft in hoger beroep ook geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
5.4.
Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten of teruggave van het in hoger beroep betaalde griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, T.A. de Hek en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.
De griffier, de voorzitter,
A.S.H.M. Strik H.A.J. Kroon
De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.