ECLI:NL:GHDHA:2026:126

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.324.242/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:38 BWArt. 6:119a lid 2 sub a BWArt. 6:265 BWArt. 7:756 lid 2 BWArt. 13.2 Metaalunievoorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over renovatiebedrijfshal, meer- en minderwerk, ontbinding en schadevergoeding

Deze zaak betreft een geschil tussen [de v.o.f.] en Reytec Innovation Projects B.V. over een overeenkomst tot renovatie van een bedrijfshal en het realiseren van een aanbouw. Partijen verschillen van mening over de omvang van de werkzaamheden, de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden, de verschuldigdheid van facturen, het recht tot partiële ontbinding en de vraag of Reytec tekort is geschoten bij de uitvoering.

Het hof oordeelt dat de Metaalunievoorwaarden van toepassing zijn, ondanks betwisting door [appellanten]. De facturen, waaronder meerwerkfacturen, zijn opeisbaar en Reytec mocht de overeenkomst partieel ontbinden zonder rechterlijke tussenkomst. De ontbinding betekent dat Reytec de resterende werkzaamheden niet hoeft uit te voeren, maar wel verantwoordelijk blijft voor gebrekkig werk.

Er is minderwerk vastgesteld ter waarde van € 6.980,- exclusief btw. Van de eerste meerwerkfactuur is € 5.535,- exclusief btw verschuldigd. Over de tweede meerwerkfactuur is discussie over de dakconstructie: oorspronkelijk was een schuin dak overeengekomen, later een plat dak, wat meerkosten met zich meebrengt. Het hof acht het onaanvaardbaar dat Reytec zich beroept op het exoneratiebeding voor schadevergoeding.

Ten aanzien van schadevergoeding zijn diverse gebreken beoordeeld, waarbij het hof partijen in de gelegenheid stelt nadere bewijslevering te doen over onder meer dakplaten en gordingen. De wettelijke rente over de factuur van 15 juli 2015 loopt vanaf 30 dagen na 11 februari 2016. De behandeling van enkele grieven wordt aangehouden voor nadere bewijslevering en toelichting.

Uitkomst: Het hof bevestigt de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden, verklaart facturen opeisbaar, bevestigt het recht tot partiële ontbinding en behandelt meer- en minderwerk en schadevergoeding met nadere bewijslevering.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team handel
Zaaknummer hof : 200.324.242/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/585434 / HA ZA 19-1303
Arrest van 10 februari 2026
in de zaak van

1.[de v.o.f.] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2. [appellant 2],
wonend in [woonplaats 1] , [de gemeente] ,
3. [appellant 3],
wonend in [woonplaats 2] , [de gemeente] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
verweerders in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. K. Zeylmaker, kantoorhoudend in Leusden,
tegen
Reytec Innovation Projects B.V.,
gevestigd in Naaldwijk, gemeente Westland,
verweerster in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoge beroep,
advocaat: mr. M. Buitelaar, kantoorhoudend in Naaldwijk.
Het hof zal partijen hierna [appellanten] en Reytec noemen. Appellante sub 1 zal worden aangeduid als [de v.o.f.] , appellant sub 2 als [appellant 2] en appellant sub 3 als [appellant 3] .

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een overeenkomst tot renovatie van een bedrijfshal en het realiseren van een aanbouw. Partijen twisten over de exacte omvang van de overeengekomen werkzaamheden, over de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden, over de verschuldigdheid van de aanneemsom en over het meer- en minderwerk. Toen het werk bijna gereed was, is er onenigheid ontstaan en heeft de aannemer de overeenkomst partieel ontbonden. In geschil is of en zo ja in hoeverre de aannemer hiertoe gerechtigd was en welke consequentie de partiële ontbinding zou moeten hebben. Tot slot is in geschil of en zo ja in hoeverre de aannemer bij de uitvoering van de werkzaamheden toerekenbaar tekort is geschoten en de daaruit voortvloeiende schade moet vergoeden.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 3 maart 2023 waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2021, 8 juni 2022 en 7 december 2022;
  • het tussenarrest van 27 juni 2023;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 september 2023;
  • de memorie van grieven van [appellanten] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord, tevens houdende grieven in incidenteel appel van Reytec, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellanten] , met bijlagen.
2.2
Op 2 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de advocaten de zaak hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

3.Feiten en procedure bij de rechtbank

3.1
De rechtbank heeft in rov. 2.1 tot en met 2.37 van het tussenvonnis van 10 maart 2021 een aantal feiten vastgesteld. Grief 1 in principaal appel is gericht tegen rov. 2.8. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat Reytec op 3 augustus 2015 de in die rechtsoverweging geciteerde e-mail aan [de gemeente] heeft gestuurd. Het hof zal dan ook niet als vaststaand aannemen dat dit is gebeurd. Voor zover nodig zal het hof hieronder ingaan op deze kwestie. Voor het overige bestaat er geen geschil over de feitenvaststelling van de rechtbank, zodat het hof in zoverre ook van deze feiten zal uitgaan.
3.2
Het gaat in deze zaak om het volgende.
i) [de v.o.f.] exploiteert in [woonplaats 2] een kwekerij in varens. [appellant 2] en [appellant 3] zijn de twee vennoten van de v.o.f.
ii) [de v.o.f.] heeft Reytec verzocht een offerte uit te brengen voor het renoveren van de bedrijfshal en het realiseren van een aanbouw. Reytec heeft op 12 juni 2015 een offerte (in de vorm van een “opdracht bevestiging”) uitgebracht voor een aanneemsom van € 160.000,-, exclusief btw. De offerte bevat een betalingsschema in zes termijnen, waarvan de laatste termijn (3% van de aanneemsom) moet worden betaald bij de oplevering.
iii) Op 16 juni 2015 heeft een bespreking over deze offerte plaatsgevonden. Hierna heeft Reytec de offerte aangepast. Er heeft vervolgens nog een tweede bespreking plaatsgevonden op 25 juni 2015, waarbij partijen zijn overeengekomen dat de aanneemsom € 161.500,-, exclusief btw zal bedragen.
iv) Op 6 juli 2015 heeft Reytec namens [de v.o.f.] een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend bij de [de gemeente] .
v) Reytec heeft op verzoek van [de v.o.f.] de aanneemsom in drie facturen gedeclareerd:
o een factuur van 1 juli 2015 ten bedrage van € 27.000,-, exclusief btw;
o een factuur van 15 juli 2015 ten bedrage van € 36.500,-, exclusief btw;
o een factuur van 31 juli 2015 ten bedrage van € 98.000,-, exclusief btw.
vi) [de v.o.f.] heeft op 23 oktober 2015 de facturen van 1 juli en 31 juli 2015 betaald. De factuur van 15 juli 2015 is onbetaald gebleven.
vii) Op 4 februari 2016 heeft Reytec een factuur ten bedrage van € 6.666,-, exclusief btw (€ 8.065,86, inclusief btw), aan [de v.o.f.] gezonden (hierna: de eerste meerwerkfactuur). Deze factuur is onbetaald gebleven.
viii) Begin februari 2016 hebben partijen ter plekke de werkzaamheden van Reytec nagelopen. [directeur] (directeur van Reytec; hierna: [directeur] ) heeft bij e-mail van 11 februari 2016 aan [appellant 2] laten weten dat hij met hem wil bespreken welke punten Reytec zal afwerken en aanpassen. Verder schrijft [directeur] dat partijen de week ervoor hebben gesproken over de betalingsachterstand. Volgens Reytec dienen de facturen per ommegaande te worden betaald, tot en met “7% bij aanvang deuren montage”. In het oorspronkelijke betalingsschema houdt dit in: tot en met de vijfde betalingstermijn.
ix) Bij e-mail van 4 maart 2016 heeft [directeur] aan [appellant 2] laten weten dat Reytec de werkzaamheden opschort totdat (kort gezegd) [de v.o.f.] de aanneemsom (minus 3%) en de eerste meerwerkfactuur heeft betaald.
x) Bij factuur van 17 maart 2016 heeft Reytec een bedrag van € 19.360,-, exclusief btw (€ 23.425,60, inclusief btw) bij [de v.o.f.] in rekening gebracht (hierna: de tweede meerwerkfactuur). Ook deze factuur is onbetaald gebleven.
xi) Op 31 maart 2016 heeft BBAN Groep (hierna: BBAN), vertegenwoordigd door [naam 1] , in opdracht van [appellant 2] en in aanwezigheid van [directeur] een visuele inspectie van het werk van Reytec uitgevoerd.
xii) Reytec heeft bij brief van 2 mei 2015 de overeenkomst partieel ontbonden. De gemachtigde van Reytec schrijft in die brief onder meer het volgende:
“Hierbij ontbindt cliënte gedeeltelijk de overeenkomst met [de v.o.f.] , voor zover deze ziet op de resterende werkzaamheden en de herstelwerkzaamheden die cliënte nog dient uit te voeren. Cliënte is hierdoor bevrijd van het verrichten van het uitvoeren van de resterende werkzaamheden en herstelwerkzaamheden. [de v.o.f.] hoeft als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding vanzelfsprekend voor die werkzaamheden ook niet te betalen. De waarde van deze werkzaamheden wordt geschat op maximaal 3% van de aanneemsom, welk bedrag door cliënte aan [de v.o.f.] ook nog niet in rekening is gebracht. [de v.o.f.] dient nog wel het openstaande bedrag betalen in verband met het opgeleverde werk. Zoals in mijn brief van 21 maart 2016 gemeld, bedraagt het totale openstaande bedrag een bedrag van € 69.794,01 inclusief BTW.”
xiii) Op 3 mei 2016 heeft BBAN haar rapport aan [appellanten] uitgebracht. Naar aanleiding daarvan hebben partijen nog getracht een minnelijke regeling te treffen, maar dit heeft uiteindelijk niet tot resultaat geleid.
xiv) Naar aanleiding van een verzoek van [appellanten] heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant ir. B.F. Dankers als deskundige benoemd om de oorzaak, aard en ernst van de gebreken aan het bedrijfspand te onderzoeken. Dankers heeft op 28 maart 2018 zijn definitieve rapport uitgebracht.
3.3
Reytec heeft gevorderd dat [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 75.656,46 inclusief btw, te vermeerderen met de contractuele rente van 12%, althans de wettelijke handelsrente, vanaf de vervaldata van de facturen, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 3.570,- althans € 1.025,-. De hoofdsom is de som van de factuur van 15 juli 2015 (minus 3%) en de eerste en tweede meerwerkfactuur.
3.4
In reconventie hebben [appellanten] gevorderd dat Reytec wordt veroordeeld tot betaling van € 81.954,50 aan vervangende schadevergoeding, een bedrag van € 6.311,12 inclusief btw voor de rapporten van BBAN en Dankers en buitengerechtelijke incassokosten van € 1.594,55, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2020.
3.5
De rechtbank heeft
in conventiegeoordeeld dat [appellanten] een bedrag van € 49.653,56 inclusief btw aan Reytec is verschuldigd uit hoofde van achterstallige facturen en dat Reytec aan [appellanten] een bedrag van € 29.966,95 inclusief btw is verschuldigd aan vervangende schadevergoeding. De rechtbank heeft deze bedragen verrekend, wat ertoe heeft geleid dat [appellanten] bij eindvonnis van 7 december 2022 zijn veroordeeld tot betaling van € 19.686,61, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 december 2019. Daarnaast zijn [appellanten] veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.025,-. De rechtbank heeft Reytec in
reconventieveroordeeld tot betaling van € 6.311,12 inclusief btw aan expertisekosten en € 1.300,35 aan buitengerechtelijke kosten.

4.Beoordeling in hoger beroep

4.1
[appellanten] hebben in hoger beroep gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen vernietigt en de vorderingen van Reytec afwijst. Verder vorderen zij dat Reytec wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding van € 63.394,-, expertisekosten van € 5.215,80 en buitengerechtelijke incassokosten van € 1.408,94.
4.2
Reytec heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen. In incidenteel hoger beroep heeft zij geconcludeerd tot de vernietiging van de bestreden vonnissen. Zij vordert verder dat [appellanten] worden veroordeeld tot betaling van € 48.099,85 inclusief btw uit hoofde van drie facturen, te vermeerderen met de contractuele rente dan wel de wettelijke handelsrente vanaf de factuurdata, althans vanaf dertig dagen na de factuurdata.
4.3
[appellanten] hebben in incidenteel appel geconcludeerd tot – zakelijk weergegeven – verwerping van de grieven van Reytec en afwijzing van haar vorderingen.
Zijn de Metaalunievoorwaarden van toepassing?
4.4
Partijen twisten over de vraag of de Metaalunievoorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit niet het geval is. Daartegen heeft Reytec grief 7 in incidenteel appel gericht.
4.5
Over de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden heeft Reytec in de offerte van 12 juni 2015 het volgende vermeld:
“Op al onze aanbiedingen en op alle met ons gesloten overeenkomsten zijn van toepassing de door ons gehanteerde
Algemene Verkoop- en Leveringsvoorwaarden Metaalunie. Wij wijzen uitdrukkelijk de toepasselijkheid van eventueel door u gehanteerde algemene voorwaarden van de hand. In ieder geval wijzen wij elke aansprakelijkheid voor indirecte en/of gevolgschade volledig af.
(…)
3.1
Bemerkingen
(…)
- Wij hanteren de algemene leveringsvoorwaarden van de Metaalunie
(…)”
4.6
[appellant 2] heeft bij deze clausule in de offerte geschreven “volgens Nederlands recht”. [appellanten] zijn van mening dat hieruit volgt dat zij de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden van de hand heeft gewezen. Reytec heeft betwist dat de handgeschreven aantekeningen van [appellant 2] op de offerte van 12 juni 2015 onderdeel uitmaken van de overeenkomst. Het hof laat dit punt in het midden omdat het van oordeel is dat uit het bijschrift niet volgt dat [appellanten] de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden hebben afgewezen. Uit dit bijschrift volgt – strikt genomen – slechts dat [appellant 2] van mening was dat de overeenkomst zou moeten worden beheerst door het Nederlandse recht. Dit sluit de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden niet uit.
4.7
Daar komt bij dat [directeur] als getuige heeft verklaard:
“14. In de offerte staat dat wij de Metaalunievoorwaarden hanteren en alle andere voorwaarden afwijzen. Vanuit Interpolis, onze aansprakelijkheidsverzekeraar, is verplicht gesteld dat wij dit op al onze offertes en contracten vermelden. (…) Die vermelding stond ook in de offerte die wij met [appellant 2] op kantoor op 16 juni 2015 hebben besproken. De Metaalunievoorwaarden zelf zijn tijdens die bespreking niet besproken. Ook tijdens de bespreking op 25 juni 2015 zijn die voorwaarden niet besproken. (…)
15. Er is niet op enig moment met [appellant 2] gesproken over de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden.
16. (…)
17. Wij zullen nooit van toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden afwijken. Dat doen wij nooit. Dat heeft te maken met onze verzekeraar en omdat het een duidelijk stuk is dat gebruikelijk is in de markt.
18. Mocht toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden van te voren door een kandidaat opdrachtgever in discussie worden getrokken, dan zouden wij de opdracht nooit aannemen.”
In aanmerking nemend de verklaring van [directeur] over de noodzaak om de Metaalunievoorwaarden van toepassing te verklaren, is het hof van oordeel dat aan de getuigenverklaring van [appellant 2] over de gang zaken geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht. [appellant 2] heeft over de bespreking op 16 juni 2015 verklaard:
“Al op 16 juni 2025 heb ik de Metaalunievoorwaarden van de hand gewezen. Op die datum, tijdens de bespreking bij Reytec, heb ik de Metaalunievoorwaarden vermeld zien staan onderaan de offerte. Toen heb ik meteen gezegd: dat ga ik niet doen. Ik weet niet meer of ik toen heb uitgelegd waarom. Ik heb gezegd dat ik het volgens Nederlands recht wilde. Ik weet niet meer wat de reactie van Reytec was. Volgens mij was het geen probleem. De kwestie van de voorwaarden is terzijde ter sprake gekomen. (…)”
Het hof acht het niet waarschijnlijk dat Reytec zonder slag of stoot zou hebben ingestemd met een dergelijke mededeling van [appellant 2] en dat de herinnering van [appellant 2] dat het “geen probleem” was, juist zou zijn. Reytec zou zich daarmee hebben blootgesteld aan de mogelijkheid dat haar verzekeraar geen dekking zou willen verlenen wanneer zich een aansprakelijkheidskwestie zou voordoen. Daarbij tekent het hof aan dat [appellant 2] zich niet meer goed herinnert wat [directeur] heeft gezegd of hoe hij heeft gereageerd.
4.8
[appellant 2] heeft als getuige ook verklaard over de bespreking op 25 juni 2015:
“10. U vraagt mij hoe het is gegaan tijdens de bespreking op 25 juni 2015. Toen zag ik weer de Metaalunievoorwaarden vermeld staan. Toen heb ik tegen [directeur] gezegd: he, we hebben anders afgesproken, namelijk dat Nederlands recht van toepassing was. Toen is dat vervolgens doorgehaald.
11. De Metaalunievoorwaarden kwamen nog een keer voor in het contract onder het kopje ‘bemerkingen’. Ook de bemerkingen heb ik grotendeels van de hand gewezen.
12. U vraagt mij of ik op 25 juni 2015 naar voren heb gebracht waarom ik niet akkoord ging met de Metaalunievoorwaarden. Ik kan mij dat niet herinneren.”
Daarnaast is er de getuigenverklaring van [naam 2] (werkneemster van [de v.o.f.] ), die tijdens de bespreking op 25 juni 2015 aanwezig was. Zij heeft verklaard:
“9. U vraagt mij of er is gesproken over Metaalunievoorwaarden. Ja, dat was in een gesprek tussen [appellant 2] en de [directeur] . Toen we kwamen op het punt van de Metaalunievoorwaarden, zei [appellant 2] dat al was afgesproken dat het zou worden doorgehaald. Voor zover ik mij kan herinneren ging het om in ieder geval twee punten, maar misschien ook om drie punten, die zouden worden doorgehaald. Bij mijn weten heeft de heer [directeur] dat geaccepteerd. U vraagt mij of ik heb gehoord om welke punten het ging. Ik weet alleen dat [appellant 2] iets met Nederlands recht wilde, maar ik weet niet precies wat dat betekende. De andere punten weet ik niet meer.”
[naam 3] (werknemer van [de v.o.f.] ), die ook tijdens de bespreking op 25 juni 2015 aanwezig was, heeft verklaard:
“30. U vraagt mij of het tijdens de bespreking is gegaan over algemene voorwaarden. Niet dat ik weet. U, rechter-commissaris, vraagt of er is gesproken over Metaalunievoorwaarden. Ja. Alles wat te maken had met de Metaalunievoorwaarden is in het contract doorgestreept. De afspraak tussen Reytec en [appellant 2] was dat alles via Hollands recht zou lopen. In ieder geval zouden de Metaalunievoorwaarden doorgestreept worden. Dat was de afspraak. U, rechter-commissaris, vraagt mij hoe ik dat weet. [appellant 2] legde tijdens de bespreking aan mij uit wat de Metaalunievoorwaarden en Hollands recht betekenden. Dat snapte ik niet. Ik vroeg aan hem: wat wordt besproken en waarom wordt alles doorgestreept, waar gaat het allemaal om? De heer [directeur] was daarbij aanwezig.
(…)
31. U vraagt mij of ik heb gezien dat de Metaalunievoorwaarden werden doorgestreept. Ja, dat heb ik zelf gezien. Bij het punt ‘bemerking’ stond iets vermeld over de Metaalunievoorwaarden. Ik weet dat alles over dat punt is doorgestreept. Behalve één sub punt, dat ging over water en stroom. (…)
32. U houdt mij productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie voor, de pagina met bovenaan “3.1 Bemerkingen” en vraagt mij of dit de pagina is waar ik op doel. Ja, dat is de desbetreffende pagina en die is helemaal doorgestreept. Daarmee ik bedoel een doorhaling met een grote zigzag. Alleen de zin van het laatste gedachtestreepje is niet doorgehaald.”
4.9
Naar het oordeel van het hof zijn deze verklaringen niet voldoende overtuigend. Daarbij is van belang dat de twee werknemers de Nederlandse taal niet goed machtig zijn; hun verhoren hebben plaatsgevonden met assistentie van een tolk. Uit hun verklaringen volgt ook niet dat zij hebben waargenomen dat [directeur] heeft ingestemd met de doorhaling in het contract. Dat, zoals [appellant 2] en [naam 3] hebben verklaard, bijna alle ‘bemerkingen’ zouden zijn doorgehaald omdat hij ze van de hand heeft gewezen, acht het hof ook niet zonder meer waarschijnlijk omdat [appellant 2] niet heeft toegelicht waarom hij bezwaar had tegen (bijvoorbeeld) de bepaling dat de bouwplaats voldoende vlak dient te zijn en vrij van obstakels of de bepaling dat alle grondwerk, voor zover niet in de offerte omschreven, buiten de offerte valt. En ook niet waarom Reytec met dergelijke doorhalingen akkoord zou zijn. Dit maakt dat de getuigenverklaringen van [appellant 2] en zijn werknemers op het punt van de ‘doorhaling’ van de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden minder betrouwbaar overkomen.
4.1
[appellanten] hebben ook de terhandstelling van de Metaalunievoorwaarden betwist. Over de terhandstelling heeft [directeur] als getuige verklaard:
“De Metaalunievoorwaarden zaten elke keer bij de offerte en de opdrachtbevestiging. [appellant 2] heeft de Metaalunievoorwaarden dus op twee momenten fysiek gekregen. Het derde moment was op 19 februari 2016 toen ik het hele setje heb gemaild aan [appellant 2] . Het eerste moment was 16 juni 2015 en het tweede moment was 25 juni 2015. Op die momenten is er niet gesproken over de Metaalunievoorwaarden. De Metaalunievoorwaarden zijn dus op twee momenten overhandigd zonder dat er over die voorwaarden gesproken is.”
4.11
Daar staat echter tegenover dat [appellanten] hebben betwist dat de voorwaarden voorafgaand of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld. [appellant 2] heeft dat als getuige ook verklaard. Op basis van de getuigenverklaringen kan dus niet worden aangenomen dat de Metaalunievoorwaarden tijdig aan [appellanten] zijn verstrekt.
4.12
Reytec heeft naar voren gebracht dat [de v.o.f.] een jaar voor de opdracht aan Reytec haar dak heeft laten herstellen door [naam bedrijf 1] , die ook de Metaalunievoorwaarden hanteert. [appellant 2] heeft hierover het volgende verklaard:
“13. U vraagt mij of ik wel eens bij andere partijen zie dat zij met de Metaalunievoorwaarden werken. Ja. In de offerte van [naam bedrijf 1] (…) staan de Metaalunievoorwaarden ook vermeld. Zij zijn ook bijgevoegd. (…) Na voorlezing wens ik hierover het volgende op te merken: het is een offerte geweest, ik heb niet zelf [naam bedrijf 1] ergens de opdracht voor gegeven, ik heb de voorwaarden niet met [naam bedrijf 1] besproken. Ik heb mede getekend als vennoot. Mijn broer deed dit project. (…)
14. U vraagt mij wanneer ik voor de eerste keer in zee ben gegaan met [naam bedrijf 1] . Dat was vóór Reytec, dat zal in 2013 of 2012 zijn geweest, maar dat weet ik niet precies. (…)
15. U vraagt mij of [naam bedrijf 1] toen probeerde de Metaalunievoorwaarden te hanteren. Dat kan ik mij niet herinneren. Dat is te lang geleden.
16. U houdt mij dat voor ik eerder heb gesproken over negatieve ervaringen met de Metaalunievoorwaarden en u vraagt mij wanneer dat was. Dat kan ik mij niet herinneren. U vraagt mij of dat was voordat ik met Reytec zaken ging doen. Ja, dat was daarvoor.
17. U vraagt mij of die aannemer toen met de Metaalunievoorwaarden kwam aanzetten. Ik weet niet meer of dat een aannemer was. Ik weet niet meer hoe dat is gegaan. Ik kan mij niet meer herinneren met welke partij die negatieve ervaringen waren.
18. U vraagt mij of ik de inhoud van de Metaalunievoorwaarden kende voordat ik zaken ging doen met Reytec. Nee, die kon en kan ik niet klakkeloos reproduceren.
19. U vraagt mij of ik de Metaalunievoorwaarden op enig moment heb gelezen. Dat kan ik mij niet herinneren. Ik heb ook geen idee of alle Metaalunievoorwaarden hetzelfde zijn.
20. U vraagt mij waarom ik bezwaar heb gemaakt tegen de Metaalunievoorwaarden als ik zeg dat ik de inhoud niet kende. De Metaalunievoorwaarden zijn vooral gericht op de opdrachtnemer en niet op de opdrachtgever. Ze zijn eenzijdig. Dat weet ik, omdat er in het verleden iets was gebeurd. Het bedrijf dat we hebben, dat doe ik niet alleen. Als ik mij goed herinner, had mijn vader vroeger wel eens een dingetje. Ik was toen mede-eigenaar.
21. U houdt mij mijn schriftelijke toelichting van 30 december 2020, pagina 9 randnummer 24, voor en u vraagt mij hoe deze passage zich verhoudt met mijn stelling dat ik de Metaalunievoorwaarden nooit heb gelezen. Mijn broer heeft met [naam bedrijf 1] onderhandeld. Ik ben dat niet geweest. Mogelijk dat hij ze heeft gelezen.”
4.13
Naar het oordeel van het hof moet worden aangenomen dat [appellanten] in ieder geval via [naam bedrijf 1] beschikten over de Metaalunievoorwaarden en dat zij ook bekend waren met de inhoud van die voorwaarden. In de schriftelijke toelichting van 30 december 2020 (waaraan wordt gerefereerd in de getuigenverklaring van [appellant 2] ) staat dat [appellanten] met [naam bedrijf 1] hebben onderhandeld over de toepasselijkheid van deze voorwaarden en dat met [naam bedrijf 1] is afgesproken dat bepaalde artikelen kwamen te vervallen. Ook uit de getuigenverklaring van [appellant 2] blijkt dat [de v.o.f.] bekend waren met de inhoud van de Metaalunievoorwaarden, ook al heeft [appellant 2] deze wellicht persoonlijk nooit gelezen. Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat al voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met Reytec, [appellanten] de mogelijkheid hebben gehad om van de voorwaarden kennis te nemen. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij zich beroepen op vernietiging van de algemene voorwaarden omdat Reytec deze niet zelf ter hand heeft gesteld.
4.14
De conclusie is dat grief 7 in incidenteel appel gegrond is. Dit betekent dat het hof hieronder ervan uitgaat dat de Metaalunievoorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst tussen Reytec en [de v.o.f.] .
Zijn de facturen opeisbaar?
4.15
Partijen verschillen van mening over de vraag of de factuur van 15 juli 2015 en de twee meerwerkfacturen opeisbaar zijn. De rechtbank heeft de stelling van [appellanten] dat de factuur van 15 juli 2015 pas bij oplevering is verschuldigd, verworpen. Zij oordeelt dat deze factuur op grond van art. 6:38 BW Pro opeisbaar is. Datzelfde geldt voor de twee meerwerkfacturen, aldus de rechtbank.
4.16
Met grief 2 in principaal appel betogen [appellanten] dat de facturen niet opeisbaar zijn. [appellanten] voeren aan dat zij op of omstreeks 23 juni 2015 een betaalschema in drie termijnen zijn overeengekomen, dit in afwijking van het betaalschema (in zes termijnen) dat in de offerte van Reytec was opgenomen. Daarbij zou het bedrag van € 36.500,- bij oplevering opeisbaar zijn. [appellanten] hebben bewijs aangeboden door het horen van [appellant 2] , [naam 2] en [naam 3] , die aanwezig waren bij het gesprek dat op 25 juni 2015 daarover heeft plaatsgevonden.
4.17
Het hof oordeelt over de factuur van 15 juli 2015 als volgt. Er zijn geen aanwijzingen dat het de bedoeling van partijen was dat de factuur van 15 juli 2015 pas bij oplevering zou hoeven te worden betaald. Daarvoor is het volgende van belang. In de offerte van Reytec was opgenomen dat [appellanten] de aanneemsom in zes termijnen zouden betalen, waarvan 3% van de aanneemsom bij oplevering. Partijen zijn op verzoek van [appellanten] om boekhoudkundige redenen van dit betaalschema afgeweken. Zij zijn het erover eens dat is afgesproken dat Reytec – op verzoek van [appellanten] – de gehele aanneemsom in juli 2015 in drie gedeeltes zou factureren. De feitelijke gang van zaken is daarna geweest dat Reytec niet heeft aangedrongen op onmiddellijke betaling, hoewel op de facturen wel is vermeld dat deze onmiddellijk moesten worden voldaan. Reytec heeft toegelaten dat [appellanten] de facturen van 1 en 31 juli 2015 voldeden in oktober 2015. Vervolgens heeft Reytec pas in februari 2016, toen het aangenomen werk al grotendeels was afgerond, aangedrongen op betaling van de factuur van 15 juli 2015, met dien verstande dat [appellanten] de laatste 3% van aanneemsom pas bij oplevering zouden hoeven te voldoen.
4.18
[appellanten] hebben bewijs aangeboden door middel van het horen van getuigen dat er een betaalschema is overeengekomen in drie termijnen waarbij de stand van het werk bepalend zou zijn voor het moment waarop betaald zou moeten worden. Het hof passeert dit bewijsaanbod. Partijen zijn het er immers over eens dat zou worden afgeweken van de door Reytec geoffreerde betaling in zes termijnen en dat Reytec – op verzoek van [appellanten] – de gehele aanneemsom in juli 2015 in drie gedeeltes aan [appellanten] zou factureren. Voor zover [appellanten] te bewijzen hebben aangeboden dat zij de factuur van 15 juli 2015 ten bedrage van € 36.500,-, zijnde ruim 22% van de aanneemsom, pas bij de oplevering zouden hoeven te voldoen, is het hof van oordeel dat [appellanten] deze stelling in het licht van de betwisting daarvan door Reytec en in het licht van de vaststaande feiten onvoldoende hebben geconcretiseerd en toegelicht. Daarbij betrekt het hof dat niet is gebleken dat [appellanten] hebben geprotesteerd tegen de vermelding op de factuur dat deze direct betaald diende te worden en dat ook niet is gebleken dat zij in februari 2016, toen Reytec aandrong op betaling, naar voren hebben gebracht dat de factuur pas bij oplevering hoefde te worden voldaan. Bovendien had het op de weg van [appellanten] gelegen om nader toe te lichten waarom Reytec in juni 2015 zou hebben willen instemmen met een voorstel dat erop neerkomt dat [appellanten] een bedrag van ruim 22% van de aanneemsom pas bij oplevering zouden hoeven te voldoen, terwijl het in het oorspronkelijke voorstel ging om 3%.
4.19
Op grond van art. 6:38 BW Pro geldt dat indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, de nakoming van de verbintenis terstond kan worden gevorderd. De factuur van 15 juli 2015 was dus opeisbaar en [appellanten] dienden deze factuur te betalen toen Reytec in februari 2016 hierom vroeg.
4.2
Ook voor de meerwerkfacturen geldt dat deze direct opeisbaar waren omdat er geen tijd voor nakoming is bepaald. [appellanten] hebben aangevoerd dat ook deze facturen naar de stand van het werk betaald hoefden te worden, maar zij hebben niet concreet toegelicht waarom zij de gefactureerde werkzaamheden – die kennelijk al (grotendeels) waren uitgevoerd – nog niet hoefden te betalen.
4.21
Kortom, grief 2 in principaal appel is ongegrond. De facturen zijn dus opeisbaar.
Kan Reytec haar verplichtingen opschorten?
4.22
De rechtbank heeft geoordeeld dat Reytec op 4 maart 2016 bevoegd was tot opschorting van haar verbintenis tot het verrichten van resterende en herstelwerkzaamheden, omdat [appellanten] de factuur van 15 juli 2015 en de eerste meerwerkfactuur onbetaald had gelaten. [appellanten] verkeren dus in schuldeisersverzuim en kunnen geen beroep doen op opschorting, aldus de rechtbank.
4.23
Met grief 3 in principaal appel voeren [appellanten] aan dat zij niet in schuldeisersverzuim zijn, omdat zij zich al vóór 4 maart 2016 op opschorting hebben beroepen. Het was voor hen al eerder duidelijk dat Reytec geen deugdelijk werk had verricht. Om die reden hebben [appellanten] al eerder hun (eventuele) betalingsverplichting opgeschort.
4.24
In zijn algemeenheid kan niet de eis gesteld worden dat een partij die de nakoming van haar verbintenis opschort vanwege een niet-nakoming van haar wederpartij, haar wederpartij kenbaar maakt dat zij haar prestatie opschort. Evenwel kan onder omstandigheden uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat een schuldenaar pas van een hem toekomend opschortingsrecht gebruik mag maken nadat hij zijn wederpartij heeft meegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen, en wat degene die opschort, toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen, [1]
4.25
Partijen waren al sinds (in ieder geval) begin februari 2016 in overleg over de vraag in hoeverre Reytec aan haar verplichtingen onder de overeenkomst had voldaan. Bij e-mail van 11 februari 2016 heeft Reytec geschreven over de (herstel)werkzaamheden die nog moesten worden uitgevoerd en waarover nog overleg moest plaatsvinden. Ook vermeldt de e-mail dat partijen eerder die maand “de betalingsachterstand” hebben besproken. Bij brief van 4 maart 2016 heeft Reytec zich vervolgens op opschorting beroepen vanwege de betalingsachterstand. Hierop heeft de gemachtigde van [appellanten] bij brief van 14 maart 2016 aan Reytec medegedeeld dat [appellanten] een deskundige zullen inschakelen die Reytecs voorstel over herstel zal beoordelen. Over Reytecs beroep op een opschortingsrecht staat in deze brief het volgende:
“Ten onrechte beriep u zich in uw eerdergenoemde e-mail op uw opschortingsrecht. Partijen zijn een andere termijnregeling overeengekomen (…)”
4.26
Gegeven het feit dat Reytec zich bij brief van 4 maart 2016 expliciet op een opschortingsrecht heeft beroepen, had van [appellanten] kunnen worden verlangd dat zij Reytec duidelijkheid hadden verschaft over het (gestelde) feit dat [appellanten] hun verplichting tot betaling van de facturen al eerder hadden opgeschort vanwege de (gestelde) gebreken aan het werk. Dat hebben [appellanten] niet gedaan. Integendeel, zij hebben enkel aangevoerd dat Reytecs beroep op een opschortingsrecht niet opgaat omdat partijen een andere termijnregeling zouden zijn overeengekomen. Tegen deze achtergrond heeft Reytec destijds niet hoeven te begrijpen dat [appellanten] de openstaande facturen niet betaalden vanwege het (gestelde) gebrekkige werk van Reytec. In dit verband is van belang dat ook niet is gebleken dat het Reytec op enig eerder moment duidelijk is geweest dat [appellanten] de facturen niet wilden betalen vanwege de (gestelde) gebreken.
4.27
Dit alles betekent dat grief 3 in principaal appel ongegrond is. Aan Reytec kwam dus een opschortingsrecht toe.
Mocht Reytec de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden?
4.28
De rechtbank heeft geoordeeld dat de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst op 2 mei 2015 zonder effect is gebleven, omdat op grond van art. 7:756 lid 2 BW Pro daarvoor in dit geval tussenkomst van de rechter is vereist.
4.29
Grief 5 in incidenteel appel is tegen dit oordeel gericht. Daarin betoogt Reytec – terecht – dat zij de overeenkomst buiten rechte kon ontbinden op grond van art. 6:265 BW Pro en dat daarvoor geen tussenkomst van de rechter noodzakelijk is. De rechtbank heeft miskend dat art. 7:756 lid 2 BW Pro enkel ziet op de situatie dat het waarschijnlijk is dat de opdrachtgever niet op tijd of niet behoorlijk aan zijn verplichtingen zal voldoen. In dat geval is ontbinding door tussenkomst van de rechter mogelijk. Voor het overige blijft gelden dat iedere tekortkoming in de nakoming de wederpartij in beginsel de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden.
4.3
Grief 5 in incidenteel appel slaagt dus. Reytec mocht de overeenkomst partieel ontbinden.
4.31
Dit oordeel roept de vraag op wat de gedeeltelijke ontbinding precies inhoudt. Uit de ontbindingsbrief blijkt dat Reytec heeft beoogd dat zij de op dat moment resterende werkzaamheden en de herstelwerkzaamheden niet meer hoeft uit te voeren en dat [de v.o.f.] daar niet meer voor hoeft te betalen. De waarde van deze werkzaamheden heeft Reytec begroot op maximaal 3% van de aanneemsom, welk bedrag ook nog niet aan [de v.o.f.] is gefactureerd. De ontbinding van de overeenkomst betekent dus dat Reytec de nog niet uitgevoerde werkzaamheden niet langer hoeft uit te voeren en dat [appellanten] daarvoor niet hoeven te betalen. Het gevolg van de partiële ontbinding is ook dat Reytec verantwoordelijk blijft voor (eventueel) gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden, in die zin dat uit de ontbindingsbrief volgt dat Reytec heeft medegedeeld dat zij [appellanten] financieel compenseert voor deze gebreken en niet zelf het herstel van deze gebreken op zich zal nemen. Het hof zal op deze kwestie nader ingaan bij de bespreking van de door [appellanten] ingestelde vordering tot schadevergoeding.
Wat is het bedrag aan minderwerk dat op de aanneemsom in aftrek moet worden gebracht?
4.32
In hoger beroep staat tussen partijen vast dat sprake is van minderwerk. [appellanten] hebben in overleg met Reytec de dockshelters en twee sets shelterflappen uit de opdracht van Reytec gehaald en hebben deze werkzaamheden laten uitvoeren door een derde. Het minderwerk vertegenwoordigt volgens [appellanten] een bedrag van € 7.000,- exclusief btw voor de dockshelters en een bedrag van € 1.690,- exclusief btw voor de shelterflappen. De rechtbank heeft op basis van door [appellanten] overgelegde offertes van de bedrijven [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] geoordeeld dat de aanneemsom met € 8.690,- exclusief btw (€ 10.514,90 inclusief btw) moet worden verminderd.
4.33
Reytec heeft met grief 10 in incidenteel appel betoogd dat de rechtbank het bedrag aan minderwerk te hoog heeft vastgesteld. De door [appellanten] genoemde bedragen zijn de prijzen die [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] aan [appellant 2] hebben berekend. Reytec stelt dat zij de werkzaamheden zou hebben laten uitvoeren door [naam bedrijf 4] (hierna: [naam bedrijf 4] ). [naam bedrijf 4] rekent € 4.320,- voor levellers en € 1.580,- voor de shelterflappen. Dit komt uit op een totaal bedrag aan minderwerk van € 5.900,- exclusief btw, aldus Reytec.
4.34
[appellanten] hebben aangevoerd dat het allerminst zeker is dat Reytec met [naam bedrijf 4] in zee zou zijn gegaan als deze werkzaamheden niet uit de opdracht waren gehaald. Reytec had het namelijk aan [appellanten] overgelaten om een keuze te maken voor een fabrikant, zoals onder meer blijkt uit een e-mail van 10 juni 2015. Verder wijzen [appellanten] erop dat de door Reytec overgelegde prijsopgave van [naam bedrijf 4] niet is gedateerd en dat hierop enkel de voor Reytec genoemde inkoopprijzen zijn te zien. Volgens [appellanten] zou Reytec deze prijzen niet één-op-één aan [appellanten] hebben doorbelast, maar zou zij er een opslag over hebben berekend. Tot slot zijn [appellanten] van mening dat Reytec ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de in de prijsopgave genoemde ‘wieldwingers’. Er moet dan ook in ieder geval € 900,- worden opgeteld bij het door Reytec berekende bedrag aan minderwerk.
4.35
Naar het oordeel van het hof dient bij de berekening van het bedrag aan minderwerk te worden aangeknoopt bij het bedrag dat Reytec voor de desbetreffende werkzaamheden bij [appellanten] in rekening zou hebben gebracht. Anders dan [appellanten] aanvoeren, acht het hof het niet onaannemelijk dat Reytec de werkzaamheden zou hebben uitbesteed aan [naam bedrijf 4] , te meer nu [appellanten] niet met een alternatieve fabrikant zijn gekomen, maar in plaats daarvan de werkzaamheden hebben opgedragen aan een derde. De omstandigheid dat de door Reytec overgelegde prijsopgave ongedateerd is, is op zichzelf geen reden om te veronderstellen dat deze onjuist zou zijn.
4.36
Reytec heeft echter onvoldoende toegelicht waarom de werkzaamheden van [naam bedrijf 4] € 5.900,- exclusief btw zouden hebben gekost. De prijsopgave van [naam bedrijf 4] vermeldt immers € 2.250,- exclusief btw per dockleveller, € 790,- exclusief btw per dockshelter en € 450,- exclusief btw per wieldwinger. Dit zijn de bedragen die Reytec aan [appellanten] zou hebben doorberekend als er geen sprake van minderwerk zou zijn geweest. Het hof merkt daarbij op dat ook [appellanten] dit bedrag noemen als (toch) wordt uitgegaan van de prijsopgave van [naam bedrijf 4] , en dat zij daarbij de door hen gestelde opslag over de prijzen niet hebben meegenomen. Het hof gaat daarom uit van een totaalbedrag aan minderwerk van € 6.980,- exclusief btw (€ 8.445,80 inclusief btw).
4.37
Grief 10 in incidenteel appel is dus deels gegrond.
Zijn [appellanten] gehouden tot betaling van de eerste meerwerkfactuur?
4.38
De eerste meewerkfactuur ten bedrage van € 6.666,- exclusief btw is als volgt opgebouwd:
vergunningaanvraag: € 1.230,-, exclusief btw,
constructieberekeningen uitbouw staal ten behoeve van de vergunningaanvraag: € 860,-, exclusief btw,
vloerverwarming dockshelter: € 1.865,- , exclusief btw,
constructieberekeningen voor de wanden en vloer van het laaddock ten behoeve van de vergunningaanvraag: € 960,- , exclusief btw,
aanpassing tekeningen naar aanleiding van bodemonderzoek ten behoeve van de vergunningaanvraag: € 660,-, exclusief btw,
wijzigingen staalwapening wanden laadkuil: € 1.131,-, exclusief btw.
[appellanten] hebben in grief 12 in principaal appel terecht opgemerkt dat de rechtbank zich heeft vergist en bij post f) abusievelijk een bedrag van € 1.311,- heeft genoemd. Post f) is in hoger beroep verder niet in geschil.
De bouwvergunning + tekeningen
4.39
De posten a), b), d) en e) hebben alle betrekking op werkzaamheden die te maken hebben met de vergunningaanvraag. Met grief 6 in incidenteel appel voert Reytec aan dat deze werkzaamheden zijn aan te merken als meerwerk en dus niet zijn inbegrepen in de aanneemsom van € 161.500,-.
4.4
In de offerte van 12 juni 2015 (productie 1 bij conclusie van antwoord) staat hierover het volgende vermeld:
“Exclusief
(…)
 Aanvraag bouwvergunning
 Constructieberekeningen en tekeningen
 (…)”
En verderop is vermeld:
“PRIJZEN
(…)
PROJECT PRIJS € 160.000,-- excl. BTW
Incl. bouwvergunning tekeningen.”
4.41
[appellanten] hebben als productie 2 bij conclusie van antwoord dezelfde versie van de offerte in het geding gebracht, maar dan voorzien van handgeschreven aantekeningen van [appellant 2] . Volgens [appellanten] bevond deze versie van de offerte zich in hun administratie. Op die versie zijn onder het kopje “Exclusief” de regels “Aanvraag bouwvergunning” en “Constructieberekeningen en tekeningen” handmatig doorgehaald.
4.42
Reytec heeft als productie 1 in eerste aanleg een offerte (opdrachtbevestiging) van 25 juni 2015 in het geding gebracht. Volgens Reytec zijn hierin de definitieve afspraken van partijen verwoord. In deze offerte staat over het aanvragen van de bouwvergunning het volgende:
“Exclusief
(…)
 Aanvraag bouwvergunning
 Constructieberekeningen en tekeningen
 (…)”
En verderop is het volgende vermeld:
“PRIJZEN
Renovatie bedrijfsruimte/betonwerk docks vloer € 161.500,-- excl. BTW
Incl. bouwvergunning tekeningen 1 set.”
Volgens Reytec heeft [appellant 2] deze offerte ondertekend op de pagina waarop is vermeld dat de prijs inclusief 1 set “bouwvergunning tekeningen” is. Verder blijkt hieruit volgens Reytec dat de zogeheten “startset” bij de prijs is inbegrepen.
4.43
[appellanten] hebben betwist dat de door Reytec overgelegde offerte van 25 juni 2015 de afspraken van partijen volledig correct weergeeft. Volgens hen is de handtekening op deze offerte niet van [appellant 2] afkomstig. [appellanten] stellen dat er nog een andere versie van de offerte is, die wel door [appellant 2] is ondertekend en van parafen is voorzien en waarop aantekeningen staan die de juiste afspraken van partijen weergeven. Deze versie is volgens [appellanten] na een bespreking door Reytec meegenomen.
4.44
Reytec heeft in de toelichting op grief 1 in incidenteel appel aangeboden om door middel van een handschriftdeskundige te bewijzen dat de handtekening onder de offerte van 25 juni 2015 van [appellant 2] afkomstig is. Het hof gaat daaraan voorbij. Ook als in rechte zou kunnen worden vastgesteld dat het gaat om de handtekening van [appellant 2] , dan volgt daaruit uitsluitend dat [appellant 2] de laatste pagina van de offerte heeft ondertekend, maar niet dat hij ook heeft ingestemd met de overige pagina’s die Reytec als onderdeel van de offerte van 25 juni 2015 heeft overgelegd. Hieruit volgt ook dat verdere bespreking van grief 1 in incidenteel appel – waarin Reytec betoogt dat [appellanten] moeten bewijzen dat zij de door Reytec overgelegde offerte van 25 juni 2015 niet hebben ondertekend – geen verdere bespreking behoeft.
4.45
Uit de offerte van 12 juni 2015 volgt dat het aanvragen van de bouwvergunning en het maken van constructieberekeningen en tekeningen niet (althans niet volledig) bij de prijs zouden zijn inbegrepen. [appellant 2] heeft de desbetreffende passage weliswaar doorgehaald in de versie van de offerte die [appellanten] hebben overgelegd, maar Reytec heeft betwist dat zij hiermee heeft ingestemd. [appellant 2] heeft hierover in zijn getuigenverklaring op 24 februari 2022 het volgende naar voren gebracht:
“22. U vraagt mij wat ik heb afgesproken met [directeur] over vergunningen, constructieberekeningen en tekeningen. Ik wilde een prijs zonder extra kosten voor vergunningen, constructieberekeningen en tekeningen. Ik wilde een totaalprijs. Daarom staat in contract ook vermeld “projectprijs”, één prijs voor het hele project. Ik heb dat al op 16 juni 2015 met [directeur] besproken, ik wilde geen gedoe, alles voor één prijs, all-in. (…)
23. U vraagt mij of er tijdens de bespreking op 25 juni heel specifiek over deze drie onderwerpen (vergunningen, constructieberekeningen en tekeningen) is gesproken. Ja. Er stond exclusief, maar daar hebben we inclusief van gemaakt. (…)”
[directeur] heeft echter in zijn getuigenverklaring toegelicht dat en waarom Reytec deze werkzaamheden altijd buiten de aanneemsom houdt:
“Dat heeft ermee te maken dat de beoordeling per gemeente verschilt. De ene gemeente kijkt heel streng naar de details en de andere gemeente gaat al snel akkoord. Om die reden kan ik maar moeilijk een prijs begroten voor de werkzaamheden die daarmee verband houden. Als voorbeeld noem ik de berekeningen van het betonwerk onder de dockshelters. [appellant 2] zei tegen mij dat zij daarvoor zelf zou zorgdragen. Hetzelfde geldt voor de berekeningen ten aanzien van de indeling van de kantoorruimtes. Dat is een reden geweest om die berekening niet bij de vergunningaanvraag in te dienen. En evenmin op de tekeningen te vermelden.
23. U vraagt mij of Reytec voor [appellant 2] berekeningen, tekeningen of vergunningen heeft aangevraagd. Ja, wij hebben de berekening voor de staalconstructie laten maken. Later, na stillegging van het werk, ook voor de dockshelter. En gaandeweg het project kwamen er nog vragen van de gemeente over grondonderzoek. Dat heeft [appellant 2] zelf uitgevoerd.
24. Op een gegeven moment gaandeweg het project krijg je nog andere vragen van de gemeente, bijvoorbeeld over verkeersbewegingen of ten aanzien van de afvoer van het hemelwater. Dat zijn dingen die je van te voren moeilijk kunt inschatten. Dat is de reden waarom de kosten die verbonden zijn aan het maken van berekeningen, tekeningen en de vergunningaanvraag door Reytec als meerwerk worden aangemerkt en niet als onderdeel van het contract.”
4.46
Naar het oordeel van het hof heeft Reytec aldus overtuigend toegelicht dat en waarom de kosten die gepaard gaan met de vergunningaanvraag niet bij de oorspronkelijke offerte waren inbegrepen. De verklaring van [appellant 2] dat uiteindelijk is overeengekomen om deze kosten onder de aanneemsom te laten vallen, staat op zichzelf. Daarbij betrekt het hof dat niet is gebleken dat [appellanten] direct na de ontvangst van de meerwerkfactuur hebben geprotesteerd tegen het in rekening brengen van de kosten voor de aanvraag van de bouwvergunning. Kortom, de posten a), b), d) en e) vallen buiten het aangenomen werk. [appellanten] moeten de kosten daarvan aan Reytec vergoeden.
4.47
De conclusie is dat grief 6 in incidenteel appel gegrond is.
De vloerverwarming
4.48
Post c) van de eerste meerwerkfactuur ziet op de vloerverwarming van de dockshelter. Het gaat om een bedrag van € 1.865,-, exclusief btw. Met grief 4 in principaal appel voeren [appellanten] aan dat deze post is inbegrepen in de aanneemsom van € 161.500,-.
4.49
In de offerte van 12 juni 2015 (productie 1 bij conclusie van antwoord) staat hierover het volgende vermeld:
“Betonvloer 140m2 met vorstrand
(…)
Incl.
Leveren en monteren vloerverwarmingslang 25x2,7 mm. diffuus dicht t.b.v. betonvloer 140m2
Leveren en plaatsen tempex Eps100 10cm. dik onder betonvloer 140m2
Totaalprijs bovengenoemde werkzaamheden en materialen: € 64.500,-
Meerprijs vloerverwarming laadkuil
Het leveren en aanbrengen 320m2 laadkuilvloer van
diffuus dichte vloerverwarmingslang PE-RT 25 x 2,7 mm
h.o.h. 300 mm, exclusief verdeelstuk en afpersen.
Kosten bovengenoemde vloerverwarming: € 1865,-”
Verderop staat het volgende:
“PRIJZEN
Renovatie bedrijfsruimte € 100.000,-- excl. BTW
Betonwerk docks, vloer € 64.000,-- excl. BTW
-----------------------------
€ 164.500,-- excl. BTW
Slangen verwarming € 1.865,-- excl. BTW
PROJECT PRIJS € 160.000,-- excl. BTW”
4.5
Op basis van deze offerte kan worden geconcludeerd dat de kosten van de vloerverwarming in de dockshelter buiten de door Reytec geoffreerde prijs vielen en als meerwerk werden aangeboden. [appellanten] hebben in grief 4 in principaal appel aangevoerd dat uit de vermelding van “Slangen verwarming” onder het kopje “PRIJZEN” maar vóór “PROJECT PRIJS” volgt dat het bedrag van € 1.865,- is inbegrepen in de projectprijs. Aan [appellanten] kan worden toegegeven dat op grond van de lay-out van de pagina van de offerte waarop zij doelen, zou kunnen worden geconcludeerd dat het bedrag van € 1.865,- bij de aanneemsom is inbegrepen, maar uit de (daarmee samenhangende) tekst onder het kopje “Meerprijs vloerverwarming laadkuil” volgt dat dit niet het geval is.
4.51
Grief 4 in principaal appel is dus ongegrond.
4.52
De conclusie is dat [appellanten] de posten a), b), c), d) en e) van de eerste meerwerkfactuur aan Reytec verschuldigd zijn. Reytec heeft erkend dat [appellanten] post f) niet zijn verschuldigd. Ter zake van de eerste meerwerkfactuur moeten [appellanten] dus € 6.666,- minus € 1.131,- = € 5.535,- exclusief btw aan Reytec betalen. Hieruit volgt dat grief 2 in incidenteel appel, waarin op andere gronden wordt betoogd dat [appellanten] deze posten moet betalen, geen bespreking behoeft.
Zijn [appellanten] gehouden tot betaling van de tweede meerwerkfactuur?
4.53
De tweede meewerkfactuur ten bedrage van € 19.360,-, exclusief btw is als volgt opgebouwd:
Aanpassen staalconstructie voor het platte dak: € 3.750,-
EPDM dakbedekking voor een plat dak (in plaats van een schuin dak): € 6.300,-
Wijzigen goot: € 1.450,-
Wijzigen opbouw gevel in verband met de afvoer binnen: € 1.625,-
Wijzigen aansluiting gevel: € 875,-
Achter kopgevel beplating: € 935,-
Aanpassing overheaddeuren dockshelter: € 3.500,-
Herstel schade aan panelen: € 925,-.
4.54
In hoger beroep zijn de posten a), b) en c) in geschil. Deze posten houden verband met elkaar en hebben alle te maken met de vraag wanneer partijen hebben afgesproken dat de aanbouw een plat dak zou krijgen in plaats van een schuin dak en (dus) of het platte dak bij de aanneemsom is inbegrepen. [appellanten] zijn van mening dat partijen al in juni 2015 een plat dak zijn overeengekomen, terwijl Reytec het standpunt inneemt dat deze beslissing pas later is genomen. De rechtbank heeft geoordeeld is dat er hier sprake is van meerwerk. Daartegen zijn de grieven 5, 6 en 7 in principaal appel gericht.
4.55
In de offerte van 12 juni 2015 staat onder het kopje “ALGEMENE PROJECTGEGEVENS” het volgende vermeld over het dak van de aanbouw:
“type platdak kap 6.00 m
Dekhelling 26o
Kolomhoogte 3,50 m
Vakmaat 4,00 m
Afmetingen 1 kappen, 6,00 m breed en 23,00 m lang”
En onder het kopje “GEVEL EN DEK BEKLEDING” is over de dek bekleding vermeld:
“6 mtr bij uitbreiding zal bekleed worden met sandwich panelen 60/95”
Onder het kopje “goten” is het volgende vermeld:
“Type getrokken goot aan beide gebouwen
Opmerkingen De goten worden aan beide uiteinden voorzien van een afvoertuit aan de buitenzijde van de gevel.”
4.56
In de door [appellanten] overgelegde offerte van 12 juni 2015 met handgeschreven aantekeningen van [appellant 2] is doorgehaald dat het dak een helling van 26o zal hebben en is met de hand bijgeschreven “plat”. Daarnaast heeft [appellant 2] een vraagteken gezet bij de kolom hoogte. Hij heeft verder bijgeschreven: “minimaal 3,70 doorrijhoogte”. Verder is doorgehaald dat de kap 23 meter lang zal zijn en is er met de hand bijgeschreven “25 m”. Bij de passage over dakbekleding zijn ook opmerkingen gemaakt, die (naar het hof begrijpt) betrekking hebben op de aard en dikte van de dakpanelen. Het hof merkt op dat Reytec betwist dat de handgeschreven aantekeningen en doorhalingen van [appellant 2] onderdeel uitmaken van de overeenkomst.
4.57
De door Reytec overgelegde offerte van 25 juni 2015 bevat op het punt waar het hier om gaat, slechts kleine wijzigingen ten opzichte van de offerte van 12 juni 2015, behalve dat de afmeting van het dak van de uitbouw nu 6 x 25 meter is. En bij “dek bekleding” is nu een dikte van “75/112” vermeld, in plaats van de oorspronkelijke dikte van “60/95”. Het hof merkt op dat [appellanten] betwisten dat deze offerte de afspraken van partijen correct weergeeft.
4.58
Bij e-mail van 3 juli 2015 schrijft [naam 4] (Reytec) aan [appellant 2] het volgende:
“Bijgevoegd aangepaste tekening. Ik stuur deze ook even door naar [directeur] om de discussie betreffende de dakhelling op te starten. in principe is er ruimte genoeg voor de aandrijving en plaatsing van de ohd van 3000 tbv het laadperron, anders zou een mogelijk van een platdak met dakbedekking overwogen moeten worden.”
Bij de e-mail is een tekening gevoegd waarop het dak van de aanbouw is ingetekend met een flauwe hellinggraad. De tekening is gedateerd op 30 juni 2015. Deze tekening, die als productie 28 door Reytec is overgelegd, wordt door Reytec aangeduid als de startset. [appellanten] betwisten dat dit de startset is.
4.59
Bij e-mail van 5 juli 2015 schrijft [appellant 2] het volgende aan [naam 4] :
“Hallo [naam 4] , ik heb [directeur] zaterdag gesproken over platdak wel of niet.
Gezien de afgesproken hoogte binnenwerks rond de 3,5m moeten we denk ik maar uitgaan van een platdak.
Teken deze ook meteen maar in op de aanvraag met 4 afvoeren in de hoeken. (…)”
4.6
Bij e-mail van 6 juli 2015 schrijft [naam 4] aan [appellant 2] :
“Bijgevoegd de ingediende vergunning aanvraag en de correcte tekening. (…)”
Op de bijgevoegde tekening is het dak van de aanbouw plat. De tekening is gedateerd op 30 juni 2015.
4.61
[directeur] heeft als getuige over het dak van de aanbouw het volgende verklaard:
“29. U vraagt mij wat partijen zijn overeengekomen over het dak. Een vrachtwagen is ongeveer 2,5 meter hoog als hij gaat laden. De kolomhoogte zou 3,5 meter worden. [appellant 2] twijfelde daaraan. Hij wilde het liever wat hoger. Dat kon, maar dan moest het een plat dak worden. Ik heb mij daar zelf niet zoveel mee bemoeid. Dat speelde tussen [appellant 2] en [naam 4] . Het is uiteindelijk een plat dak met dakbedekking geworden. We zijn oorspronkelijk een schuin dak overeengekomen zoals afgebeeld op de startset. [appellant 2] heeft in zijn mail van 5 juli 2015 aangegeven dat het een plat dak met afvoeren in de hoeken moest worden. Vooraf is niet gesproken over bijkomende kosten voor de dakbedekking van een plat dak. Een andere dakbedekking is een logisch gevolg van de keuze van een plat dak in plaats van een schuin dak in verband met de keuze van een plat dak in plaats van een schuin dak in verband met de waterafdichting.
(…)
30. U houdt mij voor dat in productie 1 bij dagvaarding onder de algemene projectgegevens wordt gesproken over “type plat dak”. U vraagt mij of ik daar een verklaring voor heb. Het zal een verschrijving zijn geweest. Het contract gaat uit van een schuin dak. Aanwijzingen daarvoor zijn de hellinggraad van 26 graden en onder het kopje “gevel en dakbekleding”: 6 meter bij uitbreiding zal bekleed worden met sandwichpanelen. Sandwichpanelen is een type dakbekleding bedoeld voor schuine daken. Voor platte daken is er een ander type dakbedekking, dat wil zeggen er moet in ieder geval extra dakbedekking overheen om het waterdicht te maken.
31. U houdt mij voor dat in het contract wordt gesproken over een hellinggraad van 26 graden maar dat de tekening bij productie 28 van Reytec een kleinere hellingraad doet vermoeden. Dat klopt. In offertes en contracten wordt uitgegaan van 26 graden, dat is standaard in de kassenbouw. Bij het uitwerken van de eerste tekening, de startset, zijn we uitgekomen op een iets flauwere hellinggraad.
32. U houdt mij voor dat in het contract wordt gesproken over een kolomhoogte van 3,50 meter maar dat op de tekening bij productie 28 van Reytec een hoogte van 3,25 meter vermeld staat. Hiervoor geldt hetzelfde als ten aanzien van de hellinggraad. Dit is een praktische uitwerking geweest waarbij we zijn uitgekomen op een iets lagere kolomhoogte. Maar dat laat onverlet dat dit voldoende was om de overheaddeuren te kunnen inpassen. Dat was voor de vrachtwagens voldoende. Die hebben immers een hoogte van 2,5 meter.”
4.62
[naam 2] heeft als getuige het volgende verklaard:
“3. Ik ben aanwezig geweest bij een bespreking tussen de heer [directeur] en [appellant 2] . Dat was op 25 juni 2015. Ik ben daar niet helemaal zeker van, maar ik denk dat het die datum is geweest. (…)
13. (…) Het ging ook over de aanbouw, dat het er naast zou komen. In de papieren stond dat het een vlak dak was en daaronder stond dat het een schuin dak was. Ik weet dat er nog gelachen is. In het contract stond vermeld: eerst dat er een vlak dak moest komen en daaronder stond dat er een schuin dak zou komen. Vandaar dat [appellant 2] zei ‘dit moeten we doorhalen’. Het moet een vlak dak zijn met vier afwateringspunten. Ook is er iets besproken over de goten. De goten zouden ook aan het dak gebracht worden. Daarover is ook gelachen. Als je vier punten voor afwatering hebt, dan hoef je geen goten. In het project stond dat wel vermeld.”
4.63
[naam 3] heeft als getuige het volgende verklaard:
“39. U vraagt mij wat er voor dak moest komen. Een plat dak met vier afvoeren in de hoeken. Wat er in het contract verkeerd was en doorgestreept was, was dat er goten aangebracht zouden worden. Dat was vreemd, want goten zijn met een plat dak met vier gaten niet nodig. U vraagt mij of tijdens de bespreking waar ik bij was is besproken dat het een plat dak moest zijn. Ja.”
4.64
[appellant 2] heeft als getuige het volgende verklaard:
“24. U vraagt mij wat voor dak ik heb afgesproken. Een plat dak, kolomhoogte 3,5 meter, met vier afvoeren in de hoeken, sandwichpanelen 112 bij 140 mm als vermeld in eerste aanvraag. De afmeting was 25 bij 6 meter. De dakgoot kwam te vervallen in de aanbouw omdat het een plat dak was.
25. U vraagt mij hoe hoog een vrachtauto is. Onze vrachtauto is 3,90 meter.
(…)
26. U vraagt mij wanneer de afspraken over het dak precies zijn gemaakt. Dat was op 16 juni. Ik moest de hoogte hebben. De kolomhoogte moest 3,5 meter zijn. Anders konden de flappen niet gemonteerd worden bij de dockshelters.
27. U vraagt mij of de afspraken over het dak op 25 juni nogmaals ter sprake zijn gekomen. Ja, omdat ze fout in het contract stonden. Ze zijn toen aangepast. De kolomhoogte bleef hetzelfde. We hebben de hellinggraad doorgestreept en de vier afvoeren in de hoeken hebben we toen bijgeschreven, inclusief het vervallen van de goot aan de aanbouw.”
4.65
[appellanten] hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Reytec is geslaagd in het bewijs dat partijen oorspronkelijk een schuin dak zijn overeengekomen, maar dat dit later (in juli 2015) is gewijzigd in een plat dak. In de kern betogen [appellanten] dat het voor partijen al in juni 2015 duidelijk was dat een plat dak de beste optie was vanwege de gewenste (en overeengekomen) kolomhoogte van minimaal 3,5 meter, die noodzakelijk was met het oog op de doorrijhoogte van de vrachtwagens. Reytec wist of had behoren te begrijpen dat aan deze wens alleen tegemoet gekomen kon worden door middel van een plat dak, aldus [appellanten] hebben dit als volgt onderbouwd. De kolomhoogte van het hoofdgebouw was bekend: 4 meter. Om een goede aansluiting tussen hoofdgebouw en aanbouw te maken, was van meet af aan duidelijk dat het dak van de aanbouw hooguit een zeer flauwe helling zou kunnen hebben. In de tekening die Reytec aanduidt als startset (productie 28) heeft het dak van de aanbouw een hellinggraad van 5o. Dat is niet toereikend om een minimale kolomhoogte van 3,5 meter te kunnen bereiken. Op deze tekening is dan ook te zien dat de kolomhoogte van de zijgevel slechts 3,25 meter is. De e-mails van 3, 5 en 6 juli 2015 zijn volgens [appellanten] – kort gezegd – het gevolg van miscommunicatie tussen [naam 4] en [directeur] .
4.66
Naar het oordeel van het hof is voldoende duidelijk dat partijen van meet af aan gesproken hebben over de hellinghoek van het dak van de aanbouw. Uit de offerte van 15 juni 2015 blijkt dat Reytec aanvankelijk ervan is uitgegaan dat de aanbouw een schuin dak zou hebben. Weliswaar is in deze offerte vermeld dat het gaat om een plat dak, maar dit lijkt een verschrijving te zijn, gezien het feit dat alle overige specificaties er op wijzen dat het de bedoeling van Reytec was om een schuin dak aan te bieden. Verder blijkt uit de stukken, de stellingen en de getuigenverklaringen dat [appellant 2] het essentieel vond dat de aanbouw een kolomhoogte van ten minste 3,5 meter zou hebben. Mogelijk is dat de reden dat hij al van meet af aan een voorkeur heeft uitgesproken voor een plat dak. Daarmee is echter nog niet gezegd dat partijen op 25 juni 2015 (of eerder) zijn overeengekomen dat er een plat dak zou komen, nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat is afgesproken dat Reytec het platte dak zou realiseren tegen dezelfde prijs als die van een schuin dak. Met name uit de e-mailwisseling die in juli 2015 heeft plaatsgevonden, blijkt dat Reytec na de bespreking van 25 juni 2015 ook nog de mogelijkheden van een schuin dak heeft doorgerekend, wat erop wijst dat het voor Reytec niet duidelijk was dat er zonder meer een plat dak zou moeten komen. Deze berekeningen hebben er uiteindelijk toe geleid dat ook Reytec ervan overtuigd raakte dat een plat dak een betere optie was.
4.67
Dit alles leidt tot de conclusie dat de offerte van Reytec uitging van een schuin dak en dat [appellanten] redelijkerwijs niet mochten verwachten dat het platte dak – waarvoor begin juli 2015 definitief is gekozen – voor dezelfde prijs zou kunnen worden gerealiseerd. Voor zover [appellanten] stellen dat zij niet akkoord zouden zijn gegaan met een prijsverhoging als Reytec hen dit in juli 2015 had voorgelegd, verwerpt het hof deze stelling. Uit de eigen stellingen van [appellanten] volgt dat met een schuin dak niet zou kunnen worden voldaan aan de eis van [appellanten] dat de aanbouw een kolomhoogte van ten minste 3,5 meter moest hebben.
4.68
Hieruit volgt dat grief 5 in principaal appel ongegrond is. Het platte dak is pas later overeengekomen en maakte geen onderdeel uit van de oorspronkelijke overeenkomst.
4.69
Ter zake van de grieven 6 en 7 in principaal appel oordeelt het hof als volgt. Reytec heeft in haar memorie van antwoord de kosten voor de EPDM-dakbedekking en de goten nader gespecificeerd. Zij heeft echter, zoals [appellanten] aanvoeren, onvoldoende toegelicht waarom de keuze om af te zien van een schuin dak op dit punt geen aftrekpost wegens minderwerk heeft opgeleverd. Dit terwijl het op het eerste gezicht toch voor de hand ligt dat er naast meerwerk ook minderwerk is. [appellanten] hebben evenmin aanknopingspunten verschaft om het bedrag aan minderwerk te kunnen begroten. Het hof zal Reytec daarom in de gelegenheid stellen alsnog te reageren op de stelling dat er hier sprake is van minderwerk en, indien dat het geval is, het bedrag aan minderwerk toe te lichten. Zo nodig zal het hof te zijner tijd een schatting maken van de kosten van het (mogelijke) minderwerk.
4.7
De stelling van [appellanten] dat zij onvoldoende zijn geïnformeerd over het feit dat de keuze voor een plat dak kostenverhogend werkt en dat dit betekent dat zij de meerkosten niet hoeven te betalen, wordt verworpen. Zoals [appellanten] zelf hebben aangevoerd, bleek het schuine dak uiteindelijk geen reële optie omdat de door [appellanten] gewenste kolomhoogte van de aanbouw niet te realiseren was met een plat dak. Mogelijk hebben [appellanten] zich onvoldoende gerealiseerd dat een plat dak meerkosten meebracht, maar zij behoren deze kosten redelijkerwijs wel te dragen.
Door Reytec te betalen schadevergoeding
4.71
Het meest verstrekkende verweer van Reytec tegen de vordering van [appellanten] tot betaling van schadevergoeding, is het beroep op het exoneratiebeding in art. 13.2 van de Metaalunievoorwaarden. Art. 13.2 bepaalt het volgende:
“De verplichting tot schadevergoeding van opdrachtnemer op grond van welke wettelijke grondslag ook, is beperkt tot die schade waartegen opdrachtnemer uit hoofde van een door of ten behoeve van hem gesloten verzekering verzekerd is, maar is nooit hoger dan het bedrag dat in het betreffende geval door deze verzekering wordt uitbetaald.”
4.72
Het hof acht het aannemelijk dat de aansprakelijkheid in dit geval niet wordt gedekt door de aansprakelijkheidsverzekering. Immers, uit een e-mail van 23 augustus 2017 van de verzekeraar volgt dat niet verzekerd is schade en kosten die verband houden met het terugroepen, vervangen, verbeteren of herstellen van zaken die door of onder verantwoordelijkheid van de verzekeringnemer zijn geleverd. Dit betekent dat het hof moet beslissen of Reytec art. 13.2 van de Metaalunievoorwaarden in dit geval kan tegenwerpen aan [appellanten]
4.73
Hiervóór heeft het hof al overwogen dat dat de ontbinding van de overeenkomst niet meebrengt dat Reytec niet langer verantwoordelijk is voor gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden. [appellanten] kunnen in principe van Reytec verlangen dat Reytec de werkzaamheden waarvoor wordt betaald, correct uitvoert. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Reytec toegelicht dat de ontbinding ertoe strekte dat Reytec bevrijd zou zijn van de op dat moment nog resterende verplichtingen en dat daartegenover zou moeten staan dat [appellanten] de aanneemsom minus 3% betalen. Uit de ontbindingsbrief van 2 mei 2016 blijkt ook dat 3% van de aanneemsom (€ 4.845,-) de door Reytec geschatte waarde is van de na de ontbinding resterende werkzaamheden en de herstelwerkzaamheden. Reytec heeft weliswaar daarna aangeboden de (herstel)werkzaamheden alsnog uit te voeren, maar dit voorstel is gedaan in het kader van de onderhandelingen om te komen tot een minnelijke regeling die uiteindelijk niet tot stand is gekomen. Het hof verbindt dan ook geen gevolgen aan dit aanbod. Daarbij komt dat het als gevolg van de lange duur van deze procedure niet langer in de rede ligt dat Reytec herstelwerkzaamheden bij [appellanten] zal uitvoeren, nog daargelaten dat deze werkzaamheden volgens [appellanten] inmiddels deels al zijn uitgevoerd.
4.74
Gezien dit alles is het hof van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Reytec zich in deze procedure op art. 13.2 van de Metaalunievoorwaarden beroept. Als gevolg van de partiële ontbinding, waarbij blijkens de ontbindingsbrief het uitgangspunt was dat Reytec haar werkzaamheden direct zou neerleggen, moet er tot een redelijke financiële afwikkeling van het project worden gekomen. In dit geval komt het erop neer dat Reytec de herstelkosten moet vergoeden minus het bedrag van € 4.845,- dat [appellanten] niet aan Reytec hebben hoeven betalen.
4.75
Het hof zal hieronder ingaan op de door [appellanten] gestelde tekortkomingen. [appellanten] hebben aangevoerd dat Reytec op een aantal punten tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [appellanten] hebben schadevergoeding gevorderd, die de rechtbank – op basis van het deskundigenbericht van gerechtelijk deskundige Dankers – als volgt deels heeft toegewezen.
Tekortkoming
Vordering (incl. btw)
Rechtbank (incl. btw)
a. Dak van de aanbouw
€ 48.200,35
€ 12.925,-
b. Gordingen
€ 33.970,75
€ 5.000,-
c. Hemelwaterafvoeren
€ 2.613,60
€ 2.613,60
d. Reling en trap laadkuil
€ 4.450,-
€ 4.450,-
e. Staalconstructie aanbouw
€ 6.582,40
€ 3.000,-
f. Gevelpanelen, gevels en loopdeur
nihil
nihil
g. Afwerking betonwerk
€ 1.191,85
€ 1.191,85
h. Overhead deuren
€ 786,50
€ 786,50
i. Wanden interieurs aanbouw
€ 13.600,-
afgewezen
4.76
Beide partijen hebben bezwaren tegen een aantal van de door de rechtbank toegewezen bedragen. [appellanten] heeft ook bezwaar tegen de afwijzing door de rechtbank van post i). Het hof zal de desbetreffende grieven hieronder bespreken.
Post a – dak van de aanbouw
4.77
Grief 9 in principaal appel en grief 8 in incidenteel appel zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de herstelkosten voor het dak van de aanbouw. De rechtbank heeft over deze post geoordeeld dat partijen geen steekhoudende bezwaren hebben ingebracht tegen de vaststelling door Dankers dat hier sprake is van constructieve gebreken die verholpen moeten worden. De rechtbank heeft het schadebedrag (€ 12.925,-) overgenomen uit het rapport van Dankers. Meer concreet gaat het om twee gebreken die moeten worden verholpen:
De dakrand van de aanbouw moet worden verlaagd tot 10 cm. De kosten hiervan bedragen € 425,- (inclusief btw en inclusief 10% onvoorzien).
De EPDM-bedekking van het dak van de aanbouw ligt los en is niet afgewerkt. Onder de EPDM zijn verhoogde schroefdoppen voelbaar en zijn kleine delen van de onderliggende staalplaat aan het bollen. De EPDM is ook niet omhoog gezet, waardoor het lekt. Het aanpassen en vervangen van de dakbedekking kost € 12.500,- (inclusief btw en 10% onvoorzien).
4.78
Reytec heeft aangevoerd dat zij de kosten voor herstel van het dak van de aanbouw niet hoeft te vergoeden, omdat zij niet in verzuim verkeert. Ook heeft zij aangevoerd dat zij de gebreken zelf tegen een lager bedrag had kunnen herstellen. Het hof verwerpt dit verweer omdat Reytec zelf al in de ontbindingsbrief van 2 mei 2016 aan [appellanten] heeft medegedeeld dat zij zich bevrijd acht van haar verplichting om herstelwerkzaamheden te verrichten. Voor zover Reytec meent dat de herstelwerkzaamheden aan de dakbedekking voor een veel lager bedrag dan € 12.500,- inclusief btw zouden kunnen worden uitgevoerd, had het op haar weg gelegen dit nader met stukken te onderbouwen. Het bewijsaanbod van Reytec dat het herstel van het dak niet meer dan € 1.586,80 exclusief btw zou hoeven te kosten, wordt dan ook gepasseerd.
4.79
[appellanten] zijn van mening dat er ter zake van de aanpassing van de dakrand meer ingrijpende maatregelen nodig zijn dan voorzien door Dankers en dat de raming ter zake van de dakbedekking ook irrealistisch laag is. Zij hebben daarbij een beroep gedaan op het rapport van [naam 6] van 25 januari 2019, de offerte van [naam bedrijf 1] van 14 januari 2019 en een verklaring van [naam 5] (van [naam bedrijf 1] ). [appellanten] hebben bewijs aangeboden van hun stellingen.
4.8
Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] met het rapport van [naam 6] niet aangetoond dat de door Dankers gesignaleerde gebreken een veel meer omvattend herstel noodzakelijk maken dan door Dankers voorzien. In het rapport wordt niet uitgelegd waarom het rapport van Dankers – die als gerechtelijk deskundige is opgetreden – op dit punt niet deugdelijk zou zijn. De offerte van [naam bedrijf 1] ziet op heel veel meer dan het herstel van de dakbedekking en de aanpassing van de dakrand, met als gevolg dat de offerte ook aanzienlijk hoger uitkomt dan het door Dankers begrote bedrag. Het hof verwerpt daarom de stelling van [appellanten] dat Dankers de schade te laag heeft begroot.
4.81
Daarnaast zijn [appellanten] van mening dat de rechtbank ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de dikte van de dakplaten, dit terwijl er een dunnere dakplaat (met een lagere isolatiewaarde) is geleverd en gemonteerd dan overeengekomen. Volgens [appellanten] is uiteindelijk een dikte van 112/140 mm overeengekomen, terwijl er platen met een dikte van 80/125 mm zijn geplaatst.
4.82
Het hof stelt vast dat in de offertes verschillende diktes worden genoemd. In de offerte van 12 juni 2025 staat een dikte van 60/95 mm. [appellant 2] heeft daar met de hand bijgeschreven “95/112 PIR” en “130 mm”. In de offerte van 25 juni 2015 staat een dikte van 75/112. Het rapport Dankers vermeldt hierover dat het “diffuus” is wat er is afgesproken. Volgens Dankers voldoen de dakplaten wel aan de voorwaarden die daaraan zijn gesteld in de offerte van 25 juni 2015, maar niet aan de handgeschreven tekst van [appellant 2] op de offerte van 12 juni 2025. Nu [appellanten] bewijs hebben aangeboden van hun stelling dat partijen dakplaten met een dikte van 112/140 mm zijn overeengekomen, zal het hof hen toelaten tot bewijslevering.
Post b – gordingen
4.83
Grief 10 in principaal appel en grief 9 in incidenteel appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de herstelkosten ter zake van de gordingen.
4.84
In het rapport van Dankers is over het plaatsen van de gordingen vermeld (A) dat de gordingen ter plaatse van het kozijn van de deuropening zijn onderbroken en dat hier geen gebrek is als Reytec de ramen en deurkozijnen nog voorziet van raveelwerk. Verder is vermeld (B) dat de beide contracten vermelden dat er twee rijen gordingen moeten worden aangebracht door Reytec, maar dat de gording op circa anderhalve meter hoogte niet is aangebracht, en (C) dat er schetsplaten moeten worden aangebracht op een door [appellanten] gewenste hoogte. De kosten van het (her)plaatsen van de gebreken B en C worden begroot op € 2.275,-. Ook heeft Dankers vastgesteld (D) dat er een afwijkend profieltype gordingen is toegepast dan afgesproken, maar dat het een constructief gelijkwaardige oplossing is en niet als gebrek gezien kan worden, en (E) dat de onderdorpel nog moet worden afgewerkt. Tot slot heeft Dankers vastgesteld (F) dat sommige gordingen in de voorgevel nog niet zijn vastgezet, maar dat Reytec voornemens is dat nog te doen.
4.85
De rechtbank heeft over deze post geoordeeld dat uit het rapport van Dankers volgt dat sprake is van bouwkundige gebreken ter zake van de werkzaamheden B en C. Dankers heeft de herstelkosten begroot op € 2.275,-, maar de rechtbank heeft, met gebruikmaking van haar schattingsbevoegdheid, de kosten bepaald op € 5.000,- onder meer omdat Reytec het herstel niet zelf zal uitvoeren. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [appellanten] niet inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat de schade ter zake van de gordingen € 33.970,75 zou bedragen.
4.86
[appellanten] klagen erover dat de schadevergoeding voor de gebreken B en C te laag is vastgesteld. Naar het oordeel van het hof hebben zij echter ook in hoger beroep niet inzichtelijk gemaakt waarom de schadevergoeding hoger zou moeten zijn.
4.87
Reytec heeft aangevoerd dat de door de rechtbank vastgestelde schadevergoeding te hoog is, onder meer omdat herstel niet nodig zou zijn. Zij verliest uit het oog dat Dankers nu juist heeft vastgesteld dat herstel wel in de rede ligt. Dat de rechtbank de schade voor de posten B en C te laag heeft vastgesteld, heeft Reytec onvoldoende onderbouwd.
4.88
[appellanten] zijn verder van mening dat de rechtbank uit het oog heeft verloren dat Dankers ervan uitging dat sommige gebreken door Reytec zouden worden hersteld. Dankers heeft daarvoor geen herstelkosten begroot, terwijl Reytec de gebreken in werkelijkheid niet heeft hersteld. Het gaat [appellanten] in het bijzonder om de punten A, D, E en F. Reytec heeft niet betwist dat zij de desbetreffende werkzaamheden niet heeft uitgevoerd. In haar memorie van antwoord heeft zij aangevoerd dat de werkzaamheden niet noodzakelijk zijn, maar dat zij wel bereid is om de beweerdelijke gebreken en verzuimen te herstellen. Het hof gaat hieraan voorbij. In het rapport van Dankers is vastgesteld dat deze werkzaamheden nog moeten worden uitgevoerd. In dit stadium (meer tien jaar nadat de overeenkomst is ontbonden) is herstel door Reytec niet langer aan de orde.
4.89
[appellanten] hebben in hoger beroep nog niet (voldoende duidelijk) toegelicht welk bedrag gepaard gaat met het herstel van deze werkzaamheden. Het hof zal hen in de gelegenheid stellen dit alsnog te doen.
4.9
Tot slot hebben [appellanten] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het feit dat bij de gevels gebruik is gemaakt van blind verschroefde panelen, waardoor het onmogelijk is om een reeds aanwezige gording simpel los te schroeven en op een ander niveau te bevestigen. Voor het verplaatsen van een aanwezige gording en voor het toevoegen van een extra gording moeten alle panelen worden verwijderd. Daardoor zijn de herstelkosten aanzienlijk hoger dan door Dankers begroot, namelijk € 28.075,- exclusief btw. [appellanten] verwijzen in dit verband naar de verklaring van [naam 5] en bieden bewijs aan door het horen van deskundigen.
4.91
Het is het hof vooralsnog niet duidelijk in hoeverre dit punt en het in verband daarmee gevorderde bedrag samenhangen met de gebreken A, D, E en F. Mogelijk dat hiervoor een deskundige moet worden ingeschakeld. Het komt het hof raadzaam voor dat partijen in overleg gaan hoe dit punt op te lossen. Mochten zij er samen niet uitkomen, dan zal het hof [appellanten] toelaten om hierover een nadere toelichting te geven. Daarop kan Reytec vervolgens reageren.
Post f – gevelpanelen, gevels en loopdeur
4.92
Grief 11 in principaal appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de herstelkosten ter zake van gebreken aan de gevelpanelen, de gevels en de loopdeur. De rechtbank heeft ter zake van deze gebreken geen schadevergoeding toegewezen, omdat [appellanten] te kennen hebben gegeven dat zij de kosten voor herstel al elders hebben meegenomen.
4.93
[appellanten] hebben in de memorie van grieven toegelicht dat zij aanvankelijk geen schadevergoeding hebben gevorderd voor het herstel van deze gebreken omdat zij ervan uitgingen dat de rechtbank een hoger bedrag aan schadevergoeding zou toekennen ter zake van het gebrek aan het dak van de aanbouw en de gordingen. Nu dit niet het geval is (en aangenomen dat ook de grieven 9 en 10 in principaal appel ongegrond zijn), vorderen zij een bedrag van € 23.105,- exclusief btw voor de demontage en herplaatsing van de gevelpanelen van de aanbouw en daaraan verbonden de raamkozijnen en deuren. De noodzaak van deze werkzaamheden volgt uit het rapport van Dankers, die er echter van uitging dat Reytec deze werkzaamheden zelf zou uitvoeren.
4.94
Naar het hof begrijpt, gaat het [appellanten] meer in het bijzonder erom dat de gevelplaten direct op de lekdorpel zijn geplaatst. Reytec heeft betwist dat het hier gaat om een constructief gebrek.
4.95
Grief 11 in principaal heeft ook betrekking op een gebrek ter zake van de isolatie en afdichting. Dit gebrek hebben [appellanten] bij hun vordering in reconventie wel aangestipt, maar zij zijn hier verder in de procedure niet op ingegaan. Naar het hof begrijpt, is ook dit onderdeel van grief 11 ingesteld onder de voorwaarde dat de grieven 9 en 10 in principaal appel niet al tot de door [appellanten] gewenste hogere schadevergoeding leiden. Zij zijn van mening dat Dankers op dit punt heeft geoordeeld dat sprake is van een gebrek. De omvang van de schade begroten [appellanten] op 2,5% van de aanneemsom, dat wil zeggen op € 4.037,50 exclusief btw.
4.96
Reytec heeft aangevoerd dat zij bereid was de isolatie en afdichting aan te brengen, maar dat [appellanten] daar niet aan wilden meewerken.
4.97
Naar het oordeel van het hof volgt mede uit het rapport van Dankers (p. 29, onder 3.1 A) dat het hier gaat om de afwerkingspunten, die Reytec nog niet had uitgevoerd toen de overeenkomst werd ontbonden. Dankers kwalificeert deze punten in ieder geval niet als gebreken. Als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst was Reytec ook niet langer gehouden om deze werkzaamheden nog uit te voeren. [appellanten] kan hiervoor geen schadevergoeding vorderen. Grief 11 in principaal appel is daarom ongegrond.
Post i – wanden van de interieurs van de aanbouw
4.98
Grief 8 in principaal appel is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de kosten ter zake van het aanbrengen van wanden in de aanbouw. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte geen acht gelagen op de overgelegde bouwtekeningen, waarop binnenwanden zijn ingetekend. Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben [appellanten] samen met Reytec een ander door Reytec uitgevoerd project bezocht, waar Reytec wel binnenwanden heeft gerealiseerd. Reytec heeft toen gezegd dat zij dit ook bij [appellant 2] zou doen. Uit de offerte blijkt ook dat Reytec een raamkozijn voor een binnenwand zou leveren en ook de gang van zaken bij de aanvraag van de bouwvergunning wijst erop dat Reytec de binnenwanden in de aanbouw zou realiseren, aldus [appellanten]
4.99
Naar het oordeel van het hof faalt deze grief. In de offertes is geen enkele indicatie te vinden dat Reytec zich heeft verbonden om in de aanbouw binnenwanden aan te brengen. De omstandigheid dat er in de offerte is opgenomen dat Reytec een raamkozijn voor een binnenwand zou leveren, is daarvoor onvoldoende, mede gezien de toelichting van Reytec dat [appellanten] een inpandig raam wilden hebben dat identiek was aan de ramen in de buitenmuren. Ter zake van de aanbouw maken de offertes voor het overige uitsluitend melding van de materialen en de werkzaamheden die bedoeld zijn voor de buitenwanden, het dak en de vloer. Er worden geen binnenwanden of binnendeuren geoffreerd. Tegen deze achtergrond is de omstandigheid dat op de tekeningen wel binnenwanden staan ingetekend en dat de binnenwanden bij de vergunningaanvraag (mogelijk) ook ter sprake zijn geweest, van onvoldoende betekenis. Dat Reytec voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gezegd dat zij voor [appellanten] binnenwanden zou realiseren, heeft Reytec betwist. Nu [appellanten] geen bewijs hebben aangeboden van deze stelling, gaat het hof hieraan voorbij.
4.100 Grief 8 in principaal appel is dus ongegrond. Het aanbrengen van binnenwanden behoorde niet tot de opdracht.
Overige grieven
4.101 Grief 3 in incidenteel appel ziet op de ingangsdatum van de wettelijke rente die is verschuldigd over de facturen. Volgens Reytec volgt uit art. 6:119a lid 2 sub a BW dat de rente gaat lopen vanaf dertig dagen na de ontvangst van de facturen. Deze grief is ongegrond als het gaat om de meerwerkfacturen. Het is zonder meer duidelijk dat Reytec verwachtte dat [appellanten] deze facturen direct zouden voldoen. Dit gaat echter niet op voor de factuur van 15 juli 2015. Naar Reytec heeft toegelicht, heeft zij op verzoek van [appellanten] de aanneemsom in juli 2015 in drie delen gefactureerd, maar duidelijk is dat zij er niet van uitging dat [appellanten] al deze facturen binnen 30 dagen zou voldoen, ook al staat er op de factuur ‘per ommegaande’. Voor de betalingstermijnen heeft Reytec feitelijk willen vasthouden aan de oorspronkelijk in de offerte voorkomende betalingstermijnen. Dit blijkt onder meer uit de e-mail van 11 februari 2016 van [directeur] aan [appellant 2] , waarin [directeur] schrijft:
“Verder hebben we gesproken over de betalingsachterstand aangaande de renovatie conform de betalingstermijnen en leveringsvoorwaarden van onze overeenkomst (…) en de aanvullend uitgevoerde werkzaamheden. Deze dienen per omgaande voldaan te worden tot en met 7% bij aanvang deuren montage, deze zijn reeds gemonteerd.”
4.102 Het hof acht het redelijk dat betaling van de factuur van 15 juli 2015 binnen dertig dagen na deze e-mail had moeten geschieden. Nu dat niet is gebeurd gaat de wettelijke handelsrente lopen vanaf dertig dagen na 11 februari 2016.
4.102 Grief 4 in incidenteel appel ziet op de btw over de door [appellanten] gevorderde schadevergoeding. Volgens Reytec maakt de btw geen onderdeel uit van de door [appellanten] gevorderde schade. [appellanten] hebben zich op dit punt aan het oordeel van het hof gerefereerd. De grief is gegrond. Voor zover Reytec schadevergoeding aan [appellanten] moet betalen, zijn deze bedragen exclusief btw. Het hof zal [appellanten] in de gelegenheid stellen de schadeberekening hierop aan te passen.
4.102 Het hof zal de behandeling van grief 13 in principaal appel (buitengerechtelijke kosten) aanhouden. Dat geldt ook voor grief 11 in incidenteel appel (kosten van deskundigen), grief 12 in incidenteel appel (buitengerechtelijke kosten) en grief 13 in incidenteel appel (proceskosten).
Conclusie en verdere gang van zaken
4.105 Samenvattend heeft het hof het volgende geoordeeld:
  • De Metaalunievoorwaarden zijn van toepassing op de overeenkomst (rov. 4.4-4.14).
  • Alle facturen van Reytec zijn opeisbaar (rov. 4.15-4.21).
  • Reytec kon een beroep doen op een opschortingsrecht (rov. 4.22-4.27).
  • Reytec mocht de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden. Dit betekent dat Reytec de nog niet uitgevoerde werkzaamheden niet langer hoeft uit te voeren en dat [appellanten] daarvoor niet hoeven te betalen. Reytec blijft wel verantwoordelijk voor (eventueel) gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden, in die zin dat Reytec [appellanten] financieel compenseert voor deze gebreken en niet zelf het herstel van deze gebreken op zich neemt (rov. 4.28-4.31)
  • Er komt een bedrag van € 6.980,- exclusief btw (€ 8.445,80 inclusief btw) aan minderwerk in mindering op de aanneemsom (rov. 4.32-4.37).
  • Van de eerste meerwerkfactuur is een bedrag van € 5.535,- exclusief btw verschuldigd (rov. 4.38-4.52).
  • Ter zake van de posten a tot en met c van de tweede meewerkfactuur geldt dat partijen aanvankelijk een schuin dak zijn overeengekomen en dat pas later is gekozen voor een plat dak (rov. 4.53-4.70). Het hof zal Reytec in de gelegenheid stellen om toe te lichten in hoeverre de keuze om af te zien van een schuin dak een aftrekpost wegens minderwerk heeft opgeleverd (rov. 4.69).
  • Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Reytec een beroep doet op het exoneratiebeding in de Metaalunievoorwaarden als verweer tegen de door [appellanten] ingestelde vordering tot schadevergoeding (rov. 4.71-4.74).
  • Ter zake van schadepost a (dak aanbouw) worden [appellanten] toegelaten tot het leveren van bewijs dat partijen dakplaten van 112/140 mm zijn overeengekomen (rov. 4.81-4.82). Voor het overige zijn de grieven over deze schadepost ongegrond (rov. 4.77-4.80).
  • Ter zake van schadepost b (gordingen) worden [appellanten] in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op de omvang van de schade die gepaard gaat met de gebreken A, D, E en F en op de kwestie van de blind verschroefde panelen (rov. 4.83-4.91).
  • Ter zake van schadepost e (gevelpanelen, gevels, loopdeur) geldt dat de grief van [appellanten] ongegrond is (rov. 4.92-4.97).
  • Ter zake van schadepost i (binnenwanden aanbouw) geldt dat de grief van [appellanten] ongegrond is (rov. 4.98-4.100).
  • Over de factuur van 15 juli 2015 zijn [appellanten] de wettelijke handelsrente verschuldigd die is gaan lopen vanaf 30 dagen na factuurdatum. Voor het overige is de desbetreffende grief van [appellanten] ongegrond (rov. 4.101-102).
  • De schadevergoeding die Reytec aan [appellanten] is verschuldigd is exclusief btw. [appellanten] zullen in de gelegenheid worden gesteld hun vordering hierop aan te passen (rov. 4.103).
  • Grief 13 in principaal appel en de grieven 11 en 12 in incidenteel appel zullen worden aangehouden (rov. 4.104).
4.106 Het hof zal [appellanten] toelaten tot bewijslevering zoals in rov. 4.82 omschreven door middel van het horen van getuigen. Partijen zullen daarna in de gelegenheid worden gesteld om een memorie na getuigenverhoor te nemen. [appellanten] kunnen bij deze gelegenheid ook hun stellingen met betrekking tot de gordingen nader toelichten (zie rov. 4.89 en 4.91) en, in verband met de btw, hun schadevergoedingsvordering aanpassen (zie. rov. 4.103).
4.106 Reytec zal gelijktijdig met haar memorie na getuigenverhoor in de gelegenheid worden gesteld een akte te nemen over de vraag in hoeverre de keuze om af te zien van een schuin dak een aftrekpost wegens minderwerk heeft opgeleverd (rov. 4.69). [appellanten] zullen hierop bij akte mogen reageren.
4.106 Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5.Beslissing

Het hof:
  • laat [appellanten] toe tot het leveren van bewijs dat partijen voor de aanbouw dakplaten van 112/140 mm zijn overeengekomen;
  • bepaalt dat, als [appellanten] getuigen willen doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. P. Volker, op 13 mei 2026 om 9:30 uur;
  • bepaalt dat, als één der partijen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak, opgeeft verhinderd te zijn op de genoemde datum en daarbij de verhinderdata van beide partijen in de maanden mei tot en met juli van 2026 opgeeft, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
  • deelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat het niet nodig is deze voor het getuigenverhoor over te leggen;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Volker, C.A. Joustra en A.F.J.A. Leijten in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6088.