ECLI:NL:GHDHA:2026:10

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
200.353.010/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg cao primair onderwijs en arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd

In deze zaak gaat het om de uitleg van de cao voor het primair onderwijs met betrekking tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde en onbepaalde tijd. Verzoekster, werkzaam als Onderwijsassistent A, had na een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van twaalf maanden een tweede arbeidsovereenkomst voor dezelfde duur gesloten. De werkgeefster, Stichting De Haagse Scholen (DHS), heeft aan verzoekster meegedeeld dat deze tweede overeenkomst van rechtswege zou eindigen. Verzoekster stelt echter dat deze tweede overeenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geworden, omdat de cao slechts in zeer bijzondere gevallen een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd toestaat. Het hof oordeelt dat DHS in strijd heeft gehandeld met de cao door een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan, en dat er van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Het hof wijst het verzoek van verzoekster tot betaling van achterstallig loon toe en verklaart dat DHS haar in haar functie moet wedertewerkstellen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
zaaknummer: 200.353.010/01
zaaknummer rechtbank Den Haag: 11167416 \ RP VERZ 24-50363
beschikking van 13 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J.M. Eerkes, kantoorhoudend te Den Haag,
tegen
STICHTING DE HAAGSE SCHOLEN,
gevestigd te Den Haag,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. H.J. Brouwer, kantoorhoudend te Huis ter Heide.
Partijen worden hierna [verzoekster] en DHS genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze zaak twisten partijen over de uitleg van de cao voor het primair onderwijs. Na een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (twaalf maanden), hebben partijen opnieuw een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (eveneens twaalf maanden) gesloten. De werkgeefster heeft de werkneemster laten weten dat deze tweede arbeidsovereenkomst van rechtswege zal eindigen. De werkneemster heeft zich na enige tijd op het standpunt gesteld dat deze tweede arbeidsovereenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is. Aan de orde komen onder meer de volgende vragen:
- Was het nogmaals sluiten van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.1 lid 2 cao toegestaan? Daarin is bepaald dat alleen “in zeer bijzondere gevallen” nog eenmaal een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden aangegaan.
- Zo nee, is het gevolg van schending van deze bepaling dat van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan?
- Moet de mededeling van de werkgeefster dat de tweede arbeidsovereenkomst van rechtswege zal eindigen, worden uitgelegd als opzegging?
Anders dan de kantonrechter heeft gedaan, volgt het hof de werkneemster in haar standpunten en wijst, kort gezegd, het verzoek tot betaling van achterstallig loon toe.

2.Procesverloop in hoger beroep

[verzoekster] is bij beroepschrift (met producties), ontvangen ter griffie van het hof op 27 maart 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 2 januari 2025 onder bovenvermeld zaaknummer. [verzoekster] heeft de processtukken in eerste aanleg overgelegd. Zij heeft het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg als productie 23 nagestuurd.
Vervolgens is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van DHS ingekomen.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 14 november 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feitelijke achtergrond

Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.
[verzoekster] is op 1 augustus 2021 voor twaalf maanden in algemene dienst getreden bij DHS op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de functie van Onderwijsassistent A. [verzoekster] was werkzaam op de Openbare Basisschool Anne Frank in Den Haag.
3.2.
Op 1 augustus 2022 hebben partijen de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met twaalf maanden verlengd.
3.3.
In beide arbeidsovereenkomsten is een nagenoeg gelijkluidende bepaling met de volgende inhoud opgenomen:
Bij functioneren naar wederzijdse tevredenheid is het de intentie van werkgever deze arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
3.4.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het primair onderwijs (hierna: de cao) van toepassing. In de cao staat in de toepasselijke versies 2021, 2022 en 2022-2023 de volgende gelijkluidende bepaling (artikel 3.1 leden 1 en 2):
3.1
Arbeidsovereenkomst
1. Een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde of onbepaalde tijd.
2. Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst niet zijnde voor vervanging of werkzaamheden van kennelijke tijdelijke aard, is het uitgangspunt een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In dit geval kan eenmaal een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor ten hoogste 12 maanden worden aangegaan. Deze arbeidsovereenkomst wordt aangeboden met uitzicht op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Alleen in zeer bijzondere gevallen kan hierna nog eenmaal een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
worden aangegaan gedurende een periode van maximaal 12 maanden.
3.5.
Bij brief van 15 juni 2023 heeft DHS aan [verzoekster] meegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd en op 31 juli 2023 van rechtswege zal eindigen. In verband met het einde van haar arbeidsovereenkomst heeft [verzoekster] in juli 2023 de eindafrekening van haar salaris ontvangen.
3.6.
Op 25 april 2024 heeft [verzoekster] zich bij monde van haar advocaat beroepen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en is DHS gesommeerd tot wedertewerkstelling van [verzoekster] , betaling van het achterstallige loon, vakantietoeslag en de wettelijke verhoging.
3.7.
DHS heeft daarop op 12 juni 2024 gereageerd en zich daarbij, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] per 1 augustus 2023 onherroepelijk is geëindigd.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
In eerste aanleg heeft [verzoekster] de kantonrechter verzocht om een verklaring voor recht dat er per 1 augustus 2022 sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarnaast heeft [verzoekster] verzocht DHS te veroordelen tot wedertewerkstelling in haar functie van Onderwijsassistent A. Verder heeft zij veroordeling van DHS verzocht tot betaling aan haar van achterstallig loon, vakantiegeld, vakantiedagen, een en ander met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Zij heeft ook een beslissing over de proceskosten gevraagd.
4.2.
DHS heeft zich gemotiveerd verweerd tegen deze verzoeken.
4.3.
De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoekster] afgewezen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1.
Tegen de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komt [verzoekster] op met vijf grieven. Het beroep strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en,
primair, de verzoeken in eerste aanleg van [verzoekster] alsnog zal toewijzen.
Subsidiair, indien sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, verzoekt [verzoekster] veroordeling van DHS tot betaling aan haar van achterstallig loon (met vakantiegeld en uitbetaling van vakantiedagen) vanaf 31 juli 2023 t/m 31 juli 2024, een en ander met wettelijke verhoging en wettelijke rente, met beslissing over de proceskosten.
5.2.
Het verweerschrift van DHS in hoger beroep strekt
primairertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten. S
ubsidiair, indien het hof bepaalt dat sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd gedurende de periode 1 augustus 2023 tot 1 augustus 2024, verzoekt DHS dat het hof rekening zal houden met een aantal door haar genoemde omstandigheden, zoals genoemd in onderdeel (b) in de conclusie van het verweerschrift.
5.3.
Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.
5.4.
Het primaire standpunt van [verzoekster] houdt in dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt. Zij stelt daartoe, kort gezegd, (i) dat artikel 3.1 lid 2 van de cao is geschonden door DHS en (ii) dat deze schending een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd doet ontstaan.
Schending artikel 3.1 lid 2 cao?
5.5.
Partijen zijn het erover eens dat tussen hen geen arbeidsovereenkomst is gesloten voor vervanging of werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard. In dat geval is op grond van artikel 3.1 lid 2 cao bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst het uitgangspunt een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In dit artikel is verder bepaald dat eenmaal een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor ten hoogste twaalf maanden kan worden aangegaan en dat deze arbeidsovereenkomst wordt aangeboden met uitzicht op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ten slotte is in dit artikel bepaald dat alleen in zeer bijzondere gevallen hierna nog eenmaal een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden aangegaan gedurende een periode van maximaal twaalf maanden.
5.6.
Volgens DHS deed zich voorafgaand aan het sluiten van de tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een zodanig “zeer bijzonder geval” voor. Zij verwijst daartoe naar de eigen e-mail van [verzoekster] van 4 september 2022 aan de directeur van de school waar zij op dat moment werkzaam was. [verzoekster] besprak in deze e-mail een gesprek dat zij op 31 augustus 2022 had met de directeur. Het komt erop neer dat twijfel bestond over het functioneren van [verzoekster] , maar dat men haar een tweede kans heeft willen geven door middel van een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
5.7.
[verzoekster] heeft naar voren gebracht dat de door DHS gestelde reden om na afloop van de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden (maar opnieuw een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd) niet een “zeer bijzonder geval” oplevert.
5.8.
Voor de uitleg van deze bepaling en de overige inhoud van de cao geldt dat hieraan een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. In beginsel zijn de bewoordingen gelezen in het licht van de gehele tekst van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de regels tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de regels zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de uitleg.
5.9.
Toepassing van deze maatstaf voert het hof tot de conclusie dat de door DHS verdedigde uitleg niet als juist kan worden aanvaard.
5.10.
Van belang is dat in de cao, als gezegd, het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd het uitgangspunt is. Het sluiten van de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was daarmee al een afwijking van dat uitgangspunt. Aangenomen moet daarom worden dat het
nogmaalssluiten van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in nog sterkere mate afwijkt van het in de cao vooropgezette uitgangspunt. In artikel 3.1 lid 2 van de cao is dat tot uitdrukking gebracht door de formulering dat
eenmaaleen arbeidsovereenkomst voor (bepaalde tijd van) ten hoogste twaalf maanden kan worden aangegaan en dat
alleen in zeer bijzondere gevallennog eenmaal een verlenging voor bepaalde tijd kan worden aangegaan. Aan het voorgaande kan in de onderhavige zaak nog worden toegevoegd dat [verzoekster] vanaf 17 september 2020 in het kader van een praktijkovereenkomst tot het ingaan van de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een stage heeft gedaan bij DHS als Onderwijsassistent.
5.11.
Het hof is van oordeel dat tegen deze achtergrond een discussie tussen partijen over het functioneren van [verzoekster] en twijfel daarover bij DHS redelijkerwijs buiten de reikwijdte vallen van “in zeer bijzondere gevallen” in de meergenoemde cao-bepaling, waarbij nog opmerking verdient dat een ‘officiële’ toelichting op de desbetreffende cao-tekst ontbreekt. Het betoog van DHS ter zitting van het hof dat een functioneringsdiscussie – in de praktijk –
juistvaak een aanknopingspunt vormt voor het aanbieden van een tweede contract voor bepaalde tijd om werknemers (zoals [verzoekster] ) een ‘tweede kans’ te bieden in plaats van een einde van hun arbeidsovereenkomst, volgt het hof dus niet. Volgens de tekst van de cao is die keuzemogelijkheid er niet, althans alleen in zeer bijzondere gevallen, waarbij de stelplicht en bewijslast op DHS als werkgeefster rusten om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen die de kwalificatie van “zeer bijzonder geval” kunnen dragen. Daaraan heeft DHS niet voldaan.
5.12.
Het hof neemt dus als vaststaand aan dat DHS heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3.1 lid 2 cao door nogmaals een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan met [verzoekster] . De vragen of de door DHS genoemde twijfels over het functioneren van [verzoekster] gegrond waren, of de beslissing van DHS om [verzoekster] niet een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden in strijd was met een eerdere toezegging en of het [verzoekster] destijds duidelijk is geweest waarom DHS niet bereid was een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te gaan, kunnen bij deze stand van zaken verder onbesproken blijven.
5.13.
De omstandigheid dat [verzoekster] is ingegaan op het aanbod van DHS om voor de tweede maal een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te sluiten, betekent niet dat het haar niet meer vrij zou staan zich naderhand op het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te beroepen. Voor zover DHS dit heeft willen betogen, wordt haar verweer verworpen.
Gevolg van schending artikel 3.1 lid 2 cao
5.14.
De kantonrechter heeft overwogen dat noch uit de cao noch uit de wet voortvloeit dat schending van artikel 3.1 lid 2 cao van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd doet ontstaan. De tekst van de cao en de officiële toelichting daarop geven voor een dergelijke uitleg volgens de kantonrechter geen enkel aanknopingspunt. Goed werkgeverschap bracht enkel met zich dat DHS per 1 augustus 2022 aan [verzoekster] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had dienen aan te bieden, aldus nog steeds de kantonrechter.
5.15.
De hiertegen gerichte grief 1 slaagt.
5.16.
Het is op zichzelf juist dat in de cao niet is geregeld welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan het, in strijd met artikel 3.1 lid 2 cao, opnieuw sluiten van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Dit gegeven pleit voor de uitleg die de kantonrechter heeft gegeven. Die uitleg wint mogelijk aan kracht nu in artikel 3.1 lid 3 cao voor werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard met zoveel woorden is verwezen naar de wettelijke ketenregeling, waaronder begrepen het in artikel 7:668a lid 1, aanhef en onder a en b, BW geregelde rechtsgevolg dat, kort gezegd, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Die verwijzing ontbreekt in artikel 3.1 lid 2 cao. Een ander argument dat in dezelfde richting wijst, is het volgende. De vraag of zich “een zeer bijzonder geval” voordoet als bedoeld in artikel 3.1 lid 2 cao, zal niet altijd op voorhand met voldoende zekerheid kunnen worden beantwoord. Datzelfde zou dan kunnen gelden voor de beantwoording van de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dan wel voor onbepaalde tijd geldt. Daarmee is de rechtszekerheid in het geding.
5.17.
Daartegenover staat het volgende. Het voorschrift van artikel 3.1 lid 2 cao, waarin het uitgangspunt van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd centraal staat, beoogt de positie van de werknemer te beschermen. Aan een doeltreffende handhaving van dit voorschrift zou afbreuk worden gedaan als, met de kantonrechter, zou worden aangenomen dat goed werkgeverschap enkel meebrengt dat de werkgever een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had dienen aan te bieden. Het is aannemelijk dat een sanctie zoals voorzien in artikel 7:668a lid 1 BW effectiever is. Deze uitleg van artikel 3.1 lid 2 cao past in het systeem van deze wettelijke regeling.
5.18.
Voor het hof wegen de argumenten onder 5.17 genoemd het zwaarst. Wat het argument van de rechtszekerheid betreft, kan nog worden opgemerkt dat dit argument minder gewicht in de schaal legt omdat niet snel sprake zal zijn van een uitzondering op de hoofdregel (immers:
alleen in zeer bijzondere gevallen) zoals de tekst van artikel 3.1 lid 2 cao voorschrijft.
5.19.
DHS heeft daarnaast aangevoerd dat uit artikel 3.3 van de cao volgt dat nog eenmaal een nieuwe verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden aangegaan, zonder dat daarbij de eis geldt dat dit alleen in zeer bijzondere gevallen kan.
5.20.
Dit verweer houdt geen stand. De artikelen 3.1 en 3.3 van de cao moeten in samenhang worden gelezen. De mogelijkheid die is genoemd in artikel 3.3, aanhef en onder b, cao om nog eenmaal een nieuwe verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan, moet in samenhang worden gelezen met de laatste volzin van artikel 3.1 lid 2 cao. Gelet op die samenhang, bestaat geen grond artikel 3.3, aanhef en onder b, cao zó uit te leggen dat voor het nog eenmaal aangaan van een nieuwe verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
nietzou gelden dat die mogelijkheid alleen in zeer bijzondere gevallen bestaat.
5.21.
Het hof beslist dus dat de laatste tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.
Moet de mededeling door DHS bij brief van 15 juni 2023 worden uitgelegd als opzegging?
5.22.
De tekst van de brief van DHS aan [verzoekster] van 15 juni 2023 luidt als volgt:
ONDERWERP
Beëindiging arbeidsovereenkomst van rechtswege
(…)
Beste [verzoekster] ,
Hierbij bevestigen wij dat jouw huidige arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd. Dat betekent dat jouw arbeidsovereenkomst zal lopen tot en met 31 juli 2023 en daarna van rechtswege zal eindigen.
Uiterlijk een maand nadat jouw arbeidsovereenkomst is geëindigd, zal een eindafrekening worden opgemaakt van de transitievergoeding, het vakantiegeld, de eindejaarsuitkering en eventuele overige emolumenten. In verband met de beëindiging van jouw arbeidsovereenkomst, wijzen wij je erop dat je zelf tijdig contact dient op te nemen met het UWV voor de aanvraag van een eventuele werkloosheidsuitkering.
Houd er rekening mee dat de toegang tot jouw dossier zal komen te vervallen op het moment dat je uit dienst gaat. Mocht je nog loonstroken of andere documenten uit jouw dossier nodig hebben, dan raden wij je aan om deze zo snel mogelijk uit het dossier te downloaden.
Wij gaan er vanuit je hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd en wensen je veel succes in de toekomst. Wij danken je voor jouw inzet in de periode dat je bij ons in dienst bent geweest.
(…)
5.23.
DHS heeft betoogd dat, als er wel sprake zou zijn van een dienstverband voor onbepaalde tijd, de arbeidsovereenkomst is opgezegd bij brief van 15 juni 2023 (hiervóór in rov. 5.22 geciteerd). De aanzegging kan volgens DHS worden gezien als een opzegging. [verzoekster] heeft daartegen ingebracht dat de aanzegging van 15 juni 2023 niet als opzegging heeft te gelden omdat uit de brief duidelijk blijkt dat het alleen een aanzegging betreft. In de tekst van de brief is tot uitdrukking gebracht dat het einde van de arbeidsovereenkomst zou worden bewerkstelligd door de wet (het van rechtswege eindigen door het verstrijken van de overeengekomen duur) en niet door een opzegging. Zij hoefde de brief niet op te vatten als een opzegging, aldus [verzoekster] . Beide partijen hebben in dit verband gewezen op de beschikking van de Hoge Raad van 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2905 (
Constar).
5.24.
Het hof ziet in de omstandigheden van deze zaak geen grond om de brief van DHS aan [verzoekster] van 15 juni 2023 uit te leggen als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. De tekst van de brief geeft daarvoor geen aanleiding. De bevestiging door DHS dat de bestaande arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd en de mededeling dat dat betekent dat de arbeidsovereenkomst zal lopen tot en met 31 juli 2023 en daarna van rechtswege zal eindigen, wijzen erop dat DHS met haar brief slechts het bepaalde in artikel 7:668 lid 1 BW voor ogen had, namelijk het voldoen aan de aanzegverplichting bij een overeenkomst voor bepaalde tijd. Een aanzegging in geval van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is zinledig. Het hof is van oordeel dat [verzoekster] deze brief redelijkerwijze niet hoefde op te vatten als een opzegging. De gang van zaken voorafgaand aan deze brief biedt daarvoor geen aanknopingspunt. Zowel DHS als [verzoekster] verkeerden destijds – ten onrechte – in de veronderstelling dat tussen hen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gold, terwijl – zo volgt uit de voorgaande overwegingen van het hof – op basis van de cao sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. DHS heeft met deze misvatting over de geldende looptijd [verzoekster] op het verkeerde been gezet. In dit licht is de afscheidsbrief van [verzoekster] aan haar collega’s te verklaren en haar ook niet aan te rekenen. DHS is nadien aan haar standpunt blijven vasthouden. Immers, nadat [verzoekster] zich bij brief van 25 april 2024 van haar advocaat aan DHS op het standpunt had gesteld dat de laatste arbeidsovereenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was, heeft DHS in haar inhoudelijke reactie bij e-mail van 12 juni 2024 niet gesteld dat de aanzegging moest worden aangemerkt als opzegging. Integendeel, ook toen voerde DHS aan dat het dienstverband voor bepaalde tijd van rechtswege was geëindigd door het verstrijken van de tijd waarvoor het was aangegaan. In het licht van een en ander kan DHS [verzoekster] bezwaarlijk tegenwerpen dat zij wel (en DHS zelf kennelijk niet) had moeten begrijpen dat de aanzegging had moeten worden begrepen als opzegging. Uitleg van de aanzegging als opzegging zou bovendien meebrengen dat de wettelijke vervaltermijn van twee maanden zou zijn gaan lopen (na de dag waarop de arbeidsovereenkomst was geëindigd). Ook dat voor [verzoekster] verstrekkende rechtsgevolg moet worden meegewogen bij de uitleg en leidt er eens te meer toe dat de uitleg van DHS niet kan worden aanvaard. Het gegeven dat het voor [verzoekster] duidelijk was dat er een einde kwam aan de arbeidsovereenkomst (met als reden dat DHS niet met [verzoekster] verder wilde, terwijl [verzoekster] juist meermalen om een vast arbeidscontract had verzocht) leidt niet tot een ander oordeel. Waar het om gaat, is of [verzoekster] redelijkerwijs uit de brief van DHS van 15 juni 2023 heeft moeten afleiden dat haar arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werd opgezegd. Dat was, als gezegd, niet het geval. Het volgende verdient nog opmerking. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de advocaat van [verzoekster] aldaar gezegd “Het was [verzoekster] wel duidelijk dat de werkgever de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen”. In het licht van het gehele partijdebat leest het hof daarin niet een erkenning dat het [verzoekster] duidelijk was dat DHS de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen. DHS heeft dat terecht ook niet aangevoerd.
5.25.
Omdat het hof de brief van 15 juni 2023 niet uitlegt als opzegging van de arbeidsovereenkomst, slaagt het beroep van DHS op de vervaltermijn van artikel 7:686a, aanhef en onder a, BW niet.
5.26.
DHS heeft aangevoerd dat het in strijd met de rechtszekerheid van DHS zou zijn als een werknemer zich nog zo lang na het feitelijk eindigen van het dienstverband met succes kan beroepen op de nietigheid daarvan. Mogelijk heeft DHS bedoeld te stellen dat het standpunt van [verzoekster] dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit verweer faalt. Het is immers DHS zelf die heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3.1 lid 2 van de cao en die in het verlengde daarvan [verzoekster] op het verkeerde been heeft gezet door haar te laten denken dat zij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had, die van rechtswege zou eindigen. Onder deze omstandigheden kan DHS niet met succes aan [verzoekster] tegenwerpen dat de rechtszekerheid van DHS in het gedrang is gekomen.
Matiging loonbetaling?
5.27.
Voor het geval het hof van mening zou zijn dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, heeft DHS de volgende verweren gevoerd: het verzoek tot veroordeling van DHS tot betaling van achterstallig loon, inclusief emolumenten, moet worden afgewezen of dit moet aanzienlijk worden gematigd omdat [verzoekster] gedurende de gehele periode geen werkzaamheden heeft verricht en bovendien pas op 25 april 2024 voor het eerst heeft gemaild dat zij weder te werk wilde worden gesteld. Daarnaast heeft zij bewust geen WW-uitkering aangevraagd, terwijl zij daar wel aanspraak op had. Toewijzing van het verzoek zou tot onaanvaardbare gevolgen leiden, waarbij in ogenschouw moet worden genomen dat toewijzing ten koste zou gaan van geld dat is bedoeld voor het geven van goed onderwijs voor leerlingen van DHS.
5.28.
Het hof ziet in de door DHS aangevoerde omstandigheden onvoldoende grond tot matiging, laat staan afwijzing, over te gaan omdat het geen onaanvaardbare gevolgen aanwezig acht. Uit zowel de reactie van [verzoekster] in haar e-mail van 28 juni 2023 aan haar collega’s als uit haar vele sollicitaties (óók bij DHS) volgt dat [verzoekster] graag verder aan de slag had willen gaan bij DHS. Dat zij feitelijk niet meer heeft gewerkt na 31 juli 2023 komt daarom voor rekening van DHS. Het argument dat [verzoekster] pas op 25 april 2024 voor het eerst heeft gemaild dat zij weder te werk wilde worden gesteld, faalt op overeenkomstige gronden als hiervóór onder 5.26 weergegeven. Het argument dat [verzoekster] aanspraak had op een WW-uitkering is niet juist. Geoordeeld is immers dat zij in dienst is gebleven van DHS. Ten slotte faalt ook het argument dat betaling van loon aan [verzoekster] ten koste zou gaan van geld dat is bedoeld voor onderwijs. Ook het loon van [verzoekster] is daarvoor bedoeld, wat er verder zij van dit argument.
Slotsom
5.29.
De voorgaande overwegingen voeren tot de slotsom dat de grieven 1 en 2 gegrond zijn. Hetzelfde geldt voor grief 4, die daarop voortbouwt. Grief 3 behelst een andere grondslag voor toewijzing en behoeft geen afzonderlijke bespreking. De bestreden beschikking kan dus niet in stand blijven.
5.30.
Voor de beoordeling van de verzoeken van [verzoekster] betekent dit het volgende.
5.31.
De verzochte verklaring voor recht dat per 1 augustus 2022 sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is toewijsbaar.
5.32.
Het verzoek tot wedertewerkstelling in haar organisatie (niet noodzakelijk de Anne Frank Openbare Basisschool) is eveneens toewijsbaar. Het hof acht de door [verzoekster] verzochte termijn (binnen twee weken na de uitspraak) echter te kort. Het hof zal een ruimere termijn stellen. Het hof zal geen dwangsom aan deze veroordeling verbinden omdat het ervan uitgaat dat DHS ook zonder dwangsom uitvoering zal geven aan de uitspraak van het hof.
5.33.
Ook het door [verzoekster] geformuleerde verzoek tot betaling van achterstallig loon, het bruto loon van € 1.826,64 per maand, vanaf 31 juli 2023 tot en met de datum van deze uitspraak is toewijsbaar;
5.34.
Eveneens is toewijsbaar de gevraagde veroordeling tot betaling van het vakantiegeld vanaf 31 juli 2023 tot en met de datum van deze uitspraak. Niet toewijsbaar is het verzoek tot veroordeling tot uitbetaling van de vakantiedagen over deze periode omdat geen sprake is van het einde van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:641 lid 1 BW).
5.35.
Het hof zal de gevraagde wettelijke verhoging matigen tot 15%. Dit percentage komt het hof billijk voor omdat het geschil tussen partijen in belangrijke mate voortvloeit uit een verschil van mening over de juiste uitleg van de tussen hen geldende cao, waarbij het hof het standpunt van DHS niet als onredelijk aanmerkt.
5.36.
Eveneens is toewijsbaar het verzoek tot betaling van de wettelijke rente.
Bewijsaanbod
5.37.
Het hof wijst het algemene bewijsaanbod van DHS als te vaag van de hand.
Proceskosten
5.38.
De hiervoor besproken uitkomst van het hoger beroep brengt mee dat DHS moet worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. Ook grief 5 slaagt dus.
5.39.
De proceskosten in eerste aanleg worden begroot op € 1.086,- (2 punten à € 543,-).
5.40.
De proceskosten in hoger beroep worden begroot op:
griffierecht € 362,-
salaris advocaat € 3.062,- (2 punten × tarief III)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.602,-.
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

6.Beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking;
opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat tussen partijen per 1 augustus 2022 sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;
veroordeelt DHS om [verzoekster] uiterlijk acht weken na de datum van deze beschikking in haar functie van Onderwijsassistent A te werk te stellen in haar organisatie;
veroordeelt DHS tot betaling aan [verzoekster] van achterstallig loon, het bruto loon van € 1.826,64 per maand, vanaf 31 juli 2023 tot en met de datum van deze uitspraak;
veroordeelt DHS tot betaling aan [verzoekster] van het vakantiegeld vanaf 31 juli 2023 tot en met de datum van deze uitspraak;
veroordeelt DHS tot betaling aan [verzoekster] van 15% wettelijke verhoging over het achterstallige loon en vakantiegeld;
veroordeelt DHS tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt DHS in de kosten van de eerste aanleg en begroot deze aan de zijde van [verzoekster] op € 1.086,- , te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan deze kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt DHS in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [verzoekster] op € 3.602,-, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan deze kostenveroordeling is voldaan;
bepaalt dat als DHS niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, DHS de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, M.J. van Cleef-Metsaars en L.G. Verburg, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.