Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 17 februari 2026
[verzoeker] ,
[verweerster] B.V.,
Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift (met productie) binnengekomen bij het hof op 23 juli 2025, waarmee [verzoeker] in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht van 29 april 2025 (hierna: de beschikking);
- het verweerschrift van [verweerster] , teven verzoekschrift in incidenteel hoger beroep (met producties) binnengekomen bij het hof op 16 oktober 2025;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van [verzoeker] binnengekomen bij het hof op 31 oktober 2025.
Feiten
“DO”, de zogenaamde digital order. Dat is een systeem waarin klantgegevens worden vastgelegd die intern en extern (verzekeringstussenpersonen) worden gebruikt.
“We zetten een streep onder het verleden en gaan met nieuwe energie door”. Het functioneren van [verzoeker] over 2023 is als overwegend positief door [verweerster] beoordeeld.
Procedure in eerste aanleg
g-grond), subsidiair op grond van ongeschiktheid van de werknemer (de d- grond) en meer subsidiair op de cumulatiegrond (de i-grond). Verder heeft [verweerster] verzocht te bepalen dat zij aan [verzoeker] een transitievergoeding dient te betalen van € 13.032,-- bruto. Tot slot heeft Heinoord verzocht de proceskosten te compenseren.
Verzoeken in het principaal hoger beroep
Verzoeken in het incidenteel hoger beroep
De beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep
principale grieven 1 en 2tegen het oordeel dat er sprake is van een cumulatiegrond (de i- grond). Het incidenteel hoger beroep keert zich met de
incidentele grieven 1 tot en met 3tegen het oordeel dat er geen sprake is van een voldragen g- grond.
incidentele grieven 1 tot en met 3betoogt [verweerster] dat er wel sprake is van een voldragen g- grond, als volgt.
[CEO ad interim] (hierna: [CEO ad interim] ) en via de mail van. 30 maart 2023 aan [verzoeker] het volgende bericht:
AD C ONTOELAATBAAR SLECHTE WERKHOUDING EN COMMUNICATIE
[opvolgend leidinggevende] (hierna: [opvolgend leidinggevende] ), hem er op gewezen dat hij diezelfde dag nog de brief van [CEO ad interim] met het aangekondigde verbetertraject, aan collega's had doorgezonden. Dit heeft voor onrust op de werkvloer gezorgd, met nadelige gevolgen voor de werksfeer en het vertrouwen.
principale grief 3betoogt [verzoeker] dat het opzegverbod vanwege het lidmaatschap van [verzoeker] van de ondernemingsraad (art. 7:670 lid 4 onderdeel Pro 1 BW) aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat.
“onmiskenbaar het gevolg van een confrontatie tussen [verzoeker] met de directie tijdens een vergadering in november 2022. De klacht die [verzoeker] toen indiende werd hem persoonlijk aangerekend en was de aanleiding voor het daarop voor het eerst gemaakte verwijt van disfunctioneren.”
“in te kleuren of te bewijzen”. Zijn
“gevoel"vindt geen objectieve steun in de stukken.
uitsluitendverband houden met het probleem dat [verweerster] had met de houding en het gedrag van [verzoeker] in de uitoefening van zijn functie. Daarbij is van belang dat dit probleem er ook al was voordat [verzoeker] lid werd van de OR.
principale grief 5betoogd dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom gehouden is een billijke vergoeding aan hem te betalen (art. 7:671b lid 8 onderdeel c BW). Daartoe heeft [verzoeker] het volgende aangevoerd.
Beslissing in het principaal en het incidenteel hoger beroep
opnieuw rechtdoende:
- bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter voor het overige;
- veroordeelt [verzoeker] aan [verweerster] terug te betalen een bedrag van € 4.008,38, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de dag dat [verweerster] dit bedrag aan [verzoeker] heeft betaald, tot de dag van de volledige terugbetaling;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op € 2.580,-- , te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op € 2.117,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.