Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
11. Eiser stelt voorts dat de WLTP/NEDC2-methode leidt tot een hogere geregistreerde CO2-uitstoot dan de NEDC1-methode, hetgeen leidt tot een hogere heffing van bpm. Dit is volgens eiser in strijd met artikel 110 van het VWEU.
12. Eiser heeft in dat kader gewezen op onderzoek door JATO, Bovag, KPMG en zijn eigen kantoor (de onderzoeken) waaruit volgens hem volgt dat de uitstoot volgens de WLTP/NEDC2-methode hoger ligt dan de CO2-uitstoot van vergelijkbare voertuigen die zijn getest volgens de NEDC1-methode. Met de enkele verwijzing naar de onderzoeken heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in onderhavig geval teveel bpm is voldaan. De conclusies van dergelijke algemene en brede onderzoeken kunnen niet rechtstreeks worden toegepast op de hier in geding zijnde auto. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in de aangifte is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot. De rechtbank ziet op basis van voornoemde onderzoeken dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangifte is vermeld.
13. Hoewel de transitieregeling op zichzelf niet een op grond van artikel 110 van het VWEU verboden onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse personenauto’s, kan onder omstandigheden toch sprake zijn van een schending van die bepaling. Het kan immers zo zijn dat de CO2-uitstoot van een buitenlandse personenauto en een gelijksoortige binnenlandse personenauto die is geregistreerd in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 vanwege de restantvoorraadregeling volgens verschillende methoden wordt respectievelijk is vastgesteld en dat daardoor voor de buitenlandse personenauto een hoger bedrag aan bpm wordt geheven dan is geheven voor de binnenlandse personenauto.[3]
14. De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 van het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd. Personenauto’s gelden als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn.[4]
15. Vaststaat dat de auto op 28 december 2018 voor het eerst is toegelaten op de weg.
Eiser heeft zijn standpunt dat sprake is van gelijksoortige binnenlandse voertuigen die op essentiële punten identiek zijn maar een lagere CO2-uitstoot hebben, die enkel wordt veroorzaakt door een andere meetmethode, onderbouwd met referentievoertuigen. Vaststaat dat deze referentievoertuigen een datum eerste toelating hebben die is gelegen tussen 1 september 2018 en 1 september 2019. Verweerder heeft echter gemotiveerd betwist dat sprake is van gelijksoortige voertuigen, omdat onder andere de typegoedkeuringen van elkaar verschillen. Het is dan aan eiser, die de bewijslast heeft, om aannemelijk te maken dat desalniettemin sprake is van gelijksoortige voertuigen. Daarin is eiser niet geslaagd.
16. Vaststaat dat de typegoedkeuringen van de referentieauto’s verschillen van de typegoedkeuring van de auto. Tussen de beide typegoedkeuringen zitten zeven volgnummers. Eiser stelt wel dat dit kan komen door kleine wijzigingen die niets met de CO2-uitstoot te maken hebben, maar dat dient eiser dan met bewijs te onderbouwen.[5] Dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank is overigens van oordeel dat de voorbeelden van “kleine wijzigingen” die eiser ter zitting heeft genoemd, zoals de mate waarin wielen uitsteken en de grootte van de buitenspiegels, zijn stelling juist niet onderbouwen, omdat niet is uitgesloten dat zulke wijzigingen in meer dan verwaarloosbare mate de luchtweerstand van een auto en daarmee ook de CO2-uitstoot ervan beïnvloeden.
17. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijksoortige auto’s faalt zijn beroep op artikel 110 van het VWEU. De rechtbank merkt hierbij nog op dat zij in hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen aanleiding heeft gezien tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
18. Eiser stelt voorts dat hij recht heeft op een teruggaaf van bpm op grond van het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de Staatssecretaris van Financiën heeft gesteld dat de nieuwe meetmethode niet mag leiden tot een hogere belastingdruk.[6] De uitlatingen van de Staatssecretaris waarop eiser zich beroept, heeft de Staatssecretaris echter gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever. Eiser kan aan die uitlatingen dan ook geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.[7]
19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
20. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 1 februari 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 17 december 2024 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, elf maanden. Eiser heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Hierbij zij nog opgemerkt dat in deze zaak het overgangsrecht zoals geformuleerd in het arrest van 14 juni 2024[8] van toepassing is.
21. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[9] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en wegingsfactor van 0,25).
22. Eiser heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[10] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest ook al overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te laten vergoeden.
(…)
[6] Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1401, p. 2; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 46, p. 1; Kamerstukken II 2016/17, 34 553, nr. 5, p. 5; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 48, p. 42; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 56, p. 45.