Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag bpm van €4.064, gebaseerd op een hogere CO2-uitstoot van zijn Alfa Romeo Stelvio 2.0 T AWD Super dan die van referentievoertuigen. Hij stelde dat de lagere NEDC1-uitstoot van referentievoertuigen toegepast moest worden, omdat de verschillen in CO2-uitstoot enkel voortkwamen uit verschillende meetmethoden (NEDC1 versus WLTP/NEDC2).
De Rechtbank wees het beroep af omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zijn auto en de referentievoertuigen gelijksoortig waren op de essentiële punten genoemd in bijlage II, deel B, van Richtlijn 2007/46/EG. De verschillen in EG-typegoedkeuring en technische kenmerken waren te groot. Ook het beroep op het Europese doeltreffendheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel faalden.
In hoger beroep bevestigde het Hof deze beoordeling. Het oordeelde dat gelijksoortigheid vereist dat voertuigen dezelfde EG-typegoedkeuring hebben en identiek zijn op essentiële punten. Belanghebbende slaagde er niet in dit te bewijzen. Het Hof zag geen aanleiding tot aanhouding en wees het beroep af. Proceskosten werden niet toegewezen.