ECLI:NL:GHDHA:2025:2587

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
BK-24/1017 en BK-24/1018
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake belastingrente en dwangsombeschikking in de zaak van belanghebbende tegen de Inspecteur van de Belastingdienst

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 4 november 2024, waarin de Rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond verklaarde. De Inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2021 een voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd, die resulteerde in een voorlopige teruggaaf van € 2.165. Belanghebbende verzocht meerdere keren om uitstel voor het doen van aangifte, wat door de Inspecteur deels werd toegewezen. Uiteindelijk werd een definitieve aanslag opgelegd, waarbij ook een verzuimboete en belastingrente in rekening werd gebracht. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beslissingen, maar de Inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. De Rechtbank oordeelde dat de belastingrente terecht was berekend en dat de dwangsombeschikking niet correct was afgegeven. In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof de uitspraak van de Rechtbank, waarbij het Hof oordeelde dat de belastingrente correct was vastgesteld volgens de geldende wet- en regelgeving. Het Hof concludeerde dat belanghebbende geen verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag had ingediend en dat de Inspecteur zich aan de wettelijke bepalingen had gehouden. De uitspraak van het Hof werd op 30 september 2025 openbaar gemaakt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-24/1017 en BK-24/1018

Uitspraak van 30 september 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.L.M. Reijnen)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 november 2024, nummers SGR 24/2774 en SGR 24/1056.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd. De voorlopige aanslag heeft geresulteerd in een (voorlopige) teruggaaf van € 2.165.
1.4.
De Inspecteur heeft bij brief met dagtekening 28 februari 2022 belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2021.
1.5.
Belanghebbende heeft op 4 mei 2022 om uitstel tot het doen van aangifte verzocht tot 1 september 2021. De Inspecteur heeft het uitstelverzoek toegewezen en uitstel verleend tot 1 september 2022.
1.6.
Belanghebbende heeft op 1 juni 2022 wederom om uitstel tot het doen van aangifte verzocht. De Inspecteur heeft dit uitstelverzoek, afgewezen onder verwijzing naar het reeds eerder verleende uitstel tot 1 september 2022, als bedoeld onder 1.3.
1.7.
Belanghebbende heeft op 14 september 2022 wederom om uitstel tot het doen van aangifte verzocht. De Inspecteur heeft het uitstelverzoek toegewezen en uitstel verleend tot 1 december 2022.
1.8.
Belanghebbende heeft op 5 december 2022 en op 13 december 2022 wederom om uitstel tot het doen van aangifte verzocht. De Inspecteur heeft beide uitstelverzoek afgewezen met de opmerking dat de motivering van de uitstelverzoeken geen reden is voor het verlengen van het uitstel.
1.9.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende op 6 januari 2021 een herinnering tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 gestuurd. In de herinnering tot het doen van aangifte is een uiterlijke termijn van 20 januari 2023 vermeld.
1.10.
De Inspecteur heeft belanghebbende op 7 februari 2023 aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2021. In de aanmaning tot het doen van aangifte is een uiterlijke termijn van 21 februari 2023 vermeld.
1.11.
Belanghebbende heeft op 21 februari 2023 aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 gedaan.
1.12.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een definitieve aanslag IB/PVV opgelegd, berekend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.888 (de definitieve aanslag 2021). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 385 en € 42 aan belastingrente (de belastingrentebeschikking) in rekening gebracht.
1.13.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de bij de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 gegeven beschikkingen. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
1.14.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 102. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 875;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 102 (€ 51 in de zaak met zaaknummer SGR 24/2774 en € 51 in de zaak met zaaknummer SGR 24/1056) aan eiseres te vergoeden.”
1.15.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 138 geheven. De Inspecteur heeft twee verweerschriften ingediend.
1.16.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 augustus 2025. Partijen zijn verschenen
.Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
De voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 bevat, onder meer, de volgende tekst:

“Deze aanslag is voorlopig

Deze voorlopige aanslag is gebaseerd op een inschatting van uw situatie in 2021. U kunt aan deze voorlopige aanslag geen rechten ontlenen voor een eventuele definitieve aanslag over 2021.

Als u uw gegevens wilt wijzigen

Controleer uw gegevens goed. Via www.belastingdienst.nl/voorlopige_aanslag kunt u gemakkelijk een wijziging doorgeven. Kunt u uw gegevens niet online wijzigen? Bel dan 0800 - 023 01 07 om een papieren formulier aan te vragen. U krijgt geen medewerker aan de lijn. Aanvragen doet u via het keuzemenu.”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“16. In geschil is of verweerder een juiste dwangsombeschikking heeft afgegeven. Ook is in geschil of de belastingrente die in rekening is gebracht bij de aanslag IB/PVV 2021 terecht en tot het juiste bedrag is berekend.
17. Eiseres stelt dat verweerder niet een juiste dwangsombeschikking heeft afgegeven gelet op de toezegging van verweerder dat twee dwangsommen zouden zijn verbeurd. Ook stelt eiseres dat de belastingrente verminderd moet worden naar nihil, omdat verweerder de voorlopige teruggave niet had stopgezet.
18. Verweerder heeft ter zitting bevestigd zich te kunnen vinden in het standpunt van eiseres dat hij met de afgegeven dwangsombeschikking zijn toezegging uit het hoorgesprek niet gestand had gegaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de beroepen in zoverre gegrond dienen te worden verklaard. Verweerder is verder van mening dat de belastingrente over het jaar 2021 terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht.
19. Ten aanzien van de dwangsombeschikking, of die nu ziet op het jaar 2019 of het jaar 2021, heeft de rechtbank overeenkomstig de wens van partijen en in het licht va finale geschilbeslechting geoordeeld dat de beroepen gegrond zijn.
20. Ten aanzien van de belastingrente, het tweede geschilpunt met betrekking tot belastingjaar 2021, overweegt de rechtbank het volgende. Aan belastingplichtigen wordt belastingrente in rekening gebracht indien een aanslag inkomstenbelasting met een te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld na zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarover belasting moet worden betaald.[1] De belastingrente wordt berekend over het te betalen bedrag aan belasting over het tijdvak dat aanvangt zes maanden na het kalenderjaar tot de uiterste betaaltermijn van de aanslag.[2] Indien de aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte dan wordt het tijdvak beperkt tot maximaal negentien weken na ontvangst van de aangifte.[3]
21. Verweerder heeft de belastingrente berekend overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. De belastingrente is namelijk berekend over de te betalen belasting van
€ 1.099, over een periode van 1 juli 2022 tot en met 14 juni 2023, naar het toenmalige tarief van 4%. Verder is de aanslag vastgesteld binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn. Er bestaat dan ook geen aanleiding te concluderen dat de belastingrente te hoog is vastgesteld. Er zijn ook geen overige omstandigheden gesteld of gebleken die een matiging van de belastingrente zouden rechtvaardigen.
22. Dat het niet de bedoeling van eiseres was dat voor het jaar 2021 een voorlopige teruggaaf is toegekend, welke zij uiteindelijk met belastingrente gedeeltelijk moest terugbetalen, maakt dit niet anders. Aan een voorlopige aanslag kan niet het vertrouwen worden ontleend dat de definitieve aanslag dienovereenkomstig zal worden opgelegd. Op de voorlopige aanslag staat ook vermeld dat de gegevens uit de aangifte nog gecontroleerd gaan worden en dat de definitieve aanslag kan afwijken van de voorlopige aanslag. Eiseres, onderscheidenlijk haar gemachtigde, had dan ook kunnen en moeten begrijpen dat de mogelijkheid bestond dat zij het bedrag van de voorlopige aanslag bij oplegging van de definitieve aanslag (gedeeltelijk) zou moeten terugbetalen in welk geval zij over het terug te betalen bedrag belastingrente verschuldigd zou zijn. Om belastingrente te voorkomen had eiseres een verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag kunnen indienen. Ook had zij vóór 1 mei 2022 aangifte kunnen doen. Nu dit niet is gebeurd, kan niet worden gezegd dat verweerder op enige manier anders had moeten handelen bij de aanslagregeling en de vaststelling van de verschuldigde belastingrente.
23. Ook het standpunt van eiseres dat het rentepercentage van 4% niet in verhouding staat met de percentages die gehanteerd worden bij de vermogensrendementsheffing in box 3, kan haar niet baten. Artikel 30hb van de AWR bepaalt het percentage van de in rekening te brengen belastingrente. De rechtbank is niet bevoegd om op grond van redelijkheid en billijkheid uit te gaan van een ander percentage. Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen moet de rechter volgens de wet rechtspreken en is het hem niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te toetsen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is.
24. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ten aanzien van de belastingrente ongegrond te worden verklaard.
25. Ter zitting waren beide partijen van mening dat eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding, dat in dat licht sprake is van samenhangende zaken en dat daarop een wegingsfactor van 0,5 kan worden toegepast. De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5).
(…)
[1] Artikel 30fc, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
[2] Artikel 30fc, tweede lid, van de AWR.
[3] Artikel 30fc, derde lid, van de AWR.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de belastingrente voor het jaar 2021 terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Heffingsambtenaar bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert in hoger beroep tot vernietiging van de rentebeschikking.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Ingevolge artikel 30fc, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt, met betrekking tot de inkomstenbelasting belastingrente in rekening gebracht, als na het verstrijken van een periode van zes maanden vanaf het einde van het tijdvak waarover de aanslag wordt vastgesteld een door de belastingplichtige te betalen bedrag wordt vastgesteld. De belastingrente wordt ingevolge artikel 30fc, lid 2, AWR enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt zes maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar is. Als de aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, wordt ingevolge artikel 30fc, derde lid, AWR belastingrente in rekening gebracht tot uiterlijk negentien weken na ontvangst van de aangifte. Ingevolge artikel 30fc, lid 4, AWR wordt geen belastingrente in rekening gebracht als de aanslag is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.
5.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de belastingrente ten onrechte is berekend omdat zij in de jaren 2017 en 2018 de Inspecteur heeft verzocht de voorlopige teruggave, die het resultaat is van de opgelegde voorlopige aanslag, stop te zetten. Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur naar aanleiding van dit verzoek de voorlopige teruggaven ook in de jaren na 2018 had moeten stopzetten. Belanghebbende merkt voorts op dat het voor de belastingrente gehanteerde percentage van 4 percent niet in verhouding staat tot de rentepercentages die worden gehanteerd in box 3-heffing. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de berekening van belastingrente is gebaseerd op een wettelijke grondslag en dat een inspecteur geen discretionaire bevoegdheid heeft om een lager rentepercentage aan te houden dat is bepaald op grond van artikel 30hb, AWR. De Inspecteur betoogt dat hij van belanghebbende geen verzoek tot wijziging of stopzetting van de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 heeft ontvangen, ondanks dat op de voorlopige aanslag duidelijk staat vermeld dat een belastingplichtige de aanslag moet controleren en dat bij onjuistheden een verzoek om wijziging van de voorlopige aanslag moet worden ingediend.
5.3.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur terecht in overeenstemming met de wettelijke bepalingen met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde aanslag IB/PVV 2021 bij beschikking belastingrente in rekening heeft gebracht. Niet is gebleken dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend. De omstandigheid dat belanghebbende de Inspecteur in de jaren 2017 en 2018 heeft verzocht de voorlopige teruggave stop te zetten, maakt dit niet anders. Vast staat dat belanghebbende voor het jaar 2021 geen verzoek tot wijziging of stopzetting van de voorlopige teruggave heeft ingediend. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om de voorlopige aanslag van het betreffende belastingjaar te controleren en daar waar nodig aan te passen.
5.4.
Ook het betoog van belanghebbende dat het voor de belastingrente gehanteerde percentage van 4 percent niet in verhouding staat tot de rentepercentages die, onder meer, worden gehanteerd in de box 3-heffing, leidt niet tot een ander oordeel. Met ingang van 1 oktober 2020 bedraagt het percentage op grond van een delegatiebepaling in (het gewijzigde) artikel 30hb AWR een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage. In het op deze delegatiebepaling gebaseerde Besluit belasting- en invorderingsrente is het percentage met ingang van 1 oktober 2020 bepaald op de wettelijke rente voor niet-handelstransacties met een minimumpercentage van 4. Het Hof stelt voorop dat aan de wetgever een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het minimumpercentage van 4 is niet dusdanig hoog dat de wetgever daarmee buiten deze ruime beoordelingsmarge is getreden. Bovendien geldt het minimumpercentage ook bij het vergoeden van belastingrente.
5.4.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof ziet geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door E.P.A. Brakeboer, H.A.J. Kroon en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout E.P.A. Brakeboer
De beslissing is op 30 september 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.