III. Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.
Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de (mede)verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict (zie ECLI:NL:HR:2014:3474, r.o. 3.2.2.). Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat voor beide feiten sprake is van medeplegen. Volgens de advocaat-generaal is — naar de uiterlijke verschijningsvorm — van een nauwe en bewuste samenwerking sprake geweest.
De verdachte heeft verklaard bij het doden en wegmaken van het lijk alleen gehandeld te hebben. De medeverdachten hebben verschillende verklaringen over hun betrokkenheid bij het tenlastegelegde afgelegd. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben – kort gezegd – verklaard dat de verdachte had gezegd dat het om een afpersing zou gaan. De verdachte had hun gevraagd mee te gaan naar de woning in Rotterdam om op het slachtoffer te passen op het moment dat de verdachte het te verkrijgen geld zou gaan halen. Zij hebben beiden verklaard wel in de woning geweest te zijn, maar boven hebben moeten wachten. Toen ze beneden kwamen was het slachtoffer dood. De verdachte heeft het lichaam aan stukken gesneden en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben meegeholpen met het schoonmaken van de woning. De medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat de verdachte hem had gevraagd te doen of hij in de woning in Rotterdam woonde, en dat de verdachte het wilde doen voorkomen dat daar een hennepkwekerij zou worden opgezet. Hij was in de woning in Rotterdam ten tijde van het tenlastegelegde, heeft deels gezien wat de verdachte het slachtoffer aandeed, maar heeft zelf niet méér gedaan dan meehelpen met schoonmaken. De medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij de verdachte een aantal maal heeft vervoerd naar de woning in Rotterdam, en dat hij de verdachte op 28 juli 2021 in Zwijndrecht heeft afgezet. Hij is een dag later met de verdachte naar Decathlon in Rotterdam gereden waar deze koffers kocht. Hij stelt niet te hebben geweten wat er in de woning in Rotterdam zou gaan gebeuren, noch dat hij een dag later wist wat er inmiddels was gebeurd.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er op onderdelen aardig wat af te dingen is op de geloofwaardigheid van de verklaringen van de medeverdachten, gelet op het late stadium in de procedure waarin die verklaringen zijn afgelegd en de tegenstrijdigheid met eerder afgelegde verklaringen. Wat daarvan echter ook zij, daarmee is nog niet het bewijs geleverd van hun wetenschap van wat er zou gaan gebeuren in de woning, noch van hun aandeel in hetgeen daar is voorgevallen.
Over de wetenschap van de medeverdachten geldt dat niet zonder meer als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven dat de verdachte de medeverdachten niet van zijn plannen om het slachtoffer om het leven te brengen en het lijk weg te maken op de hoogte heeft gesteld. Zeer wel mogelijk is bijvoorbeeld dat de verdachte de medeverdachten wél heeft verteld dat hij het slachtoffer wilde afpersen, maar niet dat hij het slachtoffer wilde doden, omdat zij naar zijn inschatting wel bereid zouden zijn mee te helpen met het ene, maar niet met het andere. Voor wat betreft de bijdrage van de medeverdachten geldt bovendien dat aan de hand van het dossier niet valt vast te stellen wat de medeverdachten, die in woning aanwezig waren, daar – behoudens achteraf schoonmaken – hebben gedaan.
Meer in het bijzonder valt uit het forensisch onderzoek niet noodzakelijkerwijs de conclusie te trekken dat het slachtoffer daar door meer dan één persoon om het leven moet zijn gebracht. De stelling van de advocaat-generaal dat voor het knevelen van het slachtoffer meerdere personen nodig waren volgt het hof niet, nu het slachtoffer door de verdachte met een alarmpistool werd bedreigd, daarmee op het hoofd werd geslagen en op de grond moest gaan liggen. Onder die omstandigheden kan de verdachte wel degelijk alleen handboeien bij het slachtoffer hebben aangelegd. Het gebruik van verschillende messen leidt voorts niet tot de conclusie dat deze door verschillende personen moeten zijn gehanteerd.
Voor zover het resultaat van het sporenonderzoek belastende gegevens ten aanzien van de medeverdachten heeft opgeleverd, zoals matchende DNA-sporen en vingerafdrukken, geldt dat dit beeld verenigbaar is met een scenario waarin hun bijdrage niet méér is geweest dan het schoonmaken achteraf. Ook de omstandigheid dat DNA van het slachtoffer aan de binnenkant van kleding van de medeverdachten is aangetroffen is niet redengevend voor hun betrokkenheid als medepleger, als wordt bedacht dat die kleding samen met andere spullen die onder het bloed van het slachtoffer zaten in een vuilniszak of koffer is aangetroffen met het risico van secundaire sporenoverdracht van dien.
De verklaring van de bedreigde getuige kan evenmin bijdragen aan de conclusie dat het slachtoffer door meer dan één persoon om het leven moet zijn gebracht. Het hof overweegt in dit verband dat de getuige over wat zich in de woning zou hebben afgespeeld slechts in algemene zin heeft verklaard, terwijl de getuige zijn/haar informatie naar eigen zeggen heeft gekregen van iemand die het ook weer van iemand anders gehoord heeft. De dubbele
de audituverklaring heeft te weinig bewijswaarde om tot enig (steun)bewijs te dienen.
Ten slotte is er geen bewijs voorhanden dat de medeverdachten op de hoogte waren van de inhoud van de rode en de blauwe koffer.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof dat noch uit het sporenonderzoek noch uit het politieonderzoek naar voren komt dat de medeverdachten enige bemoeienis hebben gehad met het in het stukken zagen en het later wegvoeren van het lijk van het slachtoffer. Wel staat vast dat de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] de woning in Rotterdam hebben schoongemaakt, nadat het slachtoffer daar om het leven was gebracht. Het hof is van oordeel dat dit schoonmaken niet een voldoende wezenlijke bijdrage oplevert voor het medeplegen zoals hierboven bedoeld. Weliswaar kan het schoonmaken van de sporen van een misdrijf eraan bijdragen dat de dader van dat misdrijf straffeloos blijft, maar het draagt niet bij aan het wegvoeren en het wegmaken van het lijk als zodanig. Het zich niet distantiëren op de plaats-delict is voor de voor medeplegen vereiste bijdrage ontoereikend.
Voor de medeverdachte [medeverdachte 3] geldt ten slotte dat er geen bewijs voorhanden is dat de verdachte hem op de hoogte had gesteld van het plan het slachtoffer om het leven te brengen. Het optreden als chauffeur voor de verdachte en/of medeverdachten in de dagen tussen 26 juli 2021 en 30 juli 2021, alsmede het vervoeren van de rode en de blauwe koffer naar de woning in Rotterdam levert geen medeplegen van moord of wegmaken van een lijk op.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks28 juli 2021 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen,opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een of meer messen,
althans een of meer scherpe en puntige voorwerpenin het lichaam te steken
en/of te prikken en/of te snijden;
2.
hij in
of omstreeksde periode van 28 juli 2021 tot en met 3 augustus 2021 te Rotterdam
en/of Zwijndrechten/of Dordrecht,
althans in Nederland, tezamen en in verenging met een ander of anderen,opzettelijk het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en
/ofweggevoerd en
/ofweggemaakt, zulks met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde levert op:
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
een lijk verbergen en wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van de op te leggen straf en maatregel
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op de 29-jarige [slachtoffer] en het wegmaken van zijn lijk. De verdachte hield het slachtoffer verantwoordelijk voor een steekincident waarbij de jongere broer van de verdachte betrokken was geweest en dat tot gevolg had gehad dat de verdachte inkomsten misliep van de handel in hennep die hij samen met zijn broer dreef. In de weken voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten heeft de verdachte diverse voorwerpen aangeschaft die hij bij die feiten zou gaan gebruiken. Ook heeft hij via-via geregeld dat hij de beschikking had over een woning. De verdachte heeft vervolgens onder valse voorwendselen een afspraak gemaakt met het slachtoffer en is met hem naar die woning gereden. Daar heeft de verdachte het slachtoffer bedreigd met een alarmpistool en hem daarmee op het hoofd geslagen. Hij heeft het slachtoffer gedwongen op de grond te gaan liggen en hem gekneveld. Hij heeft fors geweld uitgeoefend op het – inmiddels weerloze – slachtoffer. Naar het hof aanneemt heeft de verdachte geprobeerd het slachtoffer af te persen. Uiteindelijk heeft de verdachte het slachtoffer negentien keer gestoken, waaronder acht keer in zijn romp, wat hem fataal is geworden. Na de dood van het slachtoffer heeft de verdachte zijn lichaam in elf stukken gezaagd, in plastic strijkzakken verpakt, in twee koffers gestopt, weggevoerd uit de woning en weggemaakt door voornoemde koffers te plaatsen in een auto in Dordrecht.
Aldus handelend heeft de verdachte het slachtoffer zijn kostbaarste bezit, namelijk zijn leven, ontnomen. Het handelen van de verdachte is van een brute nietsontziendheid geweest en getuigt van een volkomen respectloosheid voor het menselijk leven. De laatste momenten van het slachtoffer moeten afgrijselijk zijn geweest. Hij heeft fysiek geleden en moet doodsangsten hebben uitgestaan.
Door zijn handelen heeft de verdachte ook de nabestaanden van het slachtoffer een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Zij moeten leven met het gemis van hun partner, vader, (stief)zoon, (half)broer en zwager en met de wetenschap hoe hij aan zijn einde is gekomen. Hun leed is verergerd door de volstrekt respectloze wijze waarop de verdachte met het lichaam van het slachtoffer is omgegaan.
In het algemeen geldt dat levensdelicten, zeker wanneer die van een gruwelijkheid zijn als in deze zaak het geval is, de samenleving doen schokken en bij degenen die daarvan kennis krijgen gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengen. Ook in deze zaak is dat het geval geweest.
Uit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. De bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan zijn zodanig ernstig, dat deze in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren rechtvaardigen. Daarbij weegt het hof zwaar mee dat de verdachte vanuit een vooropgezet plan heeft gehandeld en dodelijk geweld heeft toegepast tegen een weerloos slachtoffer.
Vervolgens dient te worden nagegaan of de persoon van de verdachte of zijn persoonlijke omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, zij het van mindere ernst dan de thans bewezenverklaarde feiten.
Het hof heeft kennisgenomen van de omtrent de verdachte uitgebrachte pro-Justitiarapportage, opgesteld door H.T.J. Boerboom, psychiater, en R.J.A. van Helvoirt, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 6 april 2022. Ook heeft het hof kennisgenomen van de door dezelfde rapporteurs opgestelde aanvullende rapportage d.d. 12 november 2025. Uit deze rapportages komt – voor zover in het kader van de straftoemeting van belang – het volgende naar voren.
Bij de verdachte is sprake van ADD en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Vanuit deze stoornissen bestaat bij de verdachte een gevoel van chronische miskenning die bij herhaling leidt tot krenking en het uitageren van narcistische woede. Hij moet voor zichzelf bewijzen dat hij niet overlopen wordt en hij moet gelijkwaardigheid voelen. Hij verdraagt het niet (vermeend) gekleineerd te worden. Er is sprake van insufficiëntiegevoelens en de verdachte reageert op gedevalueerd worden. De woede die veroorzaakt wordt door krenking kan de verdachte niet anderszins laten afvloeien dan door zijn gram te halen. Hij moet de woede uitleven om de emotionele status quo te herstellen, wat bij hem leidt tot opluchting en (het idee) dat hij onrecht heeft rechtgezet. Hij is in staat het uitageren van zijn woede en daarmee het rechtzetten van het (vermeende) onrecht uit te stellen en heeft daarmee een relatief goede impuls- en agressieregulatie. Echter is door zijn leven heen gebleken dat (vermeend) onrecht, het gevoel van krenking en daarmee de woede daarover bij herhaling leidt tot een stuwing van die woede. Op een gegeven moment komt het bij de verdachte tot een agressieve ontlading. Op dat moment ervaart hij opluchting en heeft hij weer macht en controle over de situatie en/of andere persoon. Daar doorheen speelt zijn antisociale coping en kan hij ook functionele afwegingen maken, waardoor het lijkt dat zijn agressie functioneel ingezet wordt. Daartoe is hij in staat, maar in het verleden zijn er ook voorbeelden geweest van acuut uitageren van opgekropte woede en dat de verdachte agressie kan uitstellen. Er is dan dezelfde, maar uitgestelde, dynamiek van ontlading van woede.
De rapporteurs schetsen verschillende delictscenario’s met daarbij verschillende mate van doorwerking van de psychopathologie in het onder 1 tenlastegelegde (indien bewezen). Er zou sprake kunnen zijn geweest van verdediging bij een antisociaal scenario, te weten gederfde inkomsten ‘innen’, maar ook een doelgericht, opportunistisch, antisociaal scenario om af te rekenen met het slachtoffer. Bij dit laatste zou er sprake zijn van geen doorwerking van psychopathologie, als in geen vermindering van de toerekenbaarheid. Andere mogelijkheden zijn dat de verdachte zich door het slachtoffer vernederd heeft gevoeld, waarna hij gekomen is tot (uitgestelde) woede, of dat er kort voor het tenlastegelegde sprake is geweest van een acute krenking, waarop de verdachte zijn woede daarover heeft uitgeageerd. In deze scenario’s, ook bij de uitgestelde vorm, zou er sprake zijn van de beschreven dynamiek van narcistische woede en het uitageren daarvan. Dan kan gesproken worden van een doorwerking van de psychopathologie in het onder 1 tenlastegelegde en wordt geadviseerd de verdachte dat feit in een verminderde mate toe te rekenen. Het onder 2 tenlastegelegde (indien bewezen) heeft als doel gehad het stoffelijk overschot van het slachtoffer te laten verdwijnen om zich te behoeden voor de consequenties van het onder 1 tenlastegelegde. Dit blijkt in alle bovenstaande situaties hetzelfde doel te hebben gediend en geadviseerd wordt dan ook dit de verdachte toe te rekenen.
Het hof is van oordeel dat bovengenoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De conclusies van de rapporteurs met betrekking tot de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Het hof neemt die conclusies dan ook over en maakt die tot de zijne, met dien verstande dat het hof het onder 2 bewezenverklaarde feit volledig aan de verdachte toerekent en het onder 1 bewezenverklaarde feit in een verminderde mate om de volgende reden. Het hof acht aannemelijk dat het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte niet (uitsluitend) is ingegeven vanuit een doelgericht, antisociaal scenario om af te rekenen met het slachtoffer, maar dat bij de verdachte (ook) sprake is geweest van het uitageren van de vorenomschreven (uitgestelde) narcistische woede die werd veroorzaakt door een gevoel van vernedering. De verdachte hield het slachtoffer immers verantwoordelijk voor het neersteken van de jongere broer van de verdachte, waardoor de verdachte inkomsten was misgelopen. De verdachte heeft hierover tegenover de rapporteurs verklaard dat dit bij hem een gevoel van onmacht gaf en dat dit ‘een soort onrecht was’. Het hof acht aannemelijk dat dit bij de verdachte als gevolg van zijn stoornissen heeft geleid tot woede, die hij uiteindelijk op een zeer gewelddadige wijze heeft uitgeleefd teneinde het door hem ervaren onrecht recht te zetten
.
De verminderde toerekening heeft een matigende werking op de op te leggen straf, in die zin dat het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren in beginsel passend en geboden acht.
Het hof stelt echter vast dat de berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
In eerste aanleg is de redelijke termijn aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 29 juli 2021. De verdachte heeft in eerste aanleg meer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht, waardoor de redelijke termijn in eerste aanleg zestien maanden bedroeg. Dat betekent dat de rechtbank uiterlijk op 21 november 2022 vonnis had moeten wijzen. Aangezien de rechtbank vonnis heeft gewezen op 9 oktober 2023, is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden met bijna een jaar.
In hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen met het instellen van het rechtsmiddel op 13 oktober 2023. De verdachte heeft in hoger beroep meer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht, waardoor de redelijke termijn in hoger beroep eveneens zestien maanden bedraagt. Dat betekent dat het hof uiterlijk op 4 februari 2025 arrest had moeten wijzen. Aangezien het hof arrest wijst op 23 december 2025, is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met bijna elf maanden.
Het hof is van oordeel dat deze overschrijdingen moeten leiden tot matiging van de hierna op te leggen gevangenisstraf. Per procesfase zal het hof de op te leggen straf matigen met drie maanden.
Dat betekent dat het hof – alles afwegende – aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 19 jaren en zes maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.
Uit voormelde pro-Justitiarapportage en de aanvullende rapportage blijkt dat de kans op herhaling door de rapporteurs wordt ingeschat als hoog. Een belangrijke rol daarbij speelt de onderliggende narcistische en antisociale tekortschietende coping/afweer van de verdachte. Deze dynamiek heeft bij herhaling geleid tot geweld en de verdachte heeft er geen inzicht in. Dit maakt dat zonder behandeling geen verandering zal komen in deze onderliggende dynamiek. Gezien de ernst van het tenlastegelegde, de ernstige en complexe psychopathologie en de kans op recidive is een behandeling als voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel onvoldoende. Terbeschikkingstelling (hierna: tbs) is volgens de rapporteurs het aangewezen juridische kader. Aangezien de verdachte geen inzicht heeft in de onderliggende oorzaken/dynamiek, hij intramuraal ook kan komen tot agressief gedrag waarmee een hoog beveiligingsniveau geïndiceerd is, kan hij bij een bewezenverklaring en bij aannemelijk geachte doorwerking van de psychopathologie in het tenlastegelegde alleen behandeld worden in het kader van tbs met verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). De naar inschatting langdurige behandeling is complex en vergt expertise. Behandeling dient gericht te zijn op de ADD, in de zin van psycho-educatie, medicatie, training, maar ook onderwijs met steun van medicatie. Verder dient de behandeling te worden gericht op de persoonlijkheidsproblematiek, zelfbeeld, coping en autonomie, maar ook op het verder verduidelijken van het delictscenario.
Het hof stelt vast dat met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde is voldaan aan het wettelijke vereiste voor het opleggen van tbs dat het begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tijdens het begaan van dat feit bestond bij de verdachte gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Het hof is voorts van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor dwangverpleging. Daartoe is redengevend dat het onder 1 bewezenverklaarde feit buitengewoon ernstig is, dat het recidiverisico blijkens voormelde rapportages hoog is en dat de complexe problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt intensieve en langdurige behandeling vereist, die niet mogelijk is in een ander kader dan tbs met dwangverpleging.
Namens en door de verdachte is erop gewezen dat hij – kort gezegd – zich in detentie goed gedraagt zonder dat sprake is van enig incident, en dat daarom oplegging van de maatregel niet noodzakelijk zou zijn. Het hof ziet hierin geen reden de problematiek van de verdachte anders te beoordelen of af te zien van oplegging van de maatregel. Immers, zoals de deskundigen rapporteren, kan de verdachte woede die veroorzaakt wordt door krenking uitstellen en heeft hij daarmee een relatief goede impuls- en agressieregulatie. Echter na stuwing komt het tot een uitgestelde ontlading van woede. Het door de verdediging geschetste beeld van de verdachte in detentie laat zich dan ook verenigen met de voorgaande conclusies.
Het hof zal de maatregel tbs met dwangverpleging opleggen. Die maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven kan gaan.
Combinatie langdurige gevangenisstraf en tbs
De verdediging heeft – samengevat – betoogd dat als het hof zou komen tot oplegging van tbs met dwangverpleging, de daarnaast op te leggen gevangenisstraf in duur aanzienlijk bekort zou moeten worden. Als de verdachte pas na een langdurige gevangenisstraf aan zijn behandeling kan beginnen, heeft dat negatieve gevolgen voor de effectiviteit van die behandeling en daarmee het indammen van het recidiverisico. Ook wordt de combinatie van tbs met een langdurige gevangenisstraf ervaren als extra bestraffend, aldus de verdediging.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Een belangrijke wettelijke onderverdeling van sancties is die in straffen enerzijds en maatregelen anderzijds. Gevangenisstraf is – vanzelfsprekend – een straf. Die straf kan verschillende doelen dienen, zoals vergelding, normstelling en voorkoming van recidive. Op welk van die doelen de nadruk wordt gelegd, kan van zaak tot zaak verschillen. Tbs met dwangverpleging is daarentegen geen straf, maar een maatregel. Door de daarbij behorende vrijheidsbeneming heeft tbs met dwangverpleging ontegenzeglijk mede een punitief karakter voor de veroordeelde, maar dat doet er niet aan af dat tbs met dwangverpleging in de eerste plaats een maatregel is die ertoe strekt de maatschappij te beschermen. Die bescherming vindt deels plaats door vrijheidsbeneming (een recidivegevaarlijk geacht persoon wordt van de maatschappij weggehouden) en deels door behandeling (de behandeling vermindert het recidiverisico, niet zelden tot een zodanig niveau dat invrijheidstelling verantwoord is).
In deze zaak komt het hof tot oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur ter zake van buitengewoon ernstige strafbare feiten, die bij de nabestaanden onpeilbaar leed hebben teweeggebracht en de samenleving hebben geschokt. Het hof is van oordeel dat met de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf het strafdoel van vergelding in het bijzonder moet worden gediend. Aan dat strafdoel zou onvoldoende recht worden gedaan als de gevangenisstraf in duur zou worden verkort.
Dat betekent echter niet dat het hof het belang van de verdachte bij een geslaagde tbs-behandeling, alsmede andere belangen van de verdachte, uit het oog heeft verloren. Het hof heeft die belangen wel degelijk meegewogen bij de te nemen beslissing met betrekking tot de op te leggen straf, maar die afweging leidt er niet toe dat een korter durende gevangenisstraf tot de mogelijkheden behoort. Daarvoor zijn de door de verdachte gepleegde feiten simpelweg te ernstig. Ook is het nadeel dat de verdachte eventueel zou ondervinden van een relatief laat beginnende tbs-behandeling te gering om tot oplegging van een korter durende gevangenisstraf te beslissen. Dat nadeel is door de verdediging bovendien slechts in algemene zin geschetst, terwijl de in deze zaak uitgebrachte rapportages niets inhouden over een speciale noodzaak om in het geval van de verdachte vroegtijdig met zijn behandeling te beginnen.
Vorderingen tot schadevergoeding
In dit strafproces hebben elf personen, allen nabestaanden van het slachtoffer, zich als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd en een vordering ingediend die strekt tot vergoeding van door hen geleden schade. Alle benadeelde partijen hebben hun vordering, voor zover deze niet was toegewezen door de rechtbank, gehandhaafd in hoger beroep. Schematisch weergegeven gaat het om de volgende personen en vorderingen:
Benadeelde
Relatie tot slachtoffer
Schadepost
Gevorderd bedrag
[benadeelde 1]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 2]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 3]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 4]
Partner
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 20.000,-
€ 60.000,-
€ 14.912,54
[benadeelde 5]
Moeder
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 60.000,-
[benadeelde 6]
Vader
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 17.500,-
€ 60.000,-
€ 370,67
[benadeelde 7]
Broer
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 8]
Zus
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 9]
Partner moeder
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
€ 3.627,17
[benadeelde 10]
Halfzus
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 11]
Schoonzus
Schokschade
€ 40.000,-
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, met dien verstande dat zij zich met betrekking tot de hoogte van de toe te kennen schokschade heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ook heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De verdediging heeft de vorderingen betwist voor zover die zien op schokschade, affectieschade van de benadeelde partijen die niet vallen onder de naasten genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade, en de materiële schadeposten die zien op vergoeding van het eigen risico.
De vorderingen lenen zich voor gezamenlijke bespreking, per schadepost.
In artikel 6:108, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat indien iemand overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht is een vaste vergoeding te betalen aan bepaalde naasten voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden als gevolg van het overlijden. Dit wordt affectieschade genoemd. Wie die naasten zijn, is bepaald in lid 4. Het gaat – voor zover in deze zaak van belang – om de levensgezel van de overledene, de ouder van de overledene en het kind van de overledene. Verder is in lid 4, onder g, een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die luidt: “een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt”.
[benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5] en [benadeelde 6] behoren tot de in lid 4 genoemde naasten en zij hebben dus een aanspraak op vergoeding van affectieschade. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding correspondeert met de voor deze naasten in het Besluit vergoeding affectieschade genoemde bedragen en is door de verdediging ook niet betwist. Het hof zal hun vorderingen in zoverre dan ook toewijzen.
[benadeelde 9] behoort niet tot de in lid 4 genoemde naasten. Zij heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Ter onderbouwing daarvan heeft zij het volgende gesteld. Zij is - als partner van de moeder van het slachtoffer - in het leven van het slachtoffer gekomen toen hij twaalf jaar oud was. Zij heeft het slachtoffer vanaf het begin van haar relatie met zijn moeder beschouwd en behandeld als haar eigen kind. Het merendeel van zijn jeugd heeft zij voor hem gezorgd. Zij hebben ruim tien jaar in gezinsverband onder één dak geleefd. Ook daarna, toen het slachtoffer het huis uit was, stond zij hem met raad en daad terzijde. Zij hadden dagelijks contact, in persoon, telefonisch of per tekst- of voicebericht.
Voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Naar het oordeel van het hof geeft hetgeen [benadeelde 9] ter onderbouwing heeft gesteld in voldoende mate blijk van een hechte affectieve relatie. Naar haar aard was de relatie tussen [benadeelde 9] en het slachtoffer gelijk te stellen aan die tussen ouder en kind. De relatie heeft zo’n zeventien jaar geduurd en was ten tijde van het overlijden van het slachtoffer nog steeds van een substantiële intensiteit. Hetgeen de verdediging ter betwisting heeft aangevoerd, namelijk dat [benadeelde 9] ‘pas’ vanaf de puberteit een rol speelde in het leven van het slachtoffer en dat het slachtoffer al langere tijd niet meer afhankelijk was van de zorg van [benadeelde 9], doet daaraan niet af. [benadeelde 9] heeft dus aanspraak op vergoeding van affectieschade. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding correspondeert met het voor deze categorie in het Besluit vergoeding affectieschade genoemde bedrag. Het hof zal de vordering van [benadeelde 9] in zoverre dan ook toewijzen.
[benadeelde 7], [benadeelde 8] en [benadeelde 10] – broer, zus en halfzus van het slachtoffer - behoren evenmin tot de in lid 4 genoemde naasten. Ook zij hebben een beroep gedaan op de hardheidsclausule. [benadeelde 7] heeft ter onderbouwing daarvan gesteld dat hij en het slachtoffer van jongs af aan onafscheidelijk waren, dat zij er altijd voor elkaar waren en dat zij (en hun gezinnen) veel samen deden, zoals op vakantie gaan en verjaardagen vieren. [benadeelde 8] heeft ter onderbouwing gesteld dat zij altijd bij het slachtoffer terecht kon, dat hij haar een veilig gevoel gaf en dat zij in 2021 op vakantie is geweest met het slachtoffer, haar vader en haar broer. [benadeelde 10] heeft ter onderbouwing gesteld dat het slachtoffer al van jongs af aan met haar activiteiten ondernam, dat zij dagelijks contact met elkaar hadden en dat hij aanwezig was bij belangrijke momenten in haar leven.
Naar het oordeel van het hof geeft hetgeen [benadeelde 7], [benadeelde 8] en [benadeelde 10] aldus ter onderbouwing hebben gesteld in onvoldoende mate blijk van een hechte affectieve relatie die is vereist voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Broers en zussen behoren – naar geldend recht - niet tot de in lid 4 genoemde naasten, waaruit het hof afleidt dat er, om een geslaagd beroep op de hardheidsclausule te kunnen doen, voor broers en zussen iets extra’s aan de hand moet zijn waardoor hun relatie met de overledene uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben. Mede gelet op de betwisting op dit punt door de verdediging, acht het hof onvoldoende onderbouwd dat daarvan in dit geval sprake is. Hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld geeft weliswaar blijk van een warme familieband, maar niet van een relatie die naar aard en intensiteit uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben. Dat broers en zussen in de toekomst mogelijk wél tot de in lid 4 genoemde naasten zullen behoren doet aan dit oordeel niet af, aangezien het hof daarop niet vooruit kan lopen. De benadeelde partijen de gelegenheid geven hun vorderingen op dit punt nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. Zij zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.
[benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3], allen minderjarige kinderen van het slachtoffer, vorderen vergoeding van door hen rechtstreeks geleden immateriële schade. Zij stellen dat de verdachte zich jegens hen onrechtmatig heeft gedragen. Alle drie leggen zij daaraan ten grondslag dat zij in hun persoon zijn aangetast, doordat de verdachte een inbreuk heeft gemaakt op hun recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven. Daardoor zijn zij geschaad in hun zelfvertrouwen en ontwikkeling.
Het hof stelt voorop dat het stelsel van de wet in de weg staat aan toekenning van een vergoeding aan een nabestaande van een overledene voor andere schade dan de in artikel 6:108 BW genoemde vermogensschade en affectieschade. Dit is slechts anders indien degene die aansprakelijk is voor het overlijden het oogmerk had aan die nabestaande immateriële schade toe te brengen als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder a, BW of als die nabestaande in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW.
Van een dergelijke persoonsaantasting kan sprake zijn in geval van een
zeer ernstigeschending van een fundamenteel recht (vgl. Hoge Raad 1 november 1991, NJ 1992/58), zoals het recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven waarop de benadeelde partijen zich beroepen.
Naar het oordeel van het hof slaagt dat beroep in dit geval echter niet. Het hof wil aannemen dat de benadeelde partijen zich anders (zullen) ontwikkelen na het wegvallen van hun vader dan wanneer hij nog in leven zou zijn geweest. Dat is in wezen inherent aan het verlies van een verzorgende ouder, wat immers voor ieder minderjarig kind een ingrijpende gebeurtenis is. Van een persoonsaantasting bestaande in een zeer ernstige schending van een fundamenteel recht is daarmee echter naar ’s hofs oordeel niet zonder meer sprake. Aan dat oordeel draagt bij dat de gestelde persoonsaantasting weinig onderscheidend is van affectieschade. De schade aan het zelfvertrouwen en de ontwikkeling waaruit de persoonsaantasting zou bestaan, hangt immers in een belangrijke mate samen met het verdriet om het gemis van hun vader. Dit blijkt ook uit de ter onderbouwing van de vorderingen overgelegde behandelverslagen. De benadeelde partijen de gelegenheid geven hun vorderingen op dit punt nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. Zij zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
- de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was;
- de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
De rechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
Vergoeding van immateriële schade zoals in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoeld kan dus plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond (zogenoemde schokschade).
Voor vergoeding van immateriële schade als deze is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.
De vaststelling van de hoogte van de geleden schokschade geschiedt ingevolge artikel 6:106 BW naar billijkheid met in achtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Beoordeling van de onrechtmatigheid in deze zaak
[benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10] en [benadeelde 11] hebben gesteld dat de confrontatie met de gevolgen van het bewezenverklaarde bij hen een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht en dat de verdachte daardoor jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld.
Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde gezichtspunten, overweegt het hof als volgt.
De verdachte heeft het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachte raad om het leven gebracht, op een gruwelijke wijze. Hij heeft daarna zijn lichaam in verregaande mate verminkt, een en ander zoals hiervoor in het kader van de strafoplegging reeds beschreven. Aan dit gezichtspunt komt dan ook veel betekenis toe.
De benadeelde partijen stonden allen in een nauwe relatie tot het slachtoffer. Voor zijn levenspartner en zijn ouders, die beiden bij zijn opvoeding betrokken waren en met wie het slachtoffer nog contact had, is dat evident. Over de partner van zijn moeder heeft het hof hiervoor reeds overwogen dat haar relatie met het slachtoffer gelijk was te stellen aan die tussen ouder en kind. Voor de broer, zus en halfzus geldt dat hun relatie met het slachtoffer weliswaar niet zodanig was dat zij een aanspraak hebben op affectieschade, maar wel dat sprake was van een warme familieband, zoals hiervoor reeds is overwogen. Voor [benadeelde 11], de partner van de broer van het slachtoffer, geldt dat zij heeft gesteld dat zij zestien jaar lang een hechte band heeft gehad met het slachtoffer en dat hun gezinnen vaak dingen samen deden. Ook aan dit gezichtspunt komt daarmee aanzienlijke betekenis toe.
Geen van de benadeelde partijen heeft het stoffelijk overschot van het slachtoffer gezien. Dat had ermee te maken dat het stoffelijk overschot door de verdachte ernstig was verminkt. Bovendien verkeerde het stoffelijk overschot reeds in verregaande staat van ontbinding toen het eerst vijf dagen na het overlijden van het slachtoffer werd gevonden, doordat de verdachte niet wilde vertellen waar het stoffelijk overschot was. Namens de benadeelde partijen is in dit verband gewezen op de indringende lijkgeur die zij waar hebben genomen. De lichaamsdelen mochten niet aangeraakt worden. Omdat het lichaam niet intact was behoorde het op reguliere wijze in een kist begraven niet tot de mogelijkheden. In de periode na de vondst van het stoffelijk overschot zijn de benadeelde partijen geconfronteerd met informatie over het overlijden van het slachtoffer, zoals details over zijn verwondingen, over de omstandigheden rondom zijn overlijden en over wat er met zijn lichaam is gebeurd. Deze informatie hebben zij verkregen van de politie, door kennisname van het strafdossier, uit de media en tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Deels zal dat onverhoeds zijn geweest: voordat zij daarvan kennis kregen, konden zij immers niet weten dat en onder welke omstandigheden het slachtoffer om het leven was gebracht. Door deze informatie hebben de benadeelde partijen zich een duidelijk beeld kunnen vormen - en ook daadwerkelijk gevormd - van de omstandigheden waaronder het slachtoffer door de verdachte om het leven is gebracht en welke handelingen de verdachte op zijn lichaam heeft uitgevoerd. Dit heeft bij hen een hevige emotionele schok teweeggebracht. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake geweest van een confrontatie met de gevolgen van het bewezenverklaarde handelen waaraan enige betekenis toekomt. De opvatting van de verdediging dat sprake moet zijn geweest van een visuele waarneming van die gevolgen, deelt het hof niet.
De gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwend, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens deze benadeelde partijen.
De vraag is vervolgens of kan worden vastgesteld dat de emotionele schok die bij de benadeelde partijen is teweeggebracht door de confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezenverklaarde, bij hen heeft geleid tot geestelijk letsel. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend, gelet op het navolgende.
[benadeelde 4] heeft ter onderbouwing van haar vordering een brief van een GZ-psycholoog d.d. 22 april 2022 overgelegd. Hieruit blijkt dat zij is gediagnostiseerd met een andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis. Er hebben zes behandelsessies plaatsgevonden, waarin cognitieve gedragstherapie en EMDR werden ingezet. De behandeling is gestaakt, omdat er vanuit de lopende strafzaak voortdurend nieuwe informatie naar voren kwam en de benadeelde partij zich niet in staat voelde om verdere behandeling te ondergaan.
[benadeelde 5] heeft ter onderbouwing van haar vordering een behandelplan van een GGZ-instelling d.d. 8 maart 2022 overgelegd. Hieruit blijkt dat zij is gediagnostiseerd met een posttraumatische stressstoornis. Zij heeft continue flashbacks en last van nachtmerries sinds het overlijden van haar zoon. Ook heeft zij last van concentratieproblemen, geheugenklachten en verminderd vermogen tot het nemen van beslissingen. Zij wil middels behandeling de beelden die zij gevormd heeft van haar overleden zoon niet meer voor zich zien.
[benadeelde 6] heeft ter onderbouwing van zijn vordering brieven van een klinisch psycholoog d.d. 23 november en 22 december 2021 overgelegd. Hieruit blijkt dat hij is gediagnostiseerd met een posttraumatische stressstoornis. Het advies luidde een behandeling door gesprekken en EMDR gericht op de beelden die de benadeelde partij in zijn hoofd heeft. Tijdens het intaketraject heeft de benadeelde partij aangegeven nog niet klaar te zijn voor behandeling, omdat de strafzaak nog loopt.
[benadeelde 7] heeft ter onderbouwing van zijn vordering een brief van een GZ-psycholoog d.d. 15 december 2022 overgelegd. Hieruit blijkt dat hij is gediagnostiseerd met een posttraumatische stressstoornis, ten gevolge van de moord op zijn broer. De klachten zijn sindsdien in ernst toegenomen, mede vanwege de lopende strafzaak. Het behandelplan was gericht op traumaverwerking, middels EMDR. Er hebben zes sessies plaatsgevonden.
[benadeelde 8] heeft ter onderbouwing van haar vordering een brief van een GZ-psycholoog d.d. 22 november 2022 overgelegd. Hieruit blijkt dat zij is gediagnostiseerd met een posttraumatische stressstoornis. Sinds het overlijden van haar broer ervaart zij klachten, waaronder nare beelden die zich opdringen, boosheid, verdriet en paniekaanvallen. Haar dagritme is weg en zij zit momenteel in de Ziektewet. Gestart is met EMDR gericht op de herbelevingen, maar deze behandeling is gestaakt omdat deze te veel vroeg van de benadeelde partij.
[benadeelde 9] heeft ter onderbouwing van haar vordering een brief van een GZ-psycholoog d.d. 16 februari 2023 overgelegd. Hieruit blijkt dat zij is gediagnostiseerd met een andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis. Zij kampt met onrust, slaapproblemen, huilen en vermoeidheid. Aanleiding is de gruwelijke moord op haar stiefzoon. Middels EMDR zijn de klachten rondom het meest ingrijpende beeld verminderd.
[benadeelde 10] heeft ter onderbouwing van haar vordering een hulpverleningsplan van een GZ-psycholoog d.d. 27 juli 2022 overgelegd. Hieruit blijkt dat zij is gediagnostiseerd met een posttraumatische stressstoornis. Zij kampt met nare beelden en nachtmerries naar aanleíding van de dood van haar halfbroer. Ook ervaart zij concentratieproblemen. De behandeling bestaat uit minstens vijftien individuele wekelijkse sessies.
[benadeelde 11] heeft ter onderbouwing van haar vordering een behandelplan van een GGZ-instelling d.d. 25 februari 2022 overgelegd. Hieruit blijkt dat zij is gediagnostiseerd met een posttraumatische stressstoornis. Naar aanleiding van de moord op haar zwager heeft zij last van nachtmerries, vermijdingsgedrag en negatieve veranderingen in cognities en stemmingen. Middels cognitieve gedragstherapie wordt ingezet op verwerking van de traumatische gebeurtenis.
Deze onderbouwing geeft naar het oordeel van het hof in voldoende mate blijk van het bestaan van geestelijk letsel, waardoor de benadeelde partijen in hun persoon zijn aangetast. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte aan de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht.
Vaststelling hoogte schade
Bij het vaststellen van de hoogte van de schokschade acht het hof het volgende van belang. Voorop staat dat het aan de verdachte te maken verwijt zeer ernstig is en dat de benadeelde partijen als gevolg daarvan geestelijk letsel hebben opgelopen: een posttraumatische stressstoornis, dan wel een andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis. Allen hebben zij klachten ervaren, waarvoor behandeling aangewezen was. Op grond van de door de benadeelde partijen overgelegde stukken kan evenwel niet worden vastgesteld wat de ernst en het beloop van het geestelijk letsel is. Zo is onduidelijk gebleven in hoeverre de behandeling succesvol is geweest, in hoeverre de benadeelde partijen thans nog klachten ondervinden en in hoeverre de klachten hun weerslag hebben of hebben gehad op aspecten van hun leven. Met inachtneming daarvan en alle andere omstandigheden van het geval, stelt het hof thans naar billijkheid de geleden schokschade voor ieder van de benadeelde partijen vast op een bedrag van € 20.000,-.
Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de omstandigheid dat de benadeelde partijen [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6] en [benadeelde 9] ook een aanspraak hebben op vergoeding van affectieschade.
Het hof zal de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen terzake schokschade.
[benadeelde 4], [benadeelde 9] en [benadeelde 6] vorderen vergoeding van materiële schade. Bij [benadeelde 4] gaat het om de kosten van de uitvaart van het slachtoffer, de aanbetaling voor een gedenkmonument op de begraafplaats en het eigen risico van haar zorgverzekering over het jaar 2021. Bij [benadeelde 9] gaat het om de (na de aanbetaling resterende) kosten van het gedenkmonument en de kosten van een bloemenarrangement. Bij [benadeelde 6] gaat het om het eigen risico van zijn zorgverzekering over het jaar 2021.
In artikel 6:108, lid 3, BW is bepaald dat indien iemand overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht is aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging van de overledene zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.
De kosten van de uitvaart, het gedenkmonument en het bloemenarrangement zijn als kosten van lijkbezorging in voormelde zin aan te merken. Door de verdediging zijn deze schadeposten niet betwist. Het hof zal de vorderingen van [benadeelde 4] en [benadeelde 9] dan ook in zoverre toewijzen.
Voor vergoeding van de kosten van het eigen risico geldt het volgende. Gezien de nadere toelichting die namens de benadeelde partijen ter terechtzitting in hoger beroep is gegeven, begrijpt het hof dat deze schadepost is bedoeld als materiële component van de gevorderde schokschade. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder schokschade zowel immateriële als materiële schade kan worden begrepen, zolang die schade het gevolg is van geestelijk letsel veroorzaakt door de hevige emotionele schok (Hoge Raad 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.6). Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, is bij zowel [benadeelde 4] als [benadeelde 6] sprake van geestelijk letsel in vorenbedoelde zin.
[benadeelde 6] heeft ter onderbouwing van zijn vordering een specificatie van zijn zorgverzekeraar overgelegd, waaruit blijkt dat hij zijn eigen risico heeft verbruikt in verband met geestelijke gezondheidszorg, alsmede een brief van een klinisch psycholoog waaruit blijkt dat hij in behandeling is voor PTSS. Daarmee acht het hof voldoende onderbouwd dat deze materiële schade het gevolg is van het vorenbedoelde geestelijke letsel, zodat de vordering van [benadeelde 6] in zoverre zal worden toegewezen.
[benadeelde 4] heeft ter onderbouwing van haar vordering een factuur van haar zorgverzekeraar overlegd, maar daarin zijn de kosten niet gespecificeerd. Dat de gevorderde materiële schade een gevolg is van vorenbedoeld geestelijk letsel acht het hof daarmee – mede in het licht van de betwisting door de verdediging – onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven haar vordering in zoverre nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. [benadeelde 4] zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
De vorderingen van de benadeelde partijen worden deels toegewezen. Schematisch weergegeven en uitgesplitst per schadepost als volgt:
Benadeelde
Schadepost
Toegewezen bedrag
[benadeelde 1]
Affectieschade
€ 20.000,-
[benadeelde 2]
Affectieschade
€ 20.000,-
[benadeelde 3]
Affectieschade
€ 20.000,-
[benadeelde 4]
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 20.000,-
€ 20.000,-
€ 14.546,77
[benadeelde 5]
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 20.000,-
[benadeelde 6]
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 17.500,-
€ 20.000,-
€ 370,67
[benadeelde 7]
Schokschade
€ 20.000,-
[benadeelde 8]
Schokschade
€ 20.000,-
[benadeelde 9]
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 17.500,-
€ 20.000,-
€ 3.627,17
[benadeelde 10]
Schokschade
€ 20.000,-
[benadeelde 11]
Schokschade
€ 20.000,-
De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen voor zover deze niet worden toegewezen.
De toe te wijzen bedragen worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen, tot aan de dag der algehele voldoening. Voor de materiële schade zal het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente telkens bepalen op de factuurdatum. Voor de immateriële schade zal het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente telkens bepalen op 3 augustus 2021. Op die dag vond de gerechtelijke sectie plaats en werd het stoffelijk overschot geïdentificeerd. Het hof gaat ervan uit dat de nabestaanden op die dag zijn geïnformeerd over het overlijden van het slachtoffer en voor het eerst zijn geconfronteerd met de details daaromtrent.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden
Nu vaststaat dat de verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen die bedragen aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde data tot aan de dag der algehele voldoening, ten behoeve van de nabestaanden van wie de vorderingen tot schadevergoeding (deels) zijn toegewezen. Het hof zal daarbij telkens bepalen dat gijzeling van na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding niet opheft. De duur van de gijzeling zal het hof bepalen evenredig aan de hoogte van de schadevergoeding, rekening houdend met het wettelijk bepaalde totale maximum van 365 dagen (zie Hoge Raad 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714). Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 impliciet primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
19 (negentien) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 54.546,77 (vierenvijftigduizend vijfhonderdzesenveertig euro en zevenenzeventig cent) bestaande uit € 14.546,77 (veertienduizend vijfhonderdzesenveertig euro en zevenenzeventig cent) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 54.546,77 (vierenvijftigduizend vijfhonderdzesenveertig euro en zevenenzeventig cent) bestaande uit € 14.546,77 (veertienduizend vijfhonderdzesenveertig euro en zevenenzeventig cent) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade à € 12.584,10 op 25 augustus 2021 en voor de materiële schade à € 1.962,67 op 2 september 2021.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor van de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5], ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 37.870,67 (zevenendertigduizend achthonderdzeventig euro en zevenenzestig cent) bestaande uit € 370,67 (driehonderdzeventig euro en zevenenzestig cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6], ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 37.860,67 (zevenendertigduizend achthonderdzestig euro en zevenenzestig cent) bestaande uit € 360,67 (driehonderdzestig euro en zevenenzestig cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 maart 2022
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 7], ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8], ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 9] ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 41.127,17 (eenenveertigduizend honderdzevenentwintig euro en zeventien cent) bestaande uit € 3.627,17 (drieduizend zeshonderdzevenentwintig euro en zeventien cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 9], ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 41.127,17 (eenenveertigduizend honderdzevenentwintig euro en zeventien cent) bestaande uit € 3.627,17 (drieduizend zeshonderdzevenentwintig euro en zeventien cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 49 (negenenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade à € 2.489,67 op 21 april 2022 en voor de materiële schade à € 1.137,50 op 18 augustus 2021.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 10] ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 10], ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 11] ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 11], ter zake van het onder 1 impliciet primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. W.J. van Boven en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 december 2025.