Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1289

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
200.367.640/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 SvArt. 512 SvArt. 515 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren in strafzaak

In de strafzaak tegen de verzoeker werd op 17 april 2026 een zitting gepland bij de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Den Haag. De verzoeker probeerde voorafgaand aan de zitting zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken, maar werd door de griffier geïnformeerd dat dit niet mogelijk was en dat hij zijn standpunten tijdens de zitting kon toelichten. Tevens werd de verzoeker gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat.

Op de dag van de zitting diende de verzoeker een schriftelijk wrakingsverzoek in tegen de raadsheren die de zaak behandelden. Dit verzoek werd op 19 april 2026 aangevuld. De raadsheren gaven aan niet in de wraking te berusten.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat de verzoeker geen concrete gronden voor wraking heeft aangevoerd. Op grond hiervan werd het wrakingsverzoek zonder zitting afgewezen als kennelijk ongegrond, conform artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en het Wrakingsprotocol van het Gerechtshof Den Haag.

De beslissing werd op 21 april 2026 genomen door de raadsheren K. Schaffels, C.A. Joustra en M.J.M. van der Weijden, en een afschrift van de beslissing werd toegezonden aan de verzoeker, de betrokken raadsheren en de advocaat-generaal.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen wegens het ontbreken van wrakingsgronden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 200.367.640/01
Parketnummer hoofdzaak : 22-002931-25
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum] 1977,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna ook te noemen: verzoeker,

Het geding

1. In de strafzaak tegen de verzoeker onder genoemd rolnummer stond op 17 april 2026 een zitting van de meervoudige strafkamer gepland, alwaar mr. E.C. van Veen, voorzitter, mr. M.E.L. Hendriks en mr. A. Postma, leden, zitting hadden.
2. Voorafgaand aan de terechtzitting heeft de verzoeker middels meerdere e-mailberichten getracht zijn standpunt met betrekking tot de strafzaak aan de strafkamer kenbaar te maken.
3. Bij e-mail van 7 april 2026 heeft de griffier de verzoeker bericht dat de verzoeker zijn standpunten niet schriftelijk en voorafgaand aan de zitting aan het hof kan doen toekomen, maar dat verzoeker zijn standpunten ter terechtzitting van 17 april 2026 naar voren kan brengen.
4. De griffier vermeldt dat de verzoeker, gelet op het bepaalde in artikel 40 van Pro het Wetboek van Strafvordering, recht heeft op bijstand van een advocaat en dat een advocaat voorafgaand aan de zitting eventuele verzoeken kan doen. Een afschrift van het e-mailbericht wordt daarbij aan de raadsman gestuurd die de verzoeker in eerste aanleg bij heeft gestaan en die namens hem hoger beroep in heeft gesteld.
5. Op 17 april 2026, voorafgaand aan de zitting, heeft de verzoeker bij brief een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan. Op 19 april 2024 heeft de verzoeker zijn wrakingsverzoek schriftelijk aangevuld.
6. De raadsheren hebben in een e-mailbericht van 17 april 2026 kenbaar gemaakt niet in de wraking te berusten.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

7. De wrakingskamer constateert dat de verzoeker in zijn wrakingsverzoek geen gronden voor wraking heeft aangevoerd. De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting, met toepassing van artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 4, tweede lid aanhef en sub a, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag, aanstonds af. Het verzoek is gelet op het ontbreken van wrakingsgronden kennelijk ongegrond.

Beslissing

Het hof:
  • wijst het verzoek tot wraking af;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 21 april 2026 door mr. K. Schaffels, mr. C.A. Joustra en mr. M.J.M. van der Weijden, in aanwezigheid van de griffier mr. V.V. de Lange.