ECLI:NL:GHDHA:2025:833
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen naheffingsaanslag bpm wegens waardevermindering schade en proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft tegen een naheffingsaanslag bpm hoger beroep ingesteld. De aanslag betrof twee gebruikte auto's, waarbij discussie bestond over de waardevermindering door schade en de juiste handelsinkoopwaarde. De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard en deels ongegrond, en wees een proceskostenvergoeding toe, maar wees een vergoeding voor immateriële schade af.
In hoger beroep betwist belanghebbende de deskundigheid van de hertaxateur van DRZ en stelt dat de waardevermindering groter is dan erkend. Het hof oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er meer schade was dan normale gebruikssporen. Ook het ontbreken van een Nederlandstalig instructieboekje leidt niet tot waardevermindering. De handelsinkoopwaarde van de tweede auto wordt vastgesteld op €20.000, omdat geen bruikbare referentievoertuigen zijn aangedragen.
Het hof acht het hoger beroep gegrond vanwege toekenning van een hogere vergoeding voor de bezwaarfase en een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van €500 immateriële schade, proceskosten van €3.561,50 en het griffierecht van €559. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze betrekking heeft op proceskosten en immateriële schadevergoeding.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard; proceskosten en immateriële schadevergoeding toegekend; naheffingsaanslag deels gehandhaafd.