In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 16 mei 2024. De zaak betreft de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning, die door de Heffingsambtenaar op € 826.000 is vastgesteld voor het kalenderjaar 2022. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking en de daaropvolgende aanslag, maar de Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft belanghebbende betoogd dat de Heffingsambtenaar de toezendplicht en het motiveringsbeginsel heeft geschonden, en dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat de Heffingsambtenaar voldoende onderbouwing heeft gegeven voor de vastgestelde waarde en dat er geen schending van de toezendplicht of het motiveringsbeginsel heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor wat betreft de afwijzing van de immateriële schadevergoeding, en heeft een schadevergoeding van € 500 toegekend aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens is de Heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten.