ECLI:NL:GHDHA:2025:98
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- R.A. Bosman
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- R.M. Hermans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na geschil over vergelijkingsobjecten en toezendplicht
Belanghebbende is eigenaar van een parterre-portiekwoning en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €220.000 voor het jaar 2022. Hij vordert een lagere waarde van €125.000 en stelt dat de Heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woning en vergelijkingsobjecten. Tevens klaagt hij over het niet toezenden van bepaalde stukken in de bezwaarfase en onvoldoende motivering van de uitspraak op bezwaar.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, stellende dat de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Het taxatieverslag en de matrix met vergelijkingsobjecten tonen een systematische vergelijking met woningen van gelijke aard en ligging. De rechtbank oordeelde dat de door belanghebbende aangevoerde vergelijkingsobjecten niet vergelijkbaar zijn en dat de Heffingsambtenaar geen grondstaffels of VLOK-/KOUDV-factoren gebruikte.
In hoger beroep bevestigt het Gerechtshof deze beoordeling. Het Hof stelt dat de iWOZ-kaarten en bouwtekeningen niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en dat de Heffingsambtenaar zijn toezendplicht niet heeft geschonden. Ook is geen sprake van schending van het motiveringsbeginsel. De waarde is naar het oordeel van het Hof niet te hoog vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €220.000 blijft gehandhaafd.