ECLI:NL:GHDHA:2025:2638

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
BK-25/120
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van beroep wegens niet-tijdig beslissen over naheffingsaanslag parkeerbelasting

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, die het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk heeft verklaard. De belanghebbende ontving op 17 augustus 2022 een naheffingsaanslag van de gemeente Rotterdam voor parkeerbelasting, waartegen hij bezwaar maakte. De Heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde de naheffingsaanslag op 25 januari 2023. Echter, de belanghebbende stelde op 3 mei 2023 beroep in wegens niet-tijdig beslissen, wat door de Rechtbank werd afgewezen omdat de uitspraak op bezwaar tijdig was verzonden naar het privéadres van de gemachtigde. In hoger beroep betoogde de belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar niet op de juiste wijze was bekendgemaakt. Het Hof oordeelde dat de verzending naar het privéadres van de gemachtigde voldoende was voor kennisgeving. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank, waarbij het beroep van de belanghebbende als niet-ontvankelijk werd verklaard. De uitspraak werd op 9 december 2025 gedaan, en de belanghebbende kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/120

Uitspraak van 9 december 2025

in het geding tussen:

[X] . te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 16 december 2024, nummer ROT 23/3147.

Procesverloop

1.1.
Met dagtekening 17 augustus 2022 is aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Rotterdam opgelegd van in totaal € 68,30, bestaande uit € 1,80 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing.
1.2.
Met dagtekening 6 september 2022 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.
1.3.
Belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar bij brief van 3 januari 2023 in gebreke gesteld.
1.4.
Met dagtekening 25 januari 2023 heeft de Heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan, het bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.
1.5.
Bij brief van 21 maart 2023 heeft belanghebbende een dwangsomverzoek aan de Heffingsambtenaar verstuurd.
1.6.
Belanghebbende heeft op 3 mei 2023 beroep niet-tijdig beslissen ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 50 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.7.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk aangeduid als verweerschrift ingediend.
1.8.
Het Hof heeft partijen op 11 juni 2025 uitgenodigd voor een mondelinge behandeling van de zaak op 12 augustus 2025. De Heffingsambtenaar heeft op 30 juli 2025 het Hof laten weten dat wat hem betreft een zitting achterwege kan blijven. Het Hof heeft partijen op 1 augustus 2025 bericht eveneens geen aanleiding te zien voor een mondelinge behandeling en daarbij aan de gemachtigde verzocht uiterlijk 5 augustus 2025 het Hof te berichten als hij daartoe wel aanleiding ziet. Omdat de gemachtigde hierop niet heeft gereageerd heeft het Hof partijen op 6 augustus 2025 bericht dat het onderzoek is gesloten en dat het Hof uiterlijk 17 september 2025 uitspraak zal doen.
1.9.
Bij bericht van 2 september 2025 heeft het Hof het onderzoek heropend. Aanleiding voor de heropening is (de ondertekening van) de machtiging van de gemachtigde met dagtekening 13 maart 2025 die aan het Hof is verstrekt. Belanghebbende heeft op 3 september 2025 op de heropening gereageerd. Het Hof heeft partijen bij bericht van 15 september 2025 nader bericht over de aanleiding voor de heropening van het onderzoek.
1.10.
Bij bericht van 22 september 2025 heeft het Hof partijen uitgenodigd voor de zitting van 21 oktober 2025. Daarbij heeft het Hof de gemachtigde opgeroepen om ter zitting te verschijnen voor het verstrekken van nadere inlichtingen. Belanghebbende heeft op 6 oktober 2025 nadere stukken ingediend.
1.11.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 21 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Op verzoek van het Hof heeft de gemachtigde na de zitting op 21 oktober 2025 nog een e-mail van 3 september 2025 aan het dossier toegevoegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Op 4 augustus 2022 om 12:42 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd op de [straat] in [woonplaats] (de parkeerlocatie). De parkeerlocatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen als een plaats waar op die datum en dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting.
2.2.
Tijdens een controle op hiervoor genoemd tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto stond geparkeerd zonder dat parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag opgelegd.
2.3.
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 25 januari 2023 is de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak op bezwaar is als volgt geadresseerd:
“ [belanghebbende]
p/a NGA Voorbach
[postadres]
2.4.
Belanghebbende heeft op 3 mei 2023 beroep niet-tijdig beslissen ingesteld.
2.5.
In beroep heeft de gemachtigde een ondertekende machtiging overgelegd met dagtekening 15 augustus 2022.
2.6.
In hoger beroep is de gemachtigde door het Hof op 12 maart 2025 verzocht een op zijn naam gestelde machtiging in te dienen, die niet ouder is dan 6 maanden gerekend
vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift.
2.7.
De gemachtigde heeft in reactie daarop een ondertekende machtiging overgelegd met dagtekening 13 maart 2025.
2.8.
Op 3 september 2025 heeft de gemachtigde belanghebbende een mail gestuurd met, voor zover van belang, de volgende inhoud:
“Naar aanleiding van uw ingediende naheffingsaanslag uit 2022 wil ik u nogmaals verzoeken of u kunt bevestigen dat u achter de machtiging van u aan ons staat m.b.t. de procedure. Omdat het Gerechtshof vragen stelt omtrent onze volmacht zou ik aan u willen vragen of u kortheidshalve via deze mail kunt bevestigen dat de volmacht van 13 maart '25 met uw toestemming is ingediend, zoals telefonisch met u is besproken. Deze toestemming is nodig zodat wij de naheffingsaanslag verder voor u aan kunnen vechten. Alvast hartelijk dank voor uw reactie!”
2.9.
Belanghebbende heeft daarop op 3 september 2025, voor zover van belang, als volgt gereageerd:
“Hierbij geef ik machtiging/toestemming.”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“2. De rechtbank beoordeelt het beroep niet tijdig beslissen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
Het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de uitspraak op bezwaar tijdig bekend gemaakt?
3. Eiser heeft beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld.
4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij of zij beroep kan instellen, moet de belanghebbende per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn of haar aanvraag of bezwaar (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende gelet op artikel 6:12 van de Awb beroep instellen.
5. De heffingsambtenaar doet op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen.[1]
6. Het bezwaarschrift is op 1 november 2022 door de heffingsambtenaar ontvangen. De termijn om op het bezwaarschrift te beslissen eindigt in dit geval op 31 december 2022. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 11 januari 2023 (gedagtekend 25 januari 2023).
7. Ter beoordeling staat of de uitspraak op bezwaar van 25 januari 2023 tijdig bekend is gemaakt door verzending aan de gemachtigde van eiser. Ten aanzien van diens stelling dat hij de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen, overweegt de rechtbank dat het in beginsel aan de heffingsambtenaar is om aannemelijk te maken dat het stuk op het adres van de gemachtigde van eiser is ontvangen of aangeboden, dan wel dat het stuk hem op een andere manier heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de stukken op dat adres. Dit brengt mee dat de heffingsambtenaar in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres.[2]
8. De heffingsambtenaar heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitspraak op bezwaar (gedagtekend 25 januari 2023) met vorderingsnummer […] op het adres van de gemachtigde van eiser is ontvangen of aangeboden. Deze verzendadministratie is aanvankelijk door verweerder ingediend bij het verweerschrift in de zaak tussen partijen met nummer ROT 23/2607. De verzendadministratie is besproken ter zitting, waarop ook de onderhavige zaak (met nummer ROT 23/3147) is behandeld. Bij brief van 17 september 2024 heeft verweerder deze verzendadministratie, in het kader van de ter zitting gemaakte afspraken, nogmaals toegestuurd. Eiser heeft hierop ook gereageerd. De rechtbank betrekt de verzendadministratie daarom in haar beoordeling.
9. Uit de overgelegde verzendadministratie blijkt dat de uitspraak twee weken voor de dagtekening is aangemaakt en verzonden naar het privéadres van de gemachtigde van eiser ( [postadres] ). De schermprints tonen aan dat de uitspraak op bezwaar in een batch van in totaal 9.032 documenten is geprint met een 2D code, in een envelop is gedaan om 14:44 uur en op 11 januari 2023 door de gemeente aan PostNL is aangeboden. PostNL heeft de gemeente gemeld dat bij deze batch geen uitval heeft plaatsgevonden. Het vorderingsnummer, zoals vermeld op de schermprint van de uitspraak op bezwaar, komt overeen met het nummer op de uitspraak op bezwaar. Hiermee is aannemelijk geworden dat de uitspraak op bezwaar de gemachtigde van eiser heeft bereikt. Dat de uitspraak aan het privéadres van de gemachtigde is verzonden maakt op zichzelf niet dat aannemelijk is dat hij de gemachtigde niet zou hebben bereikt.
10. De gemachtigde heeft de verzendadministratie op zichzelf niet betwist. De enkele stelling dat de ontvangst wordt betwist is onvoldoende om het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen.
11. Nu aannemelijk is dat de uitspraak op bezwaar tijdig is gedaan en op 11 januari 2023 per post is verzonden, zijn de ingebrekestelling, het verzoek om een dwangsom en het ingestelde beroep niet tijdig beslissen van eiser niet meer aan de orde. Het is namelijk niet mogelijk om een ingebrekestelling in te dienen nadat uitspraak op bezwaar is gedaan en vervolgens beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen.[3] Voor het toekennen van een dwangsom bestaat geen reden, nu de uitspraak op bezwaar binnen de daarvoor gestelde termijn is gedaan. De stelling dat de uitspraak op bezwaar op onjuiste wijze bekend is gemaakt vanwege de verzending naar het privéadres van de gemachtigde, ziet op de procedurele belangen van eiser en is niet redengevend in het kader van een beroep niet-tijdig beslissen; als vast staat dat het besluit tijdig bekend is gemaakt, heeft het in artikel 4:17 Awb vervatte rechtsmiddel in zoverre het door de wetgever bedoelde effect gesorteerd.[4] Gelet hierop is het ingestelde beroep niet-ontvankelijk. Omdat uitspraak op bezwaar is gedaan voordat beroep is ingesteld, is van een “alsnog genomen besluit” in de zin van het derde lid van artikel 6:20 van de Awb geen sprake en is dus een beoordeling van de uitspraak op bezwaar aan de hand van het beroep wegens niet tijdig beslissen niet aan de orde.[5] Voor een dergelijke conversie van het ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen naar een reëel beroep is geen aanleiding, omdat eiser pas na afloop van de beroepstermijn beroep heeft ingesteld.[6]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Hierdoor bestaat geen aanleiding voor de door eiser verzochte vergoeding van wettelijke rente.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
(…)
[1] Artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet.
[2] HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416,
BNB2007, 112.
[3] CRvB 19 maart 2019, ECL1:NL:CRVB:2019:924.
[4] Rechtbank Rotterdam 14 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:5414.
[5] CRvB 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:877.
[6] Rechtbank Rotterdam 19 december 2023, ECLLNL:RBROT:2023:11902.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of het beroep niet-tijdig beslissen ontvankelijk is. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot ontvankelijk verklaring van zijn beroep, tot vergoeding van het griffierecht en tot vergoeding van de proceskosten. Indien laatstgenoemde bedragen niet binnen vier weken na de uitspraak zijn betaald, dient door de Heffingsambtenaar daarover wettelijke rente te worden vergoed.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Vooraf
5.1.
De gedingstukken bevatten een machtiging met dagtekening 15 augustus 2022. Het Hof heeft bij bericht van 12 maart 2025 de gemachtigde per abuis, dat wil zeggen zonder bijzondere aanleiding, gevraagd een op zijn naam gestelde machtiging te verstrekken, die niet ouder is dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. De gemachtigde heeft in reactie daarop een machtiging verstrekt met dagtekening 13 maart 2025.
5.2.
Omdat de machtiging per ommegaande aan het Hof is verstrekt en een handtekening bevat die volstrekt lijkt overeen te komen met die op de machtiging van 15 augustus 2022 heeft het Hof aanleiding gezien de gemachtigde op te roepen ter zitting te verschijnen om nadere inlichtingen te verstrekken over de totstandkoming van de machtiging van 13 maart 2025 en de daarop geplaatste handtekening.
5.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat naar aanleiding van het verzoek van het Hof om een recente machtiging contact is opgenomen met belanghebbende. Voorts heeft de gemachtigde verklaard dat alleen de datum op de machtiging in de computer is gewijzigd en de aldus ontstane recente machtiging aan het Hof is verstrekt. Dat de handtekening op de machtiging volstrekt overeenkomt met de handtekening op de machtiging van 15 augustus 2022 is dus juist. Er is geen nieuwe handtekening geplaatst, alleen de datering van de oorspronkelijke machtiging van 15 augustus 2022 is gewijzigd. Volgens de gemachtigde is de werkwijze inmiddels zodanig aangepast dat een belanghebbende op een ‘nieuwe’ machtiging een ‘nieuwe’ digitale handtekening kan plaatsen.
5.4.
Niet kan worden vastgesteld of met belanghebbende op 12 of 13 maart 2025 contact is opgenomen voorafgaand aan het verstrekken van de ‘machtiging’ van 13 maart 2025, zoals belanghebbende betoogt, of pas naar aanleiding van de heropening van het onderzoek door het Hof bij bericht van 2 september 2025. Echter vast staat dat belanghebbende op 3 september 2025 (alsnog) met de indiening van het hoger beroep door [A B.V.] , vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft ingestemd. Daarom is het hoger beroep ontvankelijk.
Uitspraak op bezwaar
5.5
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de Rechtbank zijn beroep niet-tijdig beslissen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende stelt dat hij de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen. Verder voert belanghebbende aan dat de uitspraak op bezwaar niet op de juiste wijze is bekendgemaakt als bedoeld in de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de Heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar heeft verzonden naar het privéadres van de gemachtigde van belanghebbende.
5.6.
Het Hof acht om dezelfde redenen als de Rechtbank (r.o. 9) aannemelijk dat de uitspraak op bezwaar op 11 januari 2023 per post is verzonden naar het privéadres van de gemachtigde van belanghebbende.
5.7.
De verzending van een stuk per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres, aangezien per post verzonden stukken in de regel op dat adres worden bezorgd. Het ligt daarom op de weg van de belanghebbende die de ontvangst van een door de Belastingdienst verzonden stuk ontkent, om dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet op dat adres is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst of de aanbieding van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de belanghebbende daarin, dan zal de inspecteur nader bewijs moeten leveren ten aanzien van die ontvangst of die aanbieding (vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, BNB 2019/142).
5.8.
Gelet op hetgeen is overwogen in 5.6 is het vermoeden gerechtvaardigd dat de uitspraak op bezwaar is ontvangen op het privéadres van de gemachtigde van belanghebbende. De gemachtigde heeft daartegen aangevoerd dat zijn jongste dochter een voorliefde heeft voor groene enveloppen om deze te verscheuren. Dat acht het Hof onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat de ontvangst van de uitspraak op bezwaar op zijn privéadres kan worden betwijfeld.
5.9.
Nu het vermoeden is gerechtvaardigd dat de uitspraak op bezwaar is ontvangen door de gemachtigde op zijn privéadres heeft hij daarvan ook kennis kunnen nemen. Hoewel de uitspraak op bezwaar strikt genomen niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, omdat deze naar het privéadres van de gemachtigde is verzonden in plaats van naar zijn kantooradres, is naar het oordeel van het Hof wel aan de strekking van de regels over bekendmaking van besluiten voldaan. De gemachtigde van belanghebbende heeft immers de uitspraak op bezwaar ontvangen op zijn privéadres en kan daarom geacht worden bekend te zijn geraakt met (de inhoud van) de uitspraak op bezwaar (vgl. HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:966, naar aanleiding van Hof Den Haag 22 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1156).
5.10.
Het Hof is daarom van oordeel dat de Rechtbank het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Slotsom
5.11.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, M.J.M. van der Weijden en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout T.A. de Hek
De beslissing is op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.