ECLI:NL:GHDHA:2025:351
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling eerdere ingangsdatum en verlenging wettelijke schuldsaneringsregeling na prejudiciële beslissing
Deze zaak betreft het hoger beroep van appellanten tegen een vonnis van de rechtbank over de ingangsdatum van hun wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Na een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad over de uitleg van art. 349a lid 1 Faillissementswet heeft het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigd. Het hof stelde vast dat de ingangsdatum van de Wsnp op 1 februari 2022 moet worden vastgesteld, eerder dan de rechtbank had bepaald.
Het hof verlengde de duur van de schuldsaneringsregeling met zes maanden, waarbij appellanten ontheven zijn van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van hun inspanningsverplichting, met het oog op de formele afwikkeling van de regeling. Het verzoek om terugbetaling van ten onrechte afgedragen bedragen aan de boedel werd afgewezen vanwege onduidelijkheid over de toereikendheid van de boedel.
De beslissing is gebaseerd op de uitleg van de Hoge Raad dat aflossingen tijdens het minnelijke traject ook sparen kunnen omvatten en dat de schuldenaar zich voldoende heeft ingespannen om baten te verwerven. Het hof spoort de rechtbank aan tot een spoedige afwikkeling van de regeling.
Uitkomst: Het hof stelde de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 1 februari 2022 en verlengde de regeling met zes maanden zonder afdracht- en inspanningsverplichtingen.