ECLI:NL:GHDHA:2025:2790

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
200.348.813/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens fraude met restafval en de rechtsgeldigheid daarvan

In deze zaak gaat het om een ontslag op staande voet van een werknemer, [verweerder], door zijn werkgever, Shin-Etsu PVC B.V., wegens vermeende fraude met restafval. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven, ondanks het ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van een beperkte transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding aan de werknemer. Zowel de werkgever als de werknemer gingen in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de werkgever wel degelijk voldoende voortvarend had gehandeld in het onderzoek naar de fraude. Het hof vernietigde de beschikking van de kantonrechter en wees de verzoeken van de werknemer af. De werknemer werd veroordeeld in de onderzoekskosten en de gefixeerde schadevergoeding werd verrekend met de eindafrekening. Het hof concludeerde dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was en dat de werknemer geen recht had op een billijke vergoeding of transitievergoeding, gezien de ernst van zijn handelen en de lange duur van de fraude. De proceskosten werden toegewezen aan de werkgever.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.348.813/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11086279 VZ VERZ 24-4649
Beschikking van 23 december 2025
in de zaak van
Shin-Etsu PVC B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D. van Gerven, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[verweerder],
wonend in [woonplaats] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. V. Knetsch, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna Shin-Etsu en [verweerder] .

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak betreft een ontslag op staande voet wegens fraude. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven en daarom – ondanks het ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer – niet rechtsgeldig was. De werkgever werd veroordeeld tot betaling aan de werknemer van een beperkte transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. De eveneens gevorderde billijke vergoeding werd afgewezen, evenals de door de werkgever verzochte verrekening van de onderzoekskosten met de eindafrekening. Zowel werkgever als werknemer zijn tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen.
1.2
Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter. Naar het oordeel van het hof heeft de werkgever wel voldoende voortvarend gehandeld. De verzoeken tot betaling van transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding worden alsnog afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de onderzoekskosten.

2.Procesverloop in hoger beroep

Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 26 november 2024, is Shin-Etsu in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de kantonrechter) van 28 augustus 2024 (hierna: de beschikking).
[verweerder] heeft een verweerschrift houdende incidenteel appel met producties ingediend. Shin-Etsu heeft daarop gereageerd bij een verweerschrift in incidenteel appel met producties.
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 28 augustus 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[verweerder] (geboren op [geboortedatum] ) heeft sinds 1 september 1977 bij Shin-Etsu gewerkt, laatstelijk in de functie van Productie Assistent tegen een salaris van € 9.566,- bruto per maand, exclusief emolumenten waaronder persoonlijke toeslagen, pensioencompensatie, overwerktoeslagen, een 13e en 14e maand-uitkering en consignatietoeslag. Hij hield zich voornamelijk bezig met het begeleiden van projecten binnen [verweerder] op de locatie [locatie] . Hij gaf leiding en stuurde in het kader van zijn functie diverse werknemers aan en kon aan die werknemers opdracht geven om (chemisch) afval of restmaterialen (o.a. koper, roestvrij staal en aluminium) te laten afvoeren.
3.2
Shin-Etsu heeft op 17 november 2023 een melding ontvangen dat [verweerder] mogelijk betrokken was bij diefstal dan wel verduistering van restmaterialen. Shin-Etsu heeft vervolgens contact opgenomen met Hoffmann Bedrijfsrecherche (hierna: Hoffmann) en aan haar opdracht gegeven om nader onderzoek te doen naar de melding.
3.3
[verweerder] is in het kader van het onderzoek door Hoffmann op 5 en 7 maart 2024 gehoord. [verweerder] heeft tijdens het verhoor op 5 maart 2024 betrokkenheid bij de verduistering van restmaterialen erkend.
3.4
Shin-Etsu heeft [verweerder] op 7 maart 2024 op staande voet ontslagen om de volgende redenen, die in de ontslagbrief van gelijke datum worden genoemd:
 betrokkenheid bij het plaatsen van restmaterialen uit de fabriek van Shin-Etsu in containers van een derde (Van Leeuwen/DCC) in plaats van in de gecontracteerde containers;
 opdrachtgeven voor het maken van poortbewijzen zodat de illegale containers het terrein van Shin-Etsu konden verlaten;
 het ontvangen en onder zich houden van contante gelden van die derde (Van Leeuwen/DCC) voor de restmaterialen;
 het aanwenden van die gelden voor etentjes en uitjes met collega’s, en het geven van contant geld aan collega’ [medewerker 2]
In de ontslagbrief heeft Shin-Etsu aangekondigd dat zij de door Shin-Etsu verschuldigde gefixeerde schadevergoeding en de onderzoekskosten van Hoffmann met de eindafrekening zal verrekenen.

4.Verzoek bij kantonrechter

4.1
Bij wijziging en aanvulling op het verzoekschrift van 18 juli 2024 heeft [verweerder] zich op het standpunt gesteld dat hij berust in het gegeven ontslag maar dat het ontslag op staande voet hem onterecht is gegeven. Hij heeft de kantonrechter verzocht om toekenning van:
primair
een transitievergoeding van € 189.315,27 bruto, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 63.835,92 bruto en een billijke vergoeding van € 671.7631,86 bruto, en
subsidiair
alleen de hiervoor genoemde transitievergoeding, en
primair en subsidiair
Shin-Etsu te veroordelen tot betaling van de eindafrekening van € 37.263,56 bruto met wettelijke verhoging, onder verstrekking van een deugdelijk gespecificeerde eindafrekening, alsmede tot betaling van de wettelijke rente over alle voornoemde bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid, en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
4.2
Shin-Etsu heeft op haar beurt verzocht primair alle verzoeken van [verweerder] af te wijzen, subsidiair deze te matigen, en zowel primair als subsidiair [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.3
De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat het niet onverwijld is gegeven. Shin-Etsu is daarom aan [verweerder] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd (de gefixeerde schadevergoeding). [verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld en de waarde van zijn arbeidsovereenkomst was zeer beperkt. Daarom wordt aan hem geen billijke vergoeding toegekend. Wel is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] , die een lang dienst verband heeft en nog maar kort van zijn pensioendatum verwijderd was, een relatief kleine misstap heeft gemaakt. Het niet toekennen van een transitievergoeding zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Daarom wordt aan hem op grond van art. 7:673 lid 8 BW (het ‘luizengaatje’) een kwart van de wettelijke transitievergoeding toegekend. Ten slotte moet Shin-Etsu aan [verweerder] de eindafrekening betalen, zonder verrekening van de door haar gestelde gefixeerde schadevergoeding en onderzoekskosten.
4.4
De kantonrechter heeft op grond van het voorgaande Shin-Etsu veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van:
 de transitievergoeding van € 47.500,- bruto, met wettelijke rente vanaf 8 april 2024;
 de gefixeerde schadevergoeding van € 63.835,92 bruto, met wettelijke rente vanaf 7 maart 2024;
 de eindafrekening van € 37.263,56 bruto met wettelijke verhoging van 15% en wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid, onder verstrekking van een deugdelijke specificatie;
en Shin-Etsu veroordeeld in de kosten van de procedure.

5.Verzoeken in hoger beroep

5.1
Shin-Etsu verzoekt het hof - zakelijk weergegeven - de beschikking te vernietigen (voor wat betreft het oordeel dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, de toekenning van de transitievergoeding en dat de gefixeerde schadevergoeding en onderzoekskosten niet verrekend mogen worden met de eindafrekening) en in plaats daarvan te oordelen
primair:
 dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven;
 dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen zijdens [verweerder] ;
 dat de veroordeling tot betaling van de transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding, de eindafrekening en de proceskosten moeten worden teruggedraaid en alle verzoeken van [verweerder] moeten worden afgewezen;
subsidiair: de wettelijke verhoging over de eindafrekening op nihil te stellen of te matigen;
en de beschikking voor het overige te bekrachtigen met veroordeling van [verweerder] in de kosten van (het hof begrijpt gelet op grief 5) beide instanties.
5.2
[verweerder] verzoekt in principaal hoger beroep het beroep van Shin-Etsu te verwerpen.
5.3
In het incidenteel hoger beroep verzoekt [verweerder] eveneens vernietiging van de bestreden beslissing, maar dan voor zover zijn verzoeken zijn afgewezen en in plaats daarvan aan [verweerder] een transitievergoeding toe te kennen van € 189.315,27 bruto en een billijke vergoeding van € 671.763,86 bruto, en Shin-Etsu te veroordelen in de kosten van beide instanties.
5.4
Shin-Etsu heeft op haar beurt het incidenteel hoger beroep bestreden en verzoekt het hof [verweerder] ook te veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Tegen het oordeel van de kantonrechter heeft Shin-Etsu in principaal hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Grief 1 richt zich tegen het oordeel dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Grief 2 betoogt dat niet Shin-Etsu maar [verweerder] een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is en deze met de eindafrekening mocht worden verrekend. Grief 3 betoogt dat aan [verweerder] ten onrechte een (gedeeltelijke) transitievergoeding is toegekend. Grief 4 richt zich tegen de afwijzing van de verrekening van de onderzoekskosten en grief 5 tegen de veroordeling van Shin-Etsu in de proceskosten.
6.2
[verweerder] heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd. Grief 1 richt zich tegen het oordeel dat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom geen aanspraak heeft op een volledige transitievergoeding. Grief 2 richt zich tegen de afwijzing van de billijke vergoeding. Het hof zal de grieven hierna per onderwerp behandelen.
Onverwijldheid van het ontslag op staande voet
6.3
Het hof zal eerst beoordelen of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. Het hof stelt bij die beoordeling voorop dat daarbij beslissend is het tijdstip waarop de dringende reden ter kennis is gekomen van degene die tot het ontslag bevoegd is. Als een werkgever het vermoeden heeft dat er zich een dringende reden tot ontslag van een werknemer voordoet, en hij zich, voordat hij tot ontslag op staande voet overgaat, van de juistheid van dat vermoeden wil vergewissen, is de daarbij van hem te vergen mate van voortvarendheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer valt te denken aan:
 de aard en omvang van eventueel noodzakelijk onderzoek,
 de behoedzaamheid die bij het instellen van zulk onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf van werkgever te wekken,
 de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en
 de door werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, bij ongegrondbevinding van het vermoeden, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad [1] .
6.4
Bij de vraag of voldoende voortvarend is overgegaan tot ontslag op staande voet, kan de rechter ook betrekken of de
tussentijdse resultatenvan het onderzoek rechtvaardigen dat nog nader onderzoek is gedaan voordat is overgegaan tot het ontslag op staande voet [2] .
6.5
Shin-Etsu heeft daartoe allereerst – onbetwist – aangevoerd dat zij zich bezighoudt met het vervaardigen van kunststoffen waarmee pvc wordt geproduceerd. Zij heeft een fabriek op het bedrijventerrein van Shell in [locatie] waar de terreinbeveiliging en toegangscontrole in handen is van Shell. Shell heeft voor het hele bedrijventerrein afspraken gemaakt met Renewi voor de afvoer van restmaterialen. Bij uitzondering, bijvoorbeeld als bij een bepaald project daarover nadere afspraken zijn gemaakt met de opdrachtgever, huurt Shin-Etsu een derde in voor de afvoer en verwerking van betreffend restmateriaal. De restmaterialen van de fabriek van Shin-Etsu (waaronder koper, roestvrijstaal en aluminium) vertegenwoordigen een hoge financiële waarde. Restmaterialen worden gedeponeerd in containers. Voor het afvoeren van een container moet een poortbewijs worden opgemaakt, met daarop de naam van de chauffeur, het kenteken van de vrachtwagen, de bestemming van de container en een beschrijving van de inhoud. De vrachtwagen die de container vervoert moet bij binnenkomst en bij vertrek worden gewogen en mag alleen vertrekken na overhandiging en controle van het poortbewijs en de weegbrief. Renewi stuurt een factuur voor het afvoeren en verwerken van de restmaterialen, vermeldt daarop de restwaarde van de materialen, en maakt dat bedrag dan over naar Shin-Etsu.
6.6
Ten aanzien van het ontstane vermoeden van betrokkenheid van [verweerder] bij fraude met restmaterialen heeft Shin-Etsu aangevoerd dat zij op 17 november 2023 een mondelinge klokkenluidersmelding heeft ontvangen waarin gesproken werd over fraude met restmaterialen. Deze restmaterialen zouden in opdracht van [verweerder] worden geplaatst in afvalcontainers van Van Leeuwen die naar DCC vervoerd zouden worden. DCC is een contractspartij van Shin-Etsu voor bijvoorbeeld afvoer van watertanks en PVC-platen maar niet voor algemeen restmateriaal. Deze containers zouden ongeregistreerd op het terrein worden geplaatst en verwijderd, en zouden ook niet worden gewogen. De opbrengst zou niet worden afgedragen aan Shin-Etsu. Hierbij zouden verschillende medewerkers betrokken zijn, op diverse niveaus, waaronder [verweerder] .
6.7
Shin-Etsu heeft vervolgens direct contact opgenomen met Hoffmann om de mogelijkheden van extern onderzoek te bespreken en heeft op 22 november 2023 opdracht daartoe verstrekt. Eveneens op 22 november 2023 is de melder door Hoffmann gehoord. Volgens de melder zou er een groene (niet geregistreerde) afvalcontainer op het terrein zijn geplaatst. Op 23 november 2023 is het dagelijks bestuur van de ondernemingsraad over de mogelijke fraude en het onderzoek geïnformeerd. Vervolgens heeft eerst intern onderzoek plaatsgevonden naar hoe de verwerking van restmaterialen is geregeld en heeft Hoffmann onderzoek gedaan naar de telefoon en computer van [verweerder] (zonder resultaat). Verder heeft in overleg met Hoffmann onderzoek in de administratie van Shin-Etsu plaatsgevonden naar Van Leeuwen en DCC. Er is contact gelegd en afstemming gepleegd met Shell en afgesproken dat Shell zal gaan monitoren of bezoekers van DCC of Van Leeuwen zich bij de poort melden. Op 29 november 2023 is een groene container met restmaterialen erin, aangetroffen. Shell heeft naar aanleiding van deze met haar gedeelde informatie op 4 december 2023 bericht dat er bezoekers van Van Leeuwen of DCC zijn geweest maar dat hun namen niet geregistreerd zijn. Omdat het onderzoek tot dan toe niets had opgeleverd is op 6 december 2023 in overleg met Hoffmann besloten om trackers te gaan plaatsen in containers die ongeregistreerd op het terrein stonden. Voor het bestellen van de trackers golden formaliteiten die in acht moesten worden genomen en er was sprake van een levertijd. De eerste professionele tracker is op 12 december 2023 geplaatst. De betreffende container is op 20 december 2023 verplaatst, tijdens de kersttoespraak van het bedrijf, waardoor niet tijdig kon worden ingegrepen. Wel bleek bij het uitlezen van de trackergegevens dat de container eerst naar DCC was vervoerd en enige tijd later naar Van Leeuwen. In de administratie van Shin-Etsu bleek geen poortbewijs opgenomen te zijn en de container was niet gewogen of gecontroleerd, zodat onduidelijk was wie opdracht had gegeven en welk materiaal en hoeveel materiaal was afgevoerd. Omdat [verweerder] geen bevoegdheid had tot het opstellen van poortbewijzen, moesten er ook anderen dan [verweerder] bij de fraude betrokken zijn. Vervolgens is besloten een nieuwe ongeregistreerde container te tracken. Een nieuwe container is - waarschijnlijk in verband met de kerst/oud en nieuw periode - pas op 10 januari 2024 op het terrein geplaatst/ gesignaleerd. Op 24 januari 2024 is daarin een tracker geplaatst. De container is op 30 januari 2024 in beweging gekomen en binnen acht minuten afgevoerd waardoor onderschepping door Shell niet is gelukt. Wel bleek dat het poortbewijs door medewerker [ [medewerker 1] ], dus door een ander dan [verweerder] , was getekend. Ondertussen was er ook op 30 januari 2024 weer een ongeregistreerde container neergezet. Hierin is op 13 februari 2024 voor de derde maal een tracker geplaatst. Op 15 februari 2024 is deze container verplaatst en heeft Shell deze container aan de poort van Shin-Etsu staande kunnen houden. In de container bleken waardevolle restmaterialen te zitten, onder andere koper en chroom. Het poortbewijs was getekend door medewerker [ [medewerker 2] ].
6.8
Na het uitsluiten dat medewerkers van Shell bij het transport van de containers betrokken waren, na het informeren van het hoger management, het inwinnen van juridisch advies en na afstemming met Hoffmann heeft Shin-Etsu besloten eerst medewerkers [medewerker 1] en [medewerker 2] gelijktijdig te horen en aansluitend [verweerder] en mogelijk anderen. De datum daarvoor was bepaald op 27 februari 2024. Daartoe moest het een en ander georganiseerd worden. Er is ruimte gehuurd in een hotel en er zijn vier medewerkers van Hoffmann (twee teams van elk twee personen) ingeschakeld. Op 26 februari 2024 heeft [verweerder] zich ziekgemeld en kon het geplande verhoor niet doorgaan. Op 4 maart 2024 is [verweerder] hersteld gemeld en op de werkvloer verschenen en is het verhoor opnieuw gepland op 5 maart 2024. Op die dag zijn eerst [medewerker 1] en [medewerker 2] gelijktijdig gehoord. Hieruit bleek hoe de fraude feitelijk plaatsvond en wat de rol van [verweerder] daarbij was. Vervolgens is [verweerder] die middag gehoord (en ook een andere medewerker). [verweerder] heeft zijn betrokkenheid bij de onder 3.4 genoemde verwijten erkend. Over de duur en omvang van de fraude en de daaruit behaalde voordelen bleef hij vaag of legde hij tegenstrijdige verklaringen af. [verweerder] is per direct geschorst voor de duur van het onderzoek teneinde juridisch advies in te winnen over de mogelijkheid om hem op staande voet te ontslaan, over zijn aanbod om een contant bedrag van € 3.000,- aan Shin-Etsu te overhandigen en met het oog op mogelijk te verkrijgen informatie door het horen van nog vier personen op de volgende dag, 6 maart 2024. Eveneens de volgende dag is [verweerder] uitgenodigd voor een tweede gesprek op 7 maart 2024 om 9:30 uur. Dit gesprek heeft plaatsgevonden tussen 9:25 en 10:20 uur. Na dit gesprek heeft Shin-Etsu [verweerder] op staande voet ontslagen, aldus nog steeds Shin-Etsu.
6.9
[verweerder] heeft hiertegen aangevoerd dat het ontslag gelet op de verstreken tijd sinds 17 november 2023, niet onverwijld is gegeven en het onderzoek nodeloos lang heeft geduurd. Een eventueel ontslag had al op 17 of 22 november 2023, dan wel op de data van de verplaatsing van de containers met tracker, dan wel op 5 maart 2024, moeten worden gegeven. Het hof overweegt als volgt.
17/22 november 2023
6.1
Door overlegging van het onderzoeksrapport van Hoffmann en de hiervoor geschetste tijdlijn heeft Shin-Etsu aannemelijk gemaakt dat zij voldoende voortvarend heeft gehandeld met het onderzoek alvorens zij tot ontslag op staande voet is overgegaan. Op 17 november 2023 heeft Shin-Etsu voor het eerst vernomen van een fraude waarbij naast [verweerder] als mogelijke opdrachtgever ook andere medewerkers en bedrijven bij betrokken zouden zijn. De omvang en duur van de fraude, de mate van betrokkenheid van derden (Shell, Van Leeuwen, DCC) rechtvaardigden gelet op de wezenlijke financiële belangen van Shin-Etsu een behoedzaam in te stellen onderzoek naar de juistheid van de melding, ook met het doel bewijs te verzamelen zodat betrokkenen daarmee geconfronteerd konden worden. Het is begrijpelijk dat Shin-Etsu niet op de enkele informatie van de melder (van 17 en 22 november 2023) kon afgaan voor wat betreft de betrokkenheid van [verweerder] bij de fraude. In ieder geval is duidelijk dat zij onvoldoende bewijs in handen had om aangifte te doen dan wel de betrokkene(n), waaronder [verweerder] , daarmee te confronteren. Het verwijt dat Shin-Etsu [verweerder] toen al had kunnen/moeten ontslaan, gaat niet op.
De data van verplaatsing van een container
6.11
Shin-Etsu heeft verder in redelijkheid en met het oog op de zorgvuldigheid kunnen besluiten eerst intern onderzoek te doen (tot 6 december 2023) en toen dat niets opleverde over te gaan tot het plaatsen van trackers in containers die ongeregistreerd werden geplaatst. Een ongeregistreerde container werd – naar achteraf is gebleken – mogelijk een keer per maand geplaatst, en dan gedurende een periode van enkele dagen/weken gevuld met restmaterialen alvorens deze weer werd verwijderd. Dit betekent dat met dit proces telkens geruime tijd gemoeid is geweest, zonder dat dit afdoet aan de voortvarendheid van het onderzoek zelf. De eerste tracker kon pas worden geplaatst op 12 december 2023 (in een vermoedelijk rond 28 november 2023 geplaatste container). De verplaatsing van deze eerste container op 20 december 2023 heeft geen informatie met betrekking tot de betrokkenheid of rol van [verweerder] opgeleverd. De tweede container (geplaatst op 10 januari 2024) kon op 30 januari 2024 niet tijdig worden tegengehouden, maar leverde wel de naam op van degene die het poortbewijs had verstrekt (dat was niet [verweerder] ). De derde container (geplaatst op 30 januari 2024) is wel tegengehouden, op 15 februari 2024, en gaf informatie over de inhoud van de container en de naam van een andere werknemer die het poortbewijs had verstrekt. Met Shin-Etsu is het hof van oordeel dat hiermee nog altijd geen sterker geconcretiseerd vermoeden van betrokkenheid van [verweerder] kon worden vastgesteld, zodat het verwijt dat Shin-Etsu op elk van deze data [verweerder] had kunnen/moeten ontslaan wordt verworpen.
15 februari 2024 – 27 februari 2024
6.12
Shin-Etsu heeft dan ook na 15 februari 2024 in redelijkheid kunnen besluiten om in het kader van het vervolgonderzoek over te gaan tot het horen van de twee opstellers van de poortbewijzen en hen - om tactische redenen - ieder gelijktijdig maar afzonderlijk te horen en direct daarna ook [verweerder] te horen. Het hof acht daarbij de tijd die is verstreken tussen 15 februari 2024 en de beoogde datum van het verhoor, 27 februari 2024, lang, maar niet te lang gelet op de aannemelijkheid van de noodzaak van overleg met het hoogste management, van het inwinnen van nader juridisch advies en van de afstemming met Hoffmann die heeft plaatsgevonden, waarbij vier medewerkers van Hoffmann werden ingeschakeld en een externe locatie moest worden gehuurd en alle te horen werknemers (na de voorjaarsvakantie) aanwezig moesten zijn. Het hof vindt het ook te rechtvaardigen dat na de onverwachte ziekmelding van [verweerder] op 26 februari 2024 besloten is het verhoor uit te stellen. Het verhoor is weer gepland direct nadat [verweerder] zich beter meldde, op 4 maart 2024, voor de datum van 5 maart 2024. Ook hier heeft Shin-Etsu voldoende voortvarend gehandeld.
5 en 7 maart 2024
6.13
In het gesprek op 5 maart 2024 is [verweerder] , nadat eerder die dag de medewerkers [medewerker 1] en [medewerker 2] waren gehoord, geconfronteerd met de onderzoeksresultaten (waaronder het horen van [medewerker 1] en [medewerker 2] ) en heeft [verweerder] toegegeven dat hij betrokken was bij het (laten) plaatsen van restmaterialen uit de fabriek van Shin-Etsu in andere dan de gecontracteerde containers, hij opdracht had gegeven voor het maken van de poortbewijzen, hij de contante gelden daarvoor ontving en onder zich hield en dat hij het geld (deels) had aangewend voor het betalen en trakteren van collega’s. Over de duur van de fraude, het aantal keren dat een om container in strijd met de regels werd afgevoerd, en welke geldbedragen daarmee gemoeid waren, en waar het geld was gebleven bleef [verweerder] vaag of deed hij tegenstrijdige uitspraken. Ook voor wat betreft de rol van DCC en Van Leeuwen heeft hij geen gedetailleerde informatie gegeven.
6.14
Het hof vindt het dan ook aanvaardbaar dat Shin-Etsu nog voor een hele korte periode nader onderzoek heeft willen doen, dat zij daartoe [verweerder] met behoud van loon heeft geschorst, dat zij de volgende dag, 6 maart 2024, heeft gebruikt om nog vier medewerkers te horen, nader advies in te winnen over het ontslag op staande voet en [verweerder] opnieuw uit te nodigen voor een gesprek op 7 maart 2024 om 9:30 uur. In dat gesprek is [verweerder] wederom gehoord. Hij is toen geconfronteerd met nieuw verkregen informatie en is gevraagd naar een lunchgesprek met DCC. Hij is opnieuw gevraagd naar het ‘geldpotje’ dat zich - anders dan hij eerst had verklaard - nu op zijn bankrekening zou bevinden, hij is geconfronteerd met een e-mail van eind 2022 van DCC waarvan [verweerder] zegt dat dit niet meer weet of dat om een container gaat met schrootopbrengst en hij is gevraagd naar privéwerkzaamheden voor zijn huis waartoe hij contractors van Shin-Etsu opdracht had gegeven. Na afronding van dit gesprek en ondertekening door [verweerder] van het gesprekverslag rond 12.25 uur heeft Shin-Etsu [verweerder] op staande voet ontslagen door hem de ontslagbrief persoonlijk te overhandigen. Ook hier is het hof van oordeel dat Shin-Etsu voldoende voortvarend heeft gehandeld. Zij mocht in het kader van het lopende onderzoek de resultaten van de gesprekken met de vier medewerkers meenemen, [verweerder] daar nog mee confronteren, hem nogmaals bevragen over de omvang en tijdsduur van de fraude en de opbrengsten daarvan. Wat het hof betreft, kan dan ook in het midden blijven of het gesprek op 7 maart 2024 heeft plaatsgevonden op verzoek van [verweerder] of van Shin-Etsu. Shin-Etsu heeft naar aanleiding van dit gesprek de onderzoeksresultaten voor wat betreft de betrokkenheid van [verweerder] voldoende geacht om hem op staande voet te ontslaan, wat zij vervolgens ook heeft gedaan. Shin-Etsu heeft door het horen van nog vier andere medewerkers op 6 maart 2024 zich bovendien een beter beeld kunnen vormen van de rol van [verweerder] bij de fraude ten opzichte van de rol van andere medewerkers en dit kunnen betrekken bij de afweging of hier voor [verweerder] – in vergelijking met anderen – de zwaarste sanctie van ontslag op staande voet op zijn plaats was.
6.15
Shin-Etsu heeft gelet op het voorgaande aannemelijk gemaakt dat de noodzaak bestond tot het doen van nader onderzoek na de melding op 17 november 2023, naar de duur en omvang van de fraude, de waarde van de verduisterde materialen, de rol van [verweerder] , de betrokkenheid van andere medewerkers en haar contractspartij DCC. Dit ook mede gelet op de grote financiële en organisatorische belangen die daarbij speelden. Shin-Etsu heeft dit naar het oordeel van het hof voldoende voortvarend gedaan. Zij heeft het onderzoek behoedzaam moeten laten plaatsvinden om concrete bewijzen te verkrijgen. Shin-Etsu heeft het onderzoek op zorgvuldige wijze laten plaatsvinden, oog gehad voor de belangen van [verweerder] door de tegen hem gerichte beschuldigingen deugdelijk te onderzoeken en Shin-Etsu heeft op correcte wijze hoor en wederhoor toegepast door hem in de gelegenheid te stellen te reageren op verkregen concrete onderzoeksresultaten en op de laatste verkregen onderzoeksresultaten van 6 maart 2024. Shin-Etsu heeft – in een complexe situatie met veel containers op een bedrijventerrein van een derde – voldoende voortvarend onderzoek laten uitvoeren en nadat de dringende reden was komen vast te staan, [verweerder] op 7 maart 2024 onverwijld ontslagen. Verwijten aan Shin-Etsu dat zij achteraf bezien het onderzoek anders had moeten uitvoeren (bijvoorbeeld door het horen van betrokkenen in een eerder stadium en het opleggen aan hen van een spreekverbod) worden dan ook verworpen.
6.16
[verweerder] verwijt Shin-Etsu verder nog dat hij al eerder gehoord had moeten worden en dat hij dan alles open en eerlijk had verteld. Dat verwijt is niet aannemelijk geworden. Het lag op de weg van [verweerder] als goed werknemer om zelf openheid van zaken te geven met betrekking tot de fraude met restmaterialen voordat hij met de bewijzen daarvan werd geconfronteerd en niet eerst nadat daartoe een verhoor werd geëntameerd. Zoals onder 6.13 is overwogen is evenmin gebleken dat [verweerder] op 5 en 7 maart 2024 “alles heeft erkend”.
Dringende reden
6.17
[verweerder] heeft gedurende langere tijd, in ieder geval vanaf 2022, verschillende keren opdracht gegeven aan DCC om containers te plaatsen op het terrein van Shin-Etsu. Hij gaf medewerkers van Shin-Etsu opdracht om in die containers restmateriaal te deponeren in plaats van in containers van Renewi, en nadat deze gevuld waren met restmaterialen gaf hij opdracht deze weer af te voeren. [verweerder] heeft verder opdracht gegeven aan medewerkers om daartoe een (vals) poortbewijs op te maken. [verweerder] ontving hiervoor contant geld van DCC (bij de McDonald’s en op andere locaties). Hij beheerde het potje met geld dat hiermee zou zijn gevuld. Naar eigen zeggen ging het om een bedrag van zes tot achtduizend euro. Daargelaten of dit het hele bedrag is (Shin Etsu bestrijdt dit) is dit een aanzienlijk bedrag dat aan Shin-Etsu behoorde toe te komen en niet aan [verweerder] . Niet relevant is of [verweerder] op de hoogte was van alle regels of protocollen inzake het afvoeren van restmaterialen. [verweerder] wist dat zijn handelwijze niet was toegestaan (“
Ik weet dat wij het hebben over diefstal.”) en dat hij hiermee zijn werkgever benadeelde. Dit levert naar het oordeel van het hof een dringende reden op voor ontslag op staande voet. Dat [verweerder] van dit geldbedrag andere medewerkers betaald / getrakteerd zou hebben, maakt dat niet anders. Integendeel, dergelijke betalingen kunnen de fraude in stand houden. [verweerder] hield in elk geval een potje onder zich van naar eigen zeggen zo’n drieduizend euro.
Overige omstandigheden
6.18
Ook de persoonlijke omstandigheden die [verweerder] aanvoert, zijn zeer lange dienstverband en de gevolgen van het ontslag (kort voor de AOW-leeftijd, verlies van aanspraak op een WW-uitkering en een lager pensioen) leiden mede gelet op de cruciale rol van [verweerder] bij de fraude, de frequentie daarvan (de laatste drie maanden ging het om circa een container per maand) en de duur van de fraude (hij begon hiermee in 2022) niet tot een andere conclusie.
6.19
[verweerder] heeft nog aangevoerd dat er geen subjectief dringende reden voor ontslag zou zijn, omdat Shin-Etsu hem heeft laten doorwerken gedurende het onderzoek, dat de fraudepraktijk breed werd gevoerd en dat het onwaarschijnlijk was dat Shin-Etsu niet op de hoogte was, dat Shin-Etsu haar bedrijfsprocessen niet goed op orde had, dat [verweerder] is geslachtofferd en hij van het beleid/de protocollen met betrekking tot het afvoeren van restmateriaal onvoldoende op de hoogte was. Ook deze verweren kunnen [verweerder] niet baten. Niet is komen vast te staan dat ook (hoger) management op de hoogte was van deze praktijken. Zelfs als collega’s en ondergeschikten op de hoogte waren van het feit dat [verweerder] opdracht gaf om materialen in afwijkende containers van DCC te stoppen, om poortbewijzen te verstrekken, en dat hij af en toe contante betalingen ontving van DCC voor de afvoer van de niet geregistreerde containers, terwijl zij – via de lief-en-leedpot – daarvan meeprofiteerden, doet dat niet af aan de leidinggevende rol van [verweerder] bij deze gang van zaken. [verweerder] wist dat deze praktijken niet door de beugel konden. Dat anderen zich mogelijk ook niet altijd aan de regels hielden is geen excuus. Daarbij komt zoals hiervoor is overwogen dat dat de leiding van Shin-Etsu niet eerder dan 17 november 2023 bekend was met een vermoeden van fraude met restmaterialen; zij heeft de beschuldiging aan het adres van [verweerder] en de mogelijkheid van een breed gevoerde fraude zodanig ernstig genomen dat zij een uitgebreid en kostbaar onderzoek heeft laten doen. Zij heeft [verweerder] niet eerder op non actief willen stellen dan op het moment waarop zij hem kon confronteren met concrete onderzoeksresultaten en hem eerst ontslagen na toepassing van hoor en wederhoor, ook ten aanzien van nieuw verkregen informatie op 6 maart 2024. Dit alles doet geen afbreuk aan de subjectieve en objectieve dringende reden die de door [verweerder] gepleegde verduistering oplevert. Hoewel de exacte omvang van de fraude niet geheel is duidelijk geworden, is na het horen van andere medewerkers op 5 en 6 maart 2024 in ieder geval gebleken dat [verweerder] de opdrachtgever van de fraude was en hij de contante geldbedragen ontving en beheerde. Shin-Etsu heeft besloten hem de zwaarste sanctie, die van ontslag op staande voet, op te leggen en dat ontslag acht het hof gerechtvaardigd. Ook daarom kan niet gezegd worden dat [verweerder] “geslachtofferd” zou zijn.
Billijke vergoeding en transitievergoeding
6.2
Het hof is van oordeel dat [verweerder] van zijn handelen een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Toekenning van een billijke vergoeding en een transitievergoeding is dan ook niet aan de orde. Anders dan de kantonrechter acht het hof het niet toekennen van de transitievergoeding aan [verweerder] niet, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, onaanvaardbaar. Van een kleine misstap is geen sprake geweest. [verweerder] had een lang dienstverband van 46 jaar maar heeft het vertrouwen dat Shin-Etsu in hem had, ernstig beschaamd. Hij heeft op geraffineerde wijze een fraude opgezet c.q. voortgezet en daarvan de gelden toegeëigend terwijl hij wist dat er sprake was van diefstal ten nadele van zijn werkgever. Hij heeft die fraude opzettelijk aan het zicht van Shin-Etsu onttrokken. [verweerder] heeft niet alleen gehandeld maar heeft werknemers die tot hem in een veelal hiërarchische positie verkeerden dan wel van hem afhankelijk waren, gezien zijn positie en senioriteit, opdrachten gegeven om de fraude uit te voeren, zoals het deponeren van restmaterialen in de door hem bestelde containers en door het laten vervalsen van poortbewijzen. In hoeverre zij en anderen hiervan wisten en profiteerden kan hier in het midden blijven. [verweerder] was de opdrachtgever en streek ten nadele van zijn werkgever de gelden op. Dat [verweerder] een moderne Robin Hood zou zijn, is niet aannemelijk geworden maar levert ook zekert geen rechtvaardiging op. [verweerder] heeft zijn eigen betrokkenheid pas opgebiecht nadat hij met de bewijsresultaten van het onderzoek was geconfronteerd. Met name over de duur en omvang van de fraude en de opbrengsten heeft hij maar beperkt openheid van zaken betracht. Als gevolg van het ontslag heeft [verweerder] zijn aanspraak op een WW-uitkering verloren, maar hij heeft gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om vervroegd met (een mogelijk lager) pensioen te gaan. Dat er sprake is geweest van een onaanvaardbaar inkomstenverlies is evenmin aannemelijk geworden. Een gedeeltelijke transitievergoeding is hier niet op zijn plaats.
Verrekening met eindafrekening van gefixeerde schadevergoeding en kosten onderzoek.
6.21
[verweerder] heeft aan Shin-Etsu een dringende reden gegeven voor het ontslag op staande voet die gezien zijn handelwijze aan zijn opzet of schuld is te wijten. Daarom is hij op 7 maart 2024 aan Shin-Etsu de gefixeerde schadevergoeding van (onweersproken) € 12.664,15 verschuldigd geworden. Deze ziet op de duur van de opzegtermijn die in acht had moeten worden genomen vanaf 7 maart 2024 tot en met 30 april 2024.
6.22
Zoals het hof hiervoor onder 6.13 en 6.16 heeft overwogen is niet aannemelijk geworden dat [verweerder] in een eerder stadium gehoord had kunnen worden en dan “ook onmiddellijk openheid van zaken zou hebben gegeven”. Shin-Etsu heeft professionele onderzoekskosten moeten maken ter vaststelling van haar schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2 sub b. BW) en op basis van de vaststaande feiten moet worden aangenomen dat er een conditio sine qua non verband is tussen de fraude door [verweerder] en de opdracht aan Hoffmann. Shin-Etsu heeft door overlegging van het onderzoeksrapport en de facturen en specificaties van Hoffmann voldoende aangetoond dat de naar het oordeel van het hof in redelijkheid gemaakte kosten van Hoffmann in totaal € 85.647,43 (inclusief btw) bedragen. Zij heeft hiervan – omdat de scope van het onderzoek breder was dan naar alleen de rol van [verweerder] – circa 50% aan [verweerder] toegerekend, maar feitelijk gaat het in deze procedure over een bedrag van € 24.599,41 door de voorgestane verrekening met de eindafrekening, zodanig dat deze op nihil uitkomt (€ 37.263,56 bruto -/- € 12.664,15 bruto = € 24.599,41). Het hof acht een de toerekening aan [verweerder] tot dit bedrag redelijk. Hij was zoals gezegd de opdrachtgever en degene die de uit fraude verkregen contante gelden incasseerde. Dit betekent dat Shin-Etsu deze kosten en de gefixeerde schadevergoeding mag verrekenen met de eindafrekening van € 37.263,56 bruto, zodanig dat per saldo geen betaling meer aan [verweerder] hoeft te worden verricht.
Conclusie en proceskosten
6.23
De conclusie is dat het hoger beroep van Shin-Etsu slaagt en de incidentele grieven van [verweerder] falen. De bestreden beschikking kan deels niet in stand blijven. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de beschikking in zijn geheel vernietigen en het dictum herformuleren. Bij deze uitkomst past dat [verweerder] als de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en het principaal en incidenteel hoger beroep.
6.24
Het hof begroot de proceskosten van de eerste aanleg op € 814,- aan salaris gemachtigde.
6.25
Het hof begroot de proceskosten in principaal hoger beroep aan de zijde van Shin-Etsu op:
griffierecht € 2.175,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.781,-
6.26
Het hof begroot de proceskosten in incidenteel hoger beroep op € 1.214,- (de helft van 2 punten tarief II).

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2024;

en opnieuw rechtdoende

  • wijst de verzoeken van [verweerder] alsnog af;
  • veroordeelt [verweerder] in de kosten van de eerste aanleg tot op 28 augustus 2024 aan de zijde van Shin-Etsu begroot op € 814,-
  • veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van Shin-Etsu tot op heden begroot op € 4.781,-;
  • veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Shin-Etsu tot op heden begroot op € 1.214,-;
  • bepaalt dat als [verweerder] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verweerder] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-.
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.D. Ruizeveld, M.J. van der Ven en P.S. Fluit en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 15 februari 1980, NJ 1980, 328, rov. 19, (
2.HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1668, rov. 3.2, (