Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
2 Fastned B.V.,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding in spoedappel van 14 mei 2025, met grieven en bijlagen, waarmee Shell in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 16 april 2025;
- de memorie van antwoord van de Staat , met bijlagen;
- de memorie van antwoord van Fastned , met bijlagen;
- de (op voorhand ingediende) akte houdende overlegging producties, met bijlagen, die Shell ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
first come first serve’) [4] .
4.Procedure bij de voorzieningenrechter
5.Vorderingen in hoger beroep
grief 1). Zij voert daartoe aan dat het mededingingsbelang van derden, zoals Shell , niet of hooguit zeer indirect aan de orde is in de bestuursrechtelijke procedure rond de Wbr-vergunning en dat toetsing aan het in de Didam-arresten uitgewerkte gelijkheidsbeginsel dus in het kader van de huurovereenkomst zal moeten plaatsvinden. Voorts is volgens Shell het door de Staat gehanteerde toetsingscriterium dat voor het verkrijgen van de huurovereenkomst moet worden beschikt over een Wbr-vergunning niet een objectief, toetsbaar en redelijk criterium zoals in de Didam-arresten bedoeld (
grief 2). Zij betoogt dat dit criterium subjectief uitwerkt omdat daarmee
de factoalleen de belangen worden gediend van degene die als eerste een Wbr-vergunning heeft aangevraagd. In de visie van Shell missen andere gegadigden, vanwege het bij die vergunning gehanteerde
first come first serve-principe, een gelijke kans op het te huren perceel. Shell wijst in dit verband ook op het beleidskompasformulier bij het wetsvoorstel voor de ‘Wet marktordening voorzieningen verzorgingsplaatsen’, waaruit volgens haar volgt dat ook de Staat vindt dat het huidige stelsel voor vergunningverlening niet toereikend is om vergunningen voor shops te verdelen op een manier die potentiële gegadigden gelijkwaardige kansen biedt.
6.Beoordeling in hoger beroep
Spoedeisendheid
de factode deuren sluit voor andere gegadigden die een gelijke kans op deze huurovereenkomst willen maken.
first come first serve-principe buiten de boot zouden vallen. Dit toetsingscriterium heeft in de visie van Shell daarom een subjectieve uitwerking, nu het
de factoalleen de belangen dient van degene die als eerste een Wbr-vergunning heeft ingediend.
.
7.Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 16 april 2025;
- veroordeelt Shell in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat en Fastned ieder begroot op € 3.433,-, in beide gevallen vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Shell deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als Shell niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Shell de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Shell deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.