Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2025:367

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
12 maart 2025
Zaaknummer
200.348.018/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding in civiele procedure

In deze civiele procedure heeft Aqipa hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van de rechtbank Den Haag, waaronder een tussenvonnis van 14 februari 2024 waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde ten aanzien van de vordering tegen Sharp.

Sharp heeft in een incident aangevoerd dat het hoger beroep tegen haar niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het appelexploot pas op 9 oktober 2024 werd uitgebracht, na het verstrijken van de beroepstermijn van drie maanden die op 14 februari 2024 begon te lopen. Aqipa stelde daartegen dat de termijn pas na het vonnis van 10 juli 2024 zou zijn gaan lopen.

Het hof oordeelt dat het tussenvonnis van 14 februari 2024 een eindvonnis is dat de beroepstermijn in werking stelt. Omdat het hoger beroep na het verstrijken van deze termijn is ingesteld, is Aqipa niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen Sharp. De vordering van Sharp tot vergoeding van volledige proceskosten wordt afgewezen wegens ontbreken van misbruik van procesrecht.

Het hof veroordeelt Aqipa in de proceskosten van het incident en legt een wettelijke renteverplichting op bij niet-tijdige betaling. De zaak wordt verwezen naar een rol voor het nemen van memorie van grieven.

Uitkomst: Aqipa wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen Sharp wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.348.018/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/652559 / HA ZA 23-732
Arrest van 18 maart 2025
in het incident in de zaak van
Aqipa GmbH,
gevestigd in Kundl, Oostenrijk,
appellante in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. J.G.J. van Groenendaal, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen

1.Premium Audio Company EMEA B.V.(voorheen: [geïntimeerde 1] Europe B.V.),

gevestigd in Noordwijk,
2. Onkyo Technology KK,
gevestigd in Osaka, Japan,
3. Premium Audio Company LLC,
gevestigd in Orlando, Florida, Verenigde Staten,
4. 11TC LLC,
gevestigd in Orlando, Florida, Verenigde Staten,
5. VOXX International Corporation,
gevestigd in Orlando, Florida, Verenigde Staten,
geïntimeerden sub 1-5 in de hoofdzaak,
advocaat: mr. K.H.M. de Roo, kantoorhoudend in Amsterdam,

6.Sharp Corporation,

gevestigd in Sakai City, Osaka, Japan,
geïntimeerde sub 6 in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. A. Knigge, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna respectievelijk Aqipa, de Voxx-groep (geïntimeerden sub 1-5 in de hoofdzaak) en Sharp.

1.De zaak in het kort

1.1
In een door Aqipa ingesteld hoger beroep werpt Sharp een incident tot niet-ontvankelijkverklaring op. Het hof is van oordeel dat Aqipa niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep tegenover Sharp, omdat het te laat is ingesteld.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 9 oktober 2024, waarmee Aqipa in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2024 en 10 juli 2024;
  • het anticipatie-exploot van 30 oktober 2024 uitgebracht namens de Voxx-groep;
  • de incidentele conclusie houdende exceptie van niet-ontvankelijkheid tevens vordering tot betaling van volledige proceskostenvergoeding van Sharp, met producties 1-7;
  • de conclusie van antwoord in het incident, met productie 67.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Bij de beoordeling van het incident zal worden uitgegaan van het volgende.
3.2
Aqipa heeft Sharp en de Voxx-groep betrokken in een procedure voor de rechtbank Den Haag.
3.3
In die procedure heeft Sharp een incident opgeworpen waarin zij heeft gevorderd dat de rechtbank zich wat betreft de tegen Sharp ingestelde vordering onbevoegd verklaart. De rechtbank heeft in het vonnis van 14 februari 2024 overwogen dat haar geen rechtsmacht toekomt om over de vordering van Aqipa op Sharp te oordelen. In het dictum van het vonnis van 14 februari 2024 heeft zij zich in het geschil tussen Aqipa en Sharp onbevoegd verklaard, Aqipa veroordeeld in de proceskosten van Sharp en die proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.4
In het geschil tussen Aqipa en de Voxx-groep heeft de rechtbank in het dictum van het vonnis van 14 februari 2024 de zaak verwezen naar de rol van 27 maart 2024 voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie door Aqipa, de zaak verder verwezen naar een roldatum in de toekomst voor beraad over het houden van een mondelinge behandeling en iedere verdere beslissing aangehouden.
3.5
Op 10 juli 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen in het geschil tussen Aqipa en de Voxx-groep.
3.6
Bij dagvaardingsexploot van 9 oktober 2024, uitgebracht aan de Voxx-groep en Sharp, is Aqipa in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 14 februari 2024 en 10 juli 2024.
3.7
De advocaat van Sharp heeft bij brief van 6 november 2024 de advocaat van Aqipa verzocht het hoger beroep tegen Sharp in te trekken uiterlijk 8 november 2024 voor 17.00 uur wegens termijnoverschrijding en, voor zover Aqipa nalaat het hoger beroep tijdig in te trekken, Aqipa aansprakelijk gesteld voor alle kosten die Sharp maakt in het hoger beroep.

4.Vordering in het incident

4.1
Sharp vordert in het incident dat Aqipa niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat zij wordt veroordeeld tot vergoeding van de volledige proceskosten in hoger beroep van € 11.267,56.
4.2
Aqipa concludeert tot afwijzing van de vorderingen in het incident.

5.Beoordeling van het incident

5.1
Sharp legt aan haar vordering tot niet-ontvankelijkverklaring ten grondslag dat in de zaak tussen Aqipa en Sharp de termijn voor hoger beroep is gaan lopen op 14 februari 2024 en is verstreken op 14 mei 2024, en dat het appelexploot van 9 oktober 2024 dus na het verstrijken van de beroepstermijn is uitgebracht.
5.2
Aqipa zet daar tegenover dat het appelexploot tijdig is uitgebracht, namelijk binnen drie maanden na het vonnis van 10 juli 2024.
5.3
Dit incident draait om de beantwoording van de vraag of de beroepstermijn tegenover Sharp is gaan lopen op 14 februari 2024, zoals Sharp aanvoert, of op 10 juli 2024, zoals Aqipa betoogt. Als het betoog van Aqipa wordt gevolgd, staat vast dat het appelexploot binnen de beroepstermijn genoemd in art. 339 lid 1 Rv Pro is uitgebracht en dat Aqipa dus ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen Sharp. Als het betoog van Sharp wordt gevolgd, leidt dat ertoe dat het appelexploot tegenover Sharp is uitgebracht op een moment dat de beroepstermijn van art. 339 lid 1 Rv Pro al was verstreken en is Aqipa niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegenover Sharp.
5.4
Naar het oordeel van het hof voert Sharp terecht aan dat in de zaak tussen Aqipa en haar de beroepstermijn is gaan lopen op 14 februari 2024. Met het vonnis in het incident van 14 februari 2024 heeft de rechtbank in het geding tussen Aqipa en Sharp het beroep op haar onbevoegdheid gehonoreerd. Daarmee is het vonnis van 14 februari 2024 een eindvonnis omdat een einde aan de instantie is gemaakt. De daarbij geldende beroepstermijn bedraagt drie maanden en is gaan lopen van de dag van de uitspraak (art. 339 lid 1 Rv Pro). Dat betekent dat de beroepstermijn op 14 februari 2024 is gaan lopen en op 14 mei 2024 is verstreken, zodat het op 9 oktober 2024 ingestelde hoger beroep van Aqipa na het verstrijken van de beroepstermijn en dus te laat is ingediend.
Conclusie en proceskosten
5.5
De conclusie is dat Sharp het incident tot niet-ontvankelijkverklaring terecht heeft opgeworpen. Daarom zal het hof Aqipa niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep tegen Sharp. Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof Aqipa in de kosten van het incident veroordelen.
5.6
Sharp vordert vergoeding van de volledige proceskosten. Daartoe voert Sharp aan dat Aqipa misbruik maakt van procesrecht, omdat het hoger beroep van Aqipa tegen Sharp evident ongegrond is en zij op voorhand wist dat het hoger beroep geen kans van slagen had. Doordat Aqipa haar hoger beroep toch heeft doorgezet, is Sharp geconfronteerd met hoge kosten om zich in hoger beroep te verweren.
5.7
Van misbruik van procesrecht is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daarvan is naar het oordeel van het hof hier geen sprake. Dat Aqipa een standpunt verdedigt dat juridisch niet houdbaar is, is onvoldoende om aan deze maatstaf te voldoen, ook indien (de advocaat van) Sharp (de advocaat van) Aqipa heeft gewezen op de onjuistheid van dat standpunt en heeft geëist dat Aqipa het hoger beroep tegen Sharp intrekt. De vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten zal daarom worden afgewezen.
5.8
De proceskosten van Sharp worden begroot op:
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 1.214,- (1,0 punt × tarief II)
nakosten € 173,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.185,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing
.

6.Beslissing

Het hof:
in het incident:
  • verklaart Aqipa niet-ontvankelijk in haar hoger beroep gericht tegen Sharp;
  • veroordeelt Aqipa in de kosten van dit incident, aan de zijde van Sharp begroot op € 2.185,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Aqipa deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
  • bepaalt dat als Aqipa niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Aqipa de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 90,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Aqipa deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft voldaan;
  • verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 29 april 2025 voor het nemen van memorie van grieven.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, H.J. van Harten en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.