Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1288

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
200.367.334/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 515 SvArt. 4 Wrakingsprotocol Gerechtshof Den Haag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na arrest

In deze strafzaak heeft verzoeker na het wijzen van het arrest op 2 april 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheren die het arrest hebben gewezen. Het verzoek werd op 3 april 2026 per e-mail ingediend en op 10 april 2026 schriftelijk aangevuld.

De wrakingskamer heeft vastgesteld dat het wrakingsverzoek is ingediend nadat de behandeling van de strafzaak was geëindigd door het doen van de einduitspraak. Volgens artikel 512 en Pro 515 van het Wetboek van Strafvordering is het niet mogelijk om wraking te verzoeken van rechters nadat het arrest is gewezen.

Daarom is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. De wrakingskamer heeft op grond van het wrakingsprotocol van het gerechtshof Den Haag besloten af te zien van een mondelinge behandeling. De beslissing is op 21 april 2026 door drie raadsheren genomen en aan alle betrokken partijen toegezonden.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in het wrakingsverzoek omdat dit na het arrest is ingediend.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 200.367.334/01
Parketnummer hoofdzaak : 22-002560-23
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
adres: [adres] , [woonplaats] ,
hierna ook te noemen: verzoeker.

Het geding

In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd rolnummer heeft op 2 april 2026 een terechtzitting van de meervoudige strafkamer plaatsgevonden, alwaar mr. M.S. Lamboo, voorzitter, mr. R. van der Hoeven en mr. F.W. van Lottum zitting hadden.
Bij e-mail van 3 april 2026 heeft de verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan. Op 10 april 2026 heeft de verzoeker het verzoek schriftelijk aangevuld.
3. De wrakingskamer heeft kennis genomen van het proces-verbaal van de zitting van 2 april 2026 en van het arrest van het hof van 2 april 2026.
4. De raadsheren hebben niet in de wraking berust.
5. Om na te melden redenen heeft de wrakingskamer afgezien van een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

6. De wrakingskamer stelt vast dat de raadsheren in de strafzaak geregistreerd onder rolnummer 22-002560-23 ter openbare terechtzitting van 2 april 2026 mondeling arrest hebben gewezen. Verzoeker heeft bij e-mail van 3 april 2026 het wrakingsverzoek ingediend. Dat betekent dat verzoeker het wrakingsverzoek heeft ingediend nadat het arrest is gewezen en dat de behandeling van de strafzaak op het moment van indienen van het wrakingsverzoek dus al was geëindigd.
7. Nu de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechters die deze uitspraak hebben gedaan, is verzoeker om die reden niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
8. Artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de wrakingskamer de mogelijkheid heeft om kennelijk niet-ontvankelijke wrakingsverzoeken zonder mondelinge behandeling af te doen. Blijkens artikel 4, tweede lid aanhef en sub e, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag is hier sprake van indien het wrakingsverzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan. Nu aanstonds duidelijk is dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek, zal worden afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek.

Beslissing

Het hof:
  • verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 21 april 2026 door mr. K. Schaffels, mr. C.A. Joustra en mr. M.J.M. van der Weijden, in aanwezigheid van de griffier mr. V.V. de Lange.