Belanghebbende kreeg twee naheffingsaanslagen opgelegd voor het niet betalen van parkeerbelasting op twee momenten in 2022. Tegen deze aanslagen werd bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag, maar trok dit op 18 februari 2025 in, met een verzoek om proceskostenvergoeding.
De Heffingsambtenaar had in januari 2025 aangegeven de naheffingsaanslagen te willen vernietigen, waarna belanghebbende het hoger beroep introk. Het hof behandelde het verzoek om proceskostenvergoeding op zitting en oordeelde dat de Heffingsambtenaar de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep aan belanghebbende moest vergoeden. De vergoeding werd vastgesteld op € 1.554, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage.
Daarnaast werden de griffierechten van € 188 vergoed. Het hof wees op de regeling voor samenhangende zaken en de wegingsfactor van 0,5 conform het richtsnoer van het Gerechtshof Den Haag 2024. De uitspraak werd op 3 april 2025 in het openbaar uitgesproken en partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot cassatie.