ECLI:NL:GHDHA:2026:121

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
200.331.294/03
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 7:220 lid 1 BWArt. 8 EVRMArtikel 9.2 Algemene Huurvoorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming na mishandeling schilder door huurder

De huurder [appellant] huurt sinds december 2022 een woning van WoonInvest. Op 16 februari 2023 mishandelde hij een schilder die werkzaamheden uitvoerde met een metalen staaf, wat leidde tot kneuzingen bij de schilder. De kantonrechter ontbond de huurovereenkomst en veroordeelde de huurder tot ontruiming, waarbij het beroep op noodweer werd afgewezen.

In hoger beroep bevestigt het hof deze beslissing. Het hof stelt vast dat de huurder de confrontatie onnodig heeft gezocht en dat zijn verklaring over noodweer ongeloofwaardig is. Diverse getuigenverklaringen ondersteunen dat de huurder de schilder al sloeg voordat de opzichter arriveerde en dat er geen sprake was van een zodanige bedreiging die het slaan rechtvaardigde.

Het hof overweegt dat de huurder zich niet als goed huurder heeft gedragen en ernstig tekort is geschoten in zijn verplichtingen. De noodzakelijke schilderwerkzaamheden moesten worden geduld. Het beroep op verzachtende omstandigheden zoals gezondheidsproblemen en mantelzorg faalt. Het hoger beroep wordt afgewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeelt de huurder tot ontruiming en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.331.294/03
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10476657 RL EXPL 23-7146
Arrest van 10 februari 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
eiser in het schorsingsincident,
advocaat: mr. J.J.A. Bosch, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
Stichting WoonInvest
gevestigd in Voorburg,
geïntimeerde,
verweerster in het schorsingsincident,
advocaat: mr. S.F. Dik, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en WoonInvest.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] huurt van WoonInvest woonruimte in een flatgebouw. Hij heeft een schilder die daar werkzaamheden uitvoerde mishandeld met een metalen staaf. Hierop heeft de kantonrechter op vordering van WoonInvest de huurovereenkomst ontbonden en de ontruiming door [appellant] van zijn woning gelast. De kantonrechter heeft daarbij het beroep van [appellant] op noodweer verworpen.
1.2
Het hof is het hiermee eens en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 8 augustus 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 20 juli 2023;
  • de memorie van grieven van [appellant] van 22 augustus 2023, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van WoonInvest van 12 september 2023, met bijlagen;
  • het arrest van dit hof van 12 september 2023, waarin een enkelvoudige mondelinge behandeling is gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 november 2023 met de daarin genoemde stukken; ([appellant] heeft hierbij een schorsingsincident opgeworpen);
  • het ambtshalve royement van 12 december 2023;
  • (na hernieuwde opbrenging) de antwoord-conclusie van WoonInvest van 1 oktober 2024 in het schorsingsincident;
  • de bijlagen nrs. 14 en 15 die WoonInvest ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de bijlagen 1, 2 en 3, alsmede C t/m G, die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op verzoek van [appellant] heeft weer een mondelinge behandeling plaatsgevonden, en wel op 5 januari 2026, deze keer meervoudig. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Bosch desgevraagd gezegd dat uitsluitend gehandhaafd wordt het horen van de getuige [verbalisante] (verbalisante bij politie Haaglanden).

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[appellant] huurt sinds 22 december 2022 van WoonInvest de woning aan de [adres 1] in [plaats] (hierna: de woning). De woning is gelegen op de elfde verdieping van een uit twaalf verdiepingen bestaand flatgebouw.
3.2
In het flatgebouw waar [appellant] woont zijn in opdracht van WoonInvest schilderwerkzaamheden uitgevoerd door [naam bedrijf]. Op 16 februari 2023 waren schilders aan het werk op het balkon van [appellant]. Die dag heeft zich een incident voorgedaan tussen [appellant] en één van de schilders, te weten [schilder 1] (hierna: [schilder 1] of [schilder 1]). [appellant] heeft [schilder 1] toen op zijn arm geslagen met een metalen staaf. [schilder 1] heeft hierdoor kneuzingen opgelopen. [schilder 1] heeft op 21 februari 2023 aangifte van mishandeling door [appellant] gedaan. [appellant] heeft op zijn beurt op 13 maart 2023 tegenover verbalisante [verbalisante] aangifte gedaan van bedreiging door [schilder 1].
3.3
Over dit incident zijn onder meer de volgende schriftelijke verklaringen overgelegd (zie overwegingen 3.4 t/m 3.10).
3.4
[schilder 1]heeft op 21 februari 2023 in zijn aangifte bij de politie het volgende verklaard:
"Ik ben schilder van beroep en het bedrijf waar ik werk, [naam bedrijf], doet bij de flat groot onderhoud. Omstreeks 14.30 uur was ik met twee collega's aan het werk op een balkon op de 12e verdieping. Wij waren hier voorwerk aan het doen wat bestaat uit schuren, kitten en plamuren. Ineens hoorde wij beneden ons een harde klap. Je kon horen dat het metaal op metaal was. Ik keek over het balkon op de twaalfde verdieping heen en vroeg: buurman gaat het goed? De man die op het balkon stond zei: Jij bent niet mijn buurman, jij woont toch niet hier? Ik ben die herrie helemaal zat.Omstreeks 15.00 uur gingen wij naar het balkon van de persoon die vlak ervoor had gezegd dat hij de herrie zat was. Dit was bij de [adres 1]. Alle bewoners van de flat hebben, voordat wij met de klus begonnen, een brief gehad dat zij niet op de balkons mogen komen tijdens onze werkzaamheden. De originele balkonhekken zijn weggehaald en wij hebben noodhekken geplaatst. Wij zijn bij het balkon van huisnummer [huisnummer] gaan schuren, dit was met de hand.Omstreeks half vier kwam de bewoner, die ik al eerder gezien had, naar buiten en wilde direct mijn collega, genaamd [schilder 2][hof: [schilder 2]]
aan slaan. (…). Ik hoorde [schilder 2] zeggen: ‘het is goed, we gaan zo weg want het is ook tijd voor ons'. [schilder 2] is nog maar een leerling van 18 jaar en ik zag aan de jongen dat hij bang was. [schilder 2] liep weg over de steiger maar de man ging er nog een stukje achteraan. Ik hield het in de gaten en zei toen tegen de man 'meneer wilt u even rustig doen’. Hierop draaide de man zich om naar mij. Hij zag er agressief uit, ik zag dit aan zijn ogen, en schreeuwde een aantal woorden die ik niet verstaan heb. Ik hoorde de man zeggen 'wacht maar jij : Ik zag dat de man zich omdraaide naar de deuropening. Ik zag dat de man iets pakte. De man draaide zich weer naar mij om en begon mij te slaan met een ijzeren stok.Ik kon mijn linkerarm voor mij houden om de klappen af te weren. Hierdoor heeft de man mij alleen van mijn linker schouder tot mijn linker vinger geraakt. Ik veel klappen van de man gehad, ik weet niet precies hoeveel. Uit reactie heb ik een hamer gepakt, tegelijkertijd dacht ik 'ik moet hen niet raken anders sla ik dadelijk zijn hersens in’.Mijn collega, genaamd [schilder 3][hof: [schilder 3]]
, probeerde de man weg te trekken (…), hij is ook een leerling. Na ongeveer een kwartier hield de man op met slaan. De uitvoerder, genaamd [uitvoerder], was inmiddels naar boven gekomen met nog een andere collega, hiervan weet ik de naam niet, en zij zijn met de man gaan praten. Op dat moment ben ik met mijn collega [schilder 3] naar beneden gegaan.De volgende dag ben ik naar de huisarts gegaan. Ik had veel pijn maar ga niet zo snel naar de huisarts. Het bedrijf heeft mij eigenlijk gedwongen om te gaan. De huisarts constateerde dat er niets gebroken was maar dat alles beurs was. Ik ben op een ander project te werk gesteld door mijn werkgever. (…)
3.5
[schilder 2]heeft op 6 april 2023 verklaard:
“Toen het tijd was om op te ruimen waren ik en [schilder 1] op meneer zijn balkon aan het opruimen. We gingen de resterende gereedschap opbergen in de kruiwagen dus er was geen sprake van een sigaret roken op dat moment (niemand van ons 3 rookt sigaretten) Op dat moment deed meneer een agressief gebaar dat we moesten weggaan. we gingen van zijn balkon af met de laatste spullen die daar nog waren. vervolgens stonden we bij de kruiwagen die nog voor zijn balkon stond op de steiger en op dat moment kwam meneer naar buiten en zei dat we moesten ‘opkankeren’ zo niet dan komt hij naar beneden. Ik zei “meneer is goed we gaan al weg” hij kwam dichterbij naar mij en toen zei [schilder 1] dat hij afstand moest houden omdat hij agressief was. Op dat moment zag hij blijkbaar een stanleymes in [schilder 1] zn hand waardoor hij terug naar huis ging en het gebeurde zo snel ik hoorde de deur open gaan en ik zag uit mijn ooghoek iets lang en zwarts ik dacht in het begin dat het een kapmes. Ik was weggerend naar beneden achteraf hoorde ik dat het een wapenstok was. Nadat ik dat voorwerp zag heb ik niks meer gezien van wat er daarna gebeurde.
3.6
[schilder 3]heeft op 6 april 2023 onder meer als volgt verklaard:
“De meneer geeft aan dat we voor zijn woning een peuk opstaken maar niemand van ons rookt. Hij maakte vanuit ze woonkamer alleen een gebaar dat we weg moesten en heeft ons toen nog niet aangesproken daarop. Het moment toen hij naar buiten kwam en zei dat die een klik hoorde klopt ook niet aangezien er geen stanleymes werd uitgeklapt, op dat moment had [schilder 1] zijn stanleymes als vast voor zijn werkzaamheden. De man zegt hier dat wij hem eerst aanspreken maar hij begon gelijk met wat moeten jullie dan dit dat. Hij is inderdaad teruggegaan naar binnen alleen niet voor de ijzeren pijp wat hij zegt maar voor een ploertendoder. De meneer zei zelf de hele tijd met ja ik kom wel naar beneden toe lossen we het daar op. In de verklaring zegt de meneer dat wij dat tegen hem zeiden. Het moment dat de meneer met [uitvoerder] ging praten was die uitdagend baar [schilder 1] waarop [schilder 1] reageerde. [schilder 1] zijn doel was niet om de man te slaan, als die dat had willen doen had die dat heel makkelijk kunnen doen. Aangezien de man [schilder 1] al eerder had geslagen was dat meer een poging voor de man op afstand te houden. Toen [schilder 1] weer was geslagen pakte hij een stempel en op dat moment ben ik voor [schilder 1] gaan staan om hem tegen te houden. De man zegt dat het enigste wat hij heeft gedaan is zichzelf verdedigen maar de man heeft zelf de eerste klappen uitgedeeld. (…)
3.7
[uitvoerder][hof: in de verklaringen [uitvoerder] en [uitvoerder] genoemd], opzichter, heeft op 12 november 2024 in de strafzaak tegen [appellant] bij de rechter-commissaris strafzaken onder meer als volgt verklaard:
“U vraagt mij te vertellen over wat ik nog weet van het incident van 16 februari 2023.Er is een flatgebouw dat in de steigers stond. Er was een bouwlift aan de buitenkant die vast zat aan de steiger. Ik hoorde van een collega dat er iets aan de hand was. Ik ben toen met de bouwlift naar boven gegaan. Ik kwam de steiger oplopen en zag mijn twee collega’s, [schilder 3] en [schilder 1], op de steiger. [schilder 1] was heen en weer aan het lopen. Hij was zijn spullen daar aan het opruimen. Ik ben bij de woning van meneer gekomen. Hij was bezig zijn jas aan te doen en hij kwam naar buiten. Wat er precies gezegd is weet ik niet meer, maar hij maakte een opmerking dat hij niet goed kon slapen of heel slecht had geslapen en dat hij overlast had van de collega’s die daar aan het werk waren. Ik heb hem gevraagd of hij dat aan mijn collega’s heeft aangegeven. Wij werken altijd in een bewoonde omgeving en zijn eraan gewend om met mensen rekening te houden. Daar heeft hij geen antwoord op gegeven. Ik stond op de steiger, voor het balkon van meneer [appellant]. [schilder 1] liep achter mij heen en weer zijn spullen op te ruimen. Ineens schoot meneer naar voren, diagonaal en ging [schilder 1] meerdere keren slaan met een ploertendoder. [appellant] liep daarna weer terug. (…).Op vragen van mr. Bosch antwoordt de getuige als volgt.12. U zegt dat ik in de huurzaak heb aangegeven dat ik heb gehoord dat [schilder 1] met een stanleymes verf aan het weghalen was bij de onderdorpel van het kozijn. U vraagt of dat klopt. Ja. U zegt dat ik in die verklaring verder heb aangegeven dat ik heb gehoord dat [appellant], voordat hij naar buiten was gegaan, ook al een klap had uitgedeeld. Ja. U vraagt of ik dat zelf heb gezien. Nee. U zegt dat ik net heb verklaard dat ik met de lift naar boven ging en dat ik zag dat [schilder 1] op de steiger heen en weer aan het lopen was. Ja. [schilder 3] was er ook bij (…).13. U zegt dat ik bij de politie heb verklaard dat ik al eerder kennis had gemaakt met [appellant]. U vraagt of ik mij dat kan herinneren. Ja. Voordat wij dit soort werkzaamheden uitvoeren doen wij een warme opname, dan gaan we bij elke bewoner langs. U vraagt of dat toen gebeurd was. Ja. U vraagt of ik dus al wist wie [appellant] was. Ja.14. U vraagt of [appellant] in de woonkamer staat toen ik boven kwam. Ja.U zegt dat ik heb verklaard dat [appellant] naar buiten kwam. Ja. U zegt dat ik bij de politie heb verklaard dat [appellant] op het balkon kwam staan en dat hij heeft gezegd “ik ben zojuist aangevallen door een medewerker van jou” (p. 36). U zegt dat ik volgens mijn politieverklaring heb gevraagd of hij dit al had aangegeven bij de collega’s”. U vraagt of dat klopt. Ik kan me niet herinneren dat hij heeft gezegd “ik ben aangevallen door een collega van jou”. Hij zei dat hij niet kon slapen en dat de jongens te veel herrie hebben gemaakt. Daarop kwam mijn vraag of hij het al had aangegeven aan de collega’s en daarop gaf hij geen antwoord.15.
U vraagt of het klopt dat hij naar het hekje liep zoals ik in mijn politieverklaring heb aangegeven. Ja. U vraagt mij of het klopt dat hij toen iets uit zijn broekzak haalde. Ja, hij haalde iets aan de voorkant uit zijn broeksband.16. (…) Ik begreep van hen dat er twee situaties zijn geweest, waarvan ik de eerste niet heb meegemaakt.17. (…) Ik ben alleen boven geweest in de situatie dat [appellant] naar buiten kwam en mijn collega heeft geslagen.18. (…) Toen de bewoner bij het hek was aangekomen, zag ik dat hij over het hek heen leunde en een slaande beweging maakte richting [schilder 1]”. (…) Ja, dat klopt.19. U zegt dat [schilder 3] heeft verklaard “Ik zag dat [schilder 1] één van zijn armen omhoog hief om zijn hoofd te beschermen”. U vraagt mij of ik dat heb gezien. Het gebeurde naast mij, dus hij schoot diagonaal over het balkon om [schilder 1] te slaan. Het gebeurde zo snel. Ik heb dat niet goed gezien of niet bewust gezien. (…)
3.8
De heer [buurman 1], benedenbuurman van [appellant], heeft op 12 november 2024 in de strafzaak tegen [appellant] bij de rechter-commissaris strafzaken als getuige onder meer verklaard dat hij op 16 februari 2023 naar zijn balkon liep en [appellant] tot driemaal toe, heel angstig en hard heeft horen roepen:
“je hebt het zelf gezien dat die man mij aanviel met een hamer”. Volgens deze getuige heeft hij niet gehoord dat de opzichter reageerde. Hierna werd het stil, aldus de getuige. De volgende dag heeft de getuige een hamer op zijn steiger aangetroffen.
3.9
[buurman 2],buurman van [appellant], heeft op 3 mei 2023 schriftelijk het volgende verklaard:
“Ik zat op mijn sofa ik hoorde wat mensen hard praten en zag de uitvoerder voor bij mijn raam lopen op dat moment kwamen 3 mannen voor mijn balkon staan 1 man liep door de man met een grijs zwart baardje en snorretje leek erg boos te worden en ik zag dat hij een hamer uit een gereedschapskist pakte en daar mee met een slaande beweging naar het naar het balkon van mijn buurman liep in 2 of 3 stappen een ogenblik later kwam hij erg boos terug en pakte een (…) blauwe stang maar werd tegen gehouden door een jongeman wat daar voor de rest heeft plaatsgevonden kan ik niet zien vanaf mijn sofa want ik zat binnen
3.1
De heer [buurman 3] heeft op 15 november 2023 schriftelijk onder meer verklaard.:
“ (…) Hierbij bevestig ik u dat ik als bewoner van [adres 2] overlast heb ervaren van werknemers van [naam bedrijf]. De werknemers hadden op de steiger de radio hard aan staan. Ik heb hen gevraagd de radio zachter te zetten. Een kroep werknemers kwam vervolgens agressief en intimiderend op de steiger voor mijn balkon staan. (…)”
3.11
De voorzieningenrechter heeft bij kort gedingvonnis van 22 november 2024, na een belangenafweging, de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter geschorst totdat in hoger beroep eindarrest is gewezen.
3.12
[appellant] is bij vonnis van de Politierechter in de rechtbank Den Haag van 27 juni 2025 wegens mishandeling van [schilder 1] veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een vergoeding van € 350,- te betalen aan [schilder 1]. [appellant] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. Het strafvonnis is nog niet onherroepelijk.

4.Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank

4.1
WoonInvest heeft [appellant] gedagvaard voor de kantonrechter en, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd om de huurovereenkomst met [appellant] te ontbinden en [appellant] te veroordelen tot ontruiming van de woning, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Volgens WoonInvest heeft [appellant] zich niet als een goed huurder gedragen, terwijl hij door zijn gedrag bovendien in strijd met artikel 9.2 van de algemene huurvoorwaarden de uitvoering van werkzaamheden heeft belemmerd. [appellant] heeft door zijn gedrag, aldus nog steeds WoonInvest, de grenzen van het betamelijke ver overschreden. Dat sprake was van noodweer acht WoonInvest volstrekt ongeloofwaardig.
4.2
De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen, aangezien [appellant] door het mishandelen van schilder [schilder 1] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting om zich als goed huurder te gedragen. De kantonrechter heeft het verweer van [appellant] dat hij uit noodweer heeft gehandeld, verworpen.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en, naar het hof begrijpt, alsnog afwijzing van de vorderingen van WoonInvest, met veroordeling van WoonInvest in de kosten van beide instanties.
5.2
[appellant] heeft vijf grieven aangevoerd.
De grieven I tot en met IV
5.3
Deze grieven zullen gezamenlijk worden behandeld. [appellant] stelt, samengevat, dat de lezing van de schilders van [naam bedrijf] niet klopt. Hij klaagt met zijn grieven (en het daarop voortbouwende appelschriftuur in de strafzaak) dat de kantonrechter zijn verweer over de noodweersituatie ten onrechte heeft verworpen.
5.4
Volgens [appellant] is hij wakker geworden van lawaai, dat klonk als slaan op een plank, waarna een gesprek (woordenwisseling) volgde met [schilder 1] die een stanleymes open klikte en dit dreigend liet zien. Hij is toen naar binnen gegaan en heeft een metalen staaf gepakt, waarmee hij het balkon op is gegaan. Hij heeft toen niet geslagen, maar is weer naar binnen gegaan om zijn schoenen en jas aan te trekken om het beneden uit te gaan praten (dit op voorstel van [schilder 1]). Toen de opzichter [uitvoerder] arriveerde is [appellant] vervolgens opnieuw naar buiten gegaan (hij had de staaf nog in zijn broeksband) om een en ander met hem te bespreken. Pas daarna heeft hij [schilder 1] (driemaal) geslagen. Dit was, aldus nog steeds [appellant], omdat [schilder 1] op dat moment dreigend met een hamer op hem afliep. Omdat de opzichter niets deed heeft hij [schilder 1] met de ijzeren staaf geslagen om de dreiging af te weren. Hij kon op dat moment geen kant uit. Het balkon en de steigers boden geen ruimte om [schilder 1] te ontwijken; de gesloten deur draait naar binnen open zodat hij ook de woning niet in kon.. Dit was, aldus [appellant], de enige keer dat hij heeft geslagen.
5.5
WoonInvest heeft de stellingen van [appellant] en zijn lezing van het incident op 16 februari 2023 gemotiveerd bestreden.
5.6
Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat aan de buitenkant van het twaalf verdiepingen hoge flatgebouw schilderwerkzaamheden werden uitgevoerd. Ook staat vast dat [schilder 1] en zijn collega’s [schilder 3] en [schilder 2] op 16 februari 2023 vanaf ongeveer 15.00 uur bezig waren op het balkon van [appellant] nadat zij eerder op de verdieping daarboven hadden gewerkt. Verder staat vast dat [appellant] hen heeft aangesproken in verband met lawaai, dat een korte woordenwisseling heeft plaatsgevonden en dat [appellant] toen naar binnen is gegaan en een metalen staaf heeft gepakt waarmee hij naar buiten is gekomen. Vanaf dat moment lopen de lezingen uiteen, met name over het moment waarop [appellant] heeft geslagen.
Het eerste conflict
5.7
Volgens [appellant] heeft hij [schilder 1] pas geslagen toen [uitvoerder] (met de bouwlift) naar boven was gekomen. WoonInvest betwist dit en stelt dat [appellant] hem al eerder heeft geslagen, namelijk toen hij voor het eerst met de ijzeren staaf naar buiten kwam. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van [schilder 1], [schilder 3], [schilder 2] en [uitvoerder] (de laatste van horen zeggen). De andersluidende stellingen van [appellant] wegen hier niet tegenop, zeker niet nu zijn verklaring op onderdelen aantoonbaar onjuist is, althans aanvechtbaar is.
5.8
Als voorbeeld noemt het hof het stanleymes dat volgens [appellant] in zijn aanwezigheid (dreigend) werd open geklikt door [schilder 1]. [appellant] raadsman Mr. Bosch heeft echter blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter van 11 juli 2023 verklaard
“Het stanleymes was al uitgeklapt. Hij werd niet op dat moment uitgeklapt.”Het ligt naar het oordeel van het hof ook voor de hand dat het stanleymes al was opengeklapt omdat [schilder 1] hiermee werkzaamheden uitvoerde. Daarnaast is de stelling van [appellant] dat [schilder 1] zou hebben voorgesteld om een en ander beneden uit te praten onlogisch (en door de schilders betwist), nu niet duidelijk is geworden wat in de visie van [appellant] uitgepraat zou moeten worden, zeker wanneer er niet geslagen zou zijn.
5.9
Het voorgaande tezamen genomen neemt het hof als vaststaand aan dat [schilder 1] ook door [appellant] is geslagen bij het eerste incident, en wel voordat [uitvoerder] erbij kwam. [appellant] had hiervoor had geen enkele rechtvaardiging. Hij had sowieso geen metalen staaf moeten pakken en daarmee niet naar buiten moeten gaan. Bovendien kon hij zich eenvoudig aan een conflict onttrekken door naar binnen te gaan en daar te blijven. [appellant] heeft aldus nodeloos de confrontatie gezocht en heeft zich bovendien daaraan niet onttrokken toen dat mogelijk was.
Het tweede conflict
5.1
[appellant] heeft erkend dat hij [schilder 1] met de metalen staaf een aantal keren heeft geslagen. Dit gebeurde volgens [appellant] voor het eerst op het moment dat de opzichter, [uitvoerder] erbij was. Volgens [appellant] heeft hij dit gedaan omdat [schilder 1] hem met een hamer dreigde, zodat het slaan gerechtvaardigd was.
5.11
Het hof ziet dit anders. Weliswaar staat vast dat [schilder 1] op enig moment een hamer heeft gepakt en ook wat ‘opgefokt’ was geraakt richting [appellant] maar er is geen aanwijzing dat dit zover is gegaan dat [appellant] hierdoor een terecht excuus had om [schilder 1] toen (opnieuw) te slaan met de metalen staaf. Van een dusdanige bedreiging door [schilder 1] dat [appellant] deze bedreiging slechts door het slaan met een ijzeren staaf heeft kunnen afweren, is niet gebleken. Los van het gegeven dat het blijkens het voorgaande [appellant] te verwijten valt dat [schilder 1] ‘opgefokt’ was geraakt, wijst het hof erop dat [schilder 1] in deze fase kennelijk door [appellant] werd uitgedaagd en vervolgens opeens door [appellant] werd aangevallen. [schilder 3] verklaart hierover, terwijl [uitvoerder] op zijn beurt heeft verklaard dat [appellant] opeens naar voren schoot, diagonaal over het balkon en meerdere keren [schilder 1] ging slaan. Dit duidt niet op een situatie van zelfverdediging. Evenmin blijkt hieruit dat [appellant] zich niet aan de situatie had kunnen onttrekken. Het hof passeert daarom de verklaring van [appellant] als ongeloofwaardig. [buurman 1], [buurman 2] en [buurman 3] waren bij de gebeurtenissen niet aanwezig en de door hen afgelegde verklaringen (zie rov 3.8, 3.9 en 3.10), die op zichzelf tot bewijs kunnen dienen, zijn onvoldoende specifiek om tot een mogelijk ander oordeel te leiden. bij. De grieven falen.
Grief V
5.12
Uit het voorgaande komt naar voren dat het juist [appellant] is geweest die nodeloos de confrontatie heeft gezocht en [schilder 1] heeft mishandeld met de metalen staaf. [appellant] heeft zich aldus niet als een goed huurder gedragen en is in ernstige mate tekortgekomen in de nakoming van zijn verplichtingen uit huurovereenkomst.
5.13
Hoewel de schilderwerkzaamheden ongetwijfeld enig ongemak veroorzaakt zullen hebben, moet [appellant] deze noodzakelijke werkzaamheden dulden (op grond van artikel 7:220 lid 1 BW Pro en artikel 9.2 Algemene Huurvoorwaarden). Het gaat niet aan dat [appellant] een schilder, die noodzakelijke werkzaamheden uitvoert, mishandelt met een metalen staaf. [appellant] heeft hiermee de grenzen van het toelaatbare ver overschreden. Dit vormt grond voor ontbinding van de huurovereenkomst en als gevolg daarvan ontruiming van het gehuurde, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen. De hoofdregel en de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW Pro tezamen brengen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat, kort gezegd, slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast brengt de structuur van hoofdregel en tenzij-bepaling in de systematiek van het BW mee dat de schuldeiser moet stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de schuldenaar en dat het aan de schuldenaar is om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling. Daar is [appellant] naar het oordeel van het hof niet in geslaagd. Het beroep van [appellant] op verzachtende omstandigheden (hartproblemen, mantelzorg, artikel 8 EVRM Pro) baat hem niet. Eigen aan ontbinding van de huurovereenkomst is immers dat de huurder zijn woning verliest. Bovendien heeft [appellant] de tijd gehad om zich eerder als woningzoekende in te schrijven, maar heeft hij daarvoor niet gekozen. Dat [appellant] hartproblemen heeft (gehad) waarvoor hij is behandeld, wil het hof op basis van de medische stukken wel aannemen, maar dat op dit moment sprake is van ‘hartfalen’ (een aandoening waarbij het hart niet in staat is voldoende bloed rond te pompen om aan de behoeften van het lichaam te voldoen) is onvoldoende onderbouwd. Evenmin is onderbouwd waarom zijn huidige hartconditie en de te verlenen mantelzorg behoud van de woning noodzakelijk maken zodat dit aan de ontbinding en ontruiming in de weg zou moeten staan. Hoe dan ook is de tekortkoming van [appellant] ernstig en zeker niet van ‘geringe betekenis’ of van een dusdanig bijzondere aard dat deze ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Ook zijn er geen overige omstandigheden die maken dat de tekortkoming van onvoldoende gewicht is om de ontbinding met zijn gevolgen te rechtvaardigen. Het hof verwerpt ook deze grief.
Conclusie en proceskosten
5.14
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Het hof komt niet toe aan bewijslevering. Het horen van getuige [verbalisante] (de verbalisante die de eerste aangifte van [appellant] heeft opgenomen) is niet relevant. Het hof heeft immers de (volgens [appellant] niet volledig juiste aangifte) niet bij zijn beoordeling betrokken, maar heeft juist de nieuwe, gecorrigeerde stellingen van [appellant] meegewogen.
5.15
Aangezien de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis heeft geschorst, bestaat in de huidige procedure geen belang meer bij een beslissing in het schorsingsincident.
5.16
Het hof zal het vonnis bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep.
5.17
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van WoonInvest op:
griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 3.870,- (3 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.842,-.

6.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 20 juli 2023;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van WoonInvest begroot op € 4.842,-;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-.
Dit arrest is gewezen door mr. M.A.F. Tan - de Sonnaville, mr. Th.G. Lautenbach en
mr. R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.