Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1596

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
200.360.980/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:660 BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 8 BWArt. 7:671b lid 9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen werknemer na onrechtmatig afwezig en niet retourneren camera

De werknemer trad in 2018 in dienst bij Profoto als image processing developer en verhuisde daarvoor naar Nederland. In december 2022 wijzigde hij zijn vakantieperiode en meldde zich ziek, waarna hij zonder toestemming vanuit Iran ging werken en een camera van Profoto meenam zonder toestemming. Profoto gaf meerdere waarschuwingen en verzocht de camera persoonlijk terug te brengen, wat de werknemer weigerde.

Profoto sprak ontslag op staande voet uit wegens diverse gedragingen van de werknemer, waaronder onrechtmatige afwezigheid, werken op afstand zonder toestemming, en het niet retourneren van de camera. De kantonrechter vernietigde het ontslag op staande voet maar ontbond de arbeidsovereenkomst op de e-grond. Na hoger beroep en cassatie bevestigde het hof deze ontbinding op de e-grond.

Het hof oordeelde dat de werknemer verwijtbaar handelde door zonder overleg de camera mee te nemen naar Iran en niet tijdig terug te brengen, ondanks waarschuwingen en het aanbod van Profoto om de reiskosten te vergoeden. Ook het onrechtmatig werken vanuit Iran zonder toestemming en het niet verschijnen op een gepland gesprek werden meegewogen. De werknemer kon geen ernstige verwijtbaarheid worden toegerekend. De kosten van het principale beroep werden aan de werknemer opgelegd, die in het ongelijk werd gesteld.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is ontbonden op de e-grond wegens verwijtbaar handelen van de werknemer.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
zaaknummer gerechtshof Den Haag: 200.360.980/01
zaaknummer Hoge Raad der Nederlanden: 24/02972
zaaknummer gerechtshof Amsterdam: 200.332.200/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 10397558 \ AO VERZ 23-28
beschikking van 19 mei 2026 (bij vervroeging)
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in principaal beroep,
verweerder in incidenteel beroep,
advocaat: mr. O.J. Praamstra, kantoorhoudende te Zoetermeer,
tegen
PROFOTO B.V.,
gevestigd te Haarlem,
verweerster in principaal beroep,
verzoekster in incidenteel beroep,
advocaat: mr. C.C. Zillinger Molenaar, kantoorhoudende te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk de werknemer en Profoto genoemd.

1.De zaak in het kort

Vervolg van HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1171 (
Profoto). Het hof komt na cassatie en verwijzing tot de slotsom dat de kantonrechter het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst terecht heeft toegewezen op de e-grond en bekrachtigt alsnog de beschikking van de kantonrechter.

2.Het geding in hoger beroep na verwijzing

In deze zaak heeft de Hoge Raad een beschikking uitgesproken op 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1171). Voor het procesverloop tot dat moment verwijst het hof naar de beschikking van de Hoge Raad.
Het verloop van de procedure na verwijzing van het geding naar dit hof blijkt uit de volgende stukken:
  • toelichting na verwijzing (met producties) van de werknemer,
  • verweerschrift na verwijzing WWZ-zaak (met producties) van Profoto.
De mondelinge behandeling is gehouden op 13 april 2025. Met het oog op deze mondelinge behandeling heeft de werknemer nog producties toegestuurd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende. Het hof neemt deze feiten over uit de beschikking van de Hoge Raad.
3.1.
Profoto houdt zich bezig met het ontwikkelen en exploiteren van hard- en software voor productfotografie.
3.2.
De werknemer is in 2018 in dienst getreden bij Profoto in de functie van image processing developer. Daartoe is hij naar Nederland verhuisd. Laatstelijk genoot de werknemer een salaris van € 5.508,-- bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van het personeelshandboek van Profoto van toepassing.
3.3.
De leidinggevende van de werknemer (hierna: de leidinggevende) heeft de vakantieaanvragen van de werknemer van 23 tot en met 31 december 2022 en van 16 tot en met 27 januari 2023 geaccordeerd. Op 4 december 2022 heeft de werknemer zijn vakantieaanvraag gewijzigd door de week van 23 tot en met 31 december te ruilen voor de week van 12 tot en met 18 december 2022. De leidinggevende heeft deze wijziging op 6 december 2022 geaccordeerd.
3.4.
Op 11 december 2022 heeft de werknemer zich ziek gemeld en Profoto verzocht om zijn vakantiedagen om te zetten in ziektedagen.
3.5.
Op 12 december 2022 is de werknemer naar Iran gegaan.
3.6.
Op 14 december 2022 heeft de werknemer aan de leidinggevende laten weten dat hij zich weer wat beter voelde. Als reactie daarop heeft de leidinggevende de werknemer verzocht om de camera die Profoto van Canon in bruikleen had (hierna: de camera), terug te brengen zodra de werknemer weer beter was. De werknemer heeft de leidinggevende daarop laten weten dat hij de camera heeft meegenomen naar Iran om daarmee op afstand te kunnen werken, waarop de leidinggevende de werknemer heeft geschreven dat hij niet wist dat de werknemer op afstand zou werken. De leidinggevende heeft de werknemer gewezen op de regel dat hij zonder toestemming geen apparatuur mag meenemen op vakantie. Daarop heeft de werknemer laten weten dat hij al in Iran was en dat hij op 27 januari 2023 terug zou vliegen, maar dat dit om medische redenen misschien later zou worden. De werknemer heeft de leidinggevende verzocht om een alternatief te vinden voor de camera, of hem de tijd te geven om de camera via DHL terug te sturen naar kantoor. Partijen hebben overleg gevoerd over verschillende wijzen van terugbrengen van de camera.
3.7.
Op 15 december 2022 heeft de werknemer zich beter gemeld.
3.8.
Op 16 december 2022 heeft de werknemer laten weten dat hij de camera niet veilig per koerier kan versturen vanuit Iran.
3.9.
Op 22 december 2022 heeft de werknemer een schriftelijke waarschuwing gekregen, kort gezegd vanwege het (1) van 11 december 2022 tot 16 januari 2023 zonder toestemming vanuit Iran werken, (2) zonder toestemming meenemen van de camera naar Iran en (3) benaderen van een sales manager in plaats van HR met betrekking tot een salarisverhoging, waarmee de werknemer de autoriteit van zijn manager heeft ondermijnd. De werknemer is gesommeerd om op 9 januari 2023 terug te zijn op het werk en de camera te retourneren.
3.10.
Op 24 december 2022 heeft de werknemer voorgesteld om de camera mee te geven aan personen die naar Nederland zouden vliegen.
3.11
Op 30 december 2022 heeft Profoto aan de werknemer laten weten dat de werknemer de camera persoonlijk moet terugbrengen op 9 januari 2023, omdat er geen passende oplossing is om de camera terug te sturen vanuit Iran. Profoto heeft aangeboden om de kosten van de vlucht van de werknemer van Iran naar Nederland te betalen. Profoto heeft de werknemer verzocht om uiterlijk op 2 januari 2023 te laten weten of hij op 9 januari 2023 terug zal zijn.
3.12
Op 2 januari 2023 heeft de werknemer in reactie op de officiële waarschuwing van 22 december 2022 laten weten dat hij (i) niet anders heeft gehandeld dan in voorgaande jaren, (ii) niet zonder toestemming van zijn manager op afstand is gaan werken en (iii) in voorgaande jaren ook apparatuur heeft meegenomen naar het buitenland om daarmee te werken.
3.13.
Op 3 januari 2023 heeft Profoto de werknemer nogmaals verzocht om te laten weten of hij op 9 januari 2023 terug zal zijn op kantoor. Ook heeft Profoto aan de werknemer meegedeeld dat het werken op afstand niet is goedgekeurd en dat het niet opvolgen van de instructies gevolgen kan hebben voor zijn dienstverband.
3.14.
Op 3 januari 2023 heeft de werknemer aan Profoto laten weten dat hij op 9 januari 2023 niet op kantoor terug zal zijn, omdat hij in verband met tandheelkundige behandelingen in Iran moet blijven. Hij heeft ook laten weten dat hij last heeft van de waarschuwing en het dreigen met ontslag.
3.15.
Op 4 januari 2023 heeft de werknemer zich ziek gemeld. Hij heeft aan Profoto laten weten dat hij in Iran een dokter heeft bezocht, die hem medicatie heeft voorgeschreven. Volgens de werknemer kampte hij met burn-outklachten.
3.16.
Op 9 januari 2023 heeft de leidinggevende de werknemer gevraagd om bewijzen van zijn arbeidsongeschiktheid en van de tandheelkundige behandelingen.
3.17.
Op 10 januari 2023 heeft de werknemer in een e-mailbericht aan Profoto laten weten dat hij naar een bedrijfsarts in Iran is geweest, die een milde depressie bij hem heeft geconstateerd en heeft geadviseerd om tot aan zijn vakantie wel werkzaamheden te verrichten. In datzelfde e-mailbericht heeft de werknemer geschreven dat zijn tandheelkundige behandelingen hem niet belemmerden om eerder terug te keren naar Nederland.
3.18.
Op 12 januari 2023 heeft de leidinggevende (wederom) aan de werknemer meegedeeld dat hij niet op afstand mag werken en dat hij deze dagen als vakantie moet opnemen. De werknemer heeft daarop gereageerd met de opmerking dat het al vijf jaar gebruikelijk is om een paar dagen op afstand te mogen werken en stelt voor de discussie daarover voort te zetten na zijn vakantie. De leidinggevende heeft de werknemer verzocht een document over te leggen waaruit blijkt dat hij niet naar huis kan vliegen. Hij heeft zijn email aan de werknemer afgesloten met de opmerking:
“I consider this being the latest communication on the subject and we will discuss this face-to-face the 30th of January when you are back from your vacation.”
De werknemer heeft daarop dezelfde dag gereageerd met:
“Hi, I agree. Let this be the last communication. We will continue after my vacation.”
3.19.
Op maandag 16 januari 2023 is de vakantie van de werknemer begonnen en was de werknemer volgens eigen opgave niet bereikbaar.
3.20.
De werknemer is per e-mail uitgenodigd voor een gesprek op 30 januari 2023 om 10:00 uur op het kantoor van Profoto. De werknemer heeft deze uitnodiging op 12 januari 2023 eerst geaccepteerd, maar deze diezelfde dag, korte tijd later, alsnog afgewezen omdat hij pas op 31 januari 2023 op Schiphol zou landen. Voor het misverstand rond zijn datum van terugkeer heeft hij zijn verontschuldigingen aangeboden. Hij heeft vervolgens op 12 januari 2023 aan Profoto voorgesteld om het gesprek van 30 januari 2023 te verplaatsen naar woensdag 1 februari 2023. Hierop heeft Profoto niet gereageerd.
3.21.
Op 18 januari 2023 heeft de HR-manager van Profoto aangekondigd dat Profoto zich het recht voorbehoudt op loonopschorting, omdat geen bewijsstuk is ontvangen waaruit blijkt dat de werknemer op 4 januari 2023 niet kon werken en niet kon terugkeren naar Nederland. Daarbij is de werknemer nogmaals gewezen op het gesprek van 30 januari 2023.
3.22.
Op 24 januari 2023 is aan de werknemer meegedeeld dat zijn loon van 4 tot 10 januari 2023 wordt opgeschort totdat hij een bewijsstuk heeft ingeleverd met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid, de voorgeschreven behandeling en een verklaring dat hij niet naar huis kon vliegen. Verder is meegedeeld dat de werknemer op 30 januari 2023 op gesprek wordt verwacht met de mededeling “so far you have not confirmed this” en aangekondigd dat als de werknemer niet verschijnt op het gesprek van 30 januari 2023, dit beschouwd zal worden als werkweigering en een reden voor ontslag op staande voet. In de ochtend van 30 januari 2023 heeft de werknemer bij emailbericht van 08:33 uur aan Profoto laten weten dat hij een recept van de huisarts en een verklaring van de door hem geraadpleegde bedrijfsarts heeft, waarin deze verklaart dat de werknemer last heeft van angsten en depressie, en aangeboden deze toe te zenden. De werknemer heeft voorgesteld om, zoals afgesproken, de discussie voort te zetten nu hij terug is van vakantie. Hij heeft ook laten weten de inhouding op zijn salaris voorbarig te vinden, omdat hij nog niet schuldig is bevonden. Tot slot heeft hij opgemerkt dat Profoto kennelijk zijn afwijzing d.d. 12 januari 2023 van het vergadervoorstel op 30 januari 2023 heeft gemist en verwezen naar de eerdere e-mailwisseling.
3.23.
De werknemer is niet verschenen op het gesprek van 30 januari 2023.
3.24.
Op 30 januari 2023 heeft Profoto de werknemer per e-mail en per brief op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van die datum zijn als redenen daarvoor genoemd:
1. het onrechtmatig afwezig zijn op het werk door zonder toestemming in Iran te verblijven van 12 december 2022 tot 13 januari 2023;
2. het zonder toestemming vanaf 12 december 2022 op afstand werken vanuit Iran;
3. het meenemen van een dure camera van een relatie van Profoto naar Iran en het niet retourneren daarvan, ondanks diverse verzoeken van Profoto;
4. het afwijzen van het verzoek van Profoto om op 9 januari 2023 terug te keren naar Nederland, terwijl Profoto heeft aangeboden om het vliegticket te betalen;
5. het zonder geldige reden afwezig zijn op het gesprek van 30 januari 2023;
6. het weigeren van het werk vanaf 30 januari 2023;
7. het gewaarschuwd zijn dat wanneer hij niet verschijnt op het gesprek van 30 januari 2023, dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert;
8. het op die waarschuwing alleen reageren met een e-mail met het verwijt dat Profoto de discussie over werken op afstand en terugkeren op het werk in Nederland slecht heeft behandeld;
9. het overleggen van onvoldoende documenten met betrekking tot de gestelde ziekte tijdens zijn verblijf in Iran;
10. het door de werknemer niet bewijzen dat hij niet uit Iran kon terugkomen voor 30 januari 2023; en
11. het niet tijdig reageren op verzoeken en het negeren van instructies en communicatie.
3.25.
Profoto heeft de werknemer de wettelijke transitievergoeding uitbetaald.
4. Korte weergave van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep vóór cassatie en verwijzing
4.1.
De werknemer heeft in eerste aanleg verzocht om het ontslag op staande voet te vernietigen en Profoto te veroordelen tot wedertewerkstelling en doorbetaling van zijn loon. Profoto heeft voorwaardelijk verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op grond van verwijtbaar handelen (de e-grond), subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) en meer subsidiair op grond van een combinatie van ontslaggronden (de i-grond). In reactie op dit meer subsidiaire verzoek van Profoto heeft de werknemer bij de mondelinge behandeling verzocht om toekenning van de extra vergoeding als bedoeld in artikel 7:671b lid 8 BW als de arbeidsovereenkomst op de i-grond wordt ontbonden.
4.2.
De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd en de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2023 ontbonden op de e-grond. [1]
4.3.
De werknemer heeft in principaal beroep verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen wat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst betreft en te bepalen dat de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht wordt hersteld. Profoto heeft in incidenteel beroep verzocht voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet geldig is en dat de werknemer schadeplichtig is, dan wel de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 13 juni 2023.
4.4.
Het hof Amsterdam heeft de vernietiging van het ontslag op staande voet bekrachtigd en beslist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter niet op de e-grond kon worden gegeven maar in stand blijft op de i-grond. [2]

5.Beoordeling na cassatie en verwijzing

Beoordeling van de e-grond
5.1.
De uitkomst van het incidentele cassatieberoep brengt mee dat het hof opnieuw moet oordelen over de vraag of de kantonrechter het ontbindingsverzoek van Profoto terecht op de e-grond heeft toegewezen. Deze vraag moet worden beoordeeld naar de toestand ten tijde van de beslissing van de kantonrechter.
5.2.
Het hof komt tot de conclusie dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het hof licht dat hierna toe.
5.3.
Het hof acht voldoende aannemelijk dat de leidinggevende van de werknemer zich er niet van bewust was dat de werknemer tussen de twee geplande vakantieperiodes (van 12 t/m 18 december 2022 en van 16 t/m 27 januari 2023) niet op kantoor zou werken, maar op afstand vanuit Iran. De stelling van de werknemer dat hij binnen Profoto informeel had gemeld dat hij voor deze periode naar Iran zou gaan, oordeelt het hof tegenover de betwisting door Profoto te vaag om te kunnen aannemen dat hij dit ook aan zijn leidinggevende had gemeld. Ook de mail van de leidinggevende aan de werknemer van 14 december 2022 (20:44 uur) biedt, gezien de uitleg daarvan door Profoto, onvoldoende grond voor de juistheid van die stelling. Het hof zal er echter veronderstellenderwijs, met de werknemer, van uitgaan dat de leidingevende zich had kunnen realiseren dat de werknemer in de betrokken periode op afstand zou werken.
5.4.
Ook in dat geval had van de werknemer mogen worden verwacht voor zijn vertrek te overleggen over het meenemen van de camera. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft zelfs tegen niemand binnen Profoto gezegd dat hij de camera zou meenemen. Het hof onderschrijft wat de kantonrechter op dit punt heeft overwogen in haar beschikking onder 5.6. Het ging om een kostbare camera, om een camera die Profoto in bruikleen had, om een lange periode dat Profoto in Nederland niet over de camera zou kunnen beschikken en om een bestemming in het verre buitenland. Een en ander was, zo begrijpt het hof, ook bij de werknemer bekend. Anders dan de werknemer heeft aangevoerd, kan dit niet slechts als “mogelijk onhandig” of “An unfortunate incident is all it is” worden aangemerkt. Dat de werknemer de camera had meegenomen om (eventueel) mee te kunnen werken, brengt hierin geen verandering. Ook op dat punt sluit het hof zich aan bij het oordeel van de kantonrechter. Dat er nog een tweede, zelfde, camera bij Profoto aanwezig was, leidt ook niet tot een ander oordeel. De werknemer heeft de schriftelijke verklaring van de voormalige leidinggevende en de toelichting van de leidingevende ter zitting van het hof Amsterdam – erop neerkomend dat de beide camera’s op korte termijn in Nederland nodig waren - op dit punt onvoldoende betwist.
5.5.
Het hof acht, tegen de achtergrond van het voorgaande, de opdracht van Profoto aan de werknemer om de camera persoonlijk naar Nederland terug te brengen een redelijke opdracht.
5.6.
Hierbij wegen de volgende omstandigheden mee. Gebleken is dat een voldoende veilig geachte en voor de werknemer minder bezwaarlijke mogelijkheid om de camera weer in Nederland te krijgen, zich niet voordeed. Retournering van de camera door de werknemer hoefde niet in de door hem geplande vakantieperiode te gebeuren. De tandheelkundige behandelingen in Iran vormden voor de werknemer niet een serieuze belemmering om de camera naar Nederland te brengen. De werknemer heeft dat reeds erkend in zijn e-mail aan Profoto van 10 januari 2023. Het hof memoreert ten overvloede dat van de zijde van de werknemer ter zitting van het hof Amsterdam is gezegd “De echte reden was dat hij niet inzag waarom camera terug moest komen, tandarts verhaal heeft hij eronder gehangen”. De opdrachten van Profoto aan de werknemer respectievelijk de weigering door de werknemer om de camera naar Nederland te brengen, dateren van vóór de ziekmelding van de werknemer op 4 januari 2023, waaraan nog wordt toegevoegd dat het bij deze arbeidsongeschiktheid volgens de werknemer zelf slechts om enkele dagen ging. Profoto had een legitiem belang om de camera op korte termijn - eerder dan eind januari/begin februari 2023 - terug te krijgen. Daarbij kwam dat Profoto de camera in bruikleen had van Canon, de bruikleenperiode reeds was verstreken en Profoto niet in de situatie wilde komen te verkeren dat zij niet in staat zou zijn de camera terug te geven als Canon deze zou opeisen. Profoto had aangeboden de redelijke kosten voor een enkele vlucht te vergoeden.
5.7.
Gebleken is dat Profoto de werknemer meermaals en indringend heeft gevraagd de camera terug te brengen. Zij heeft de werknemer daarbij vanaf een gegeven moment ook gewaarschuwd voor de consequenties als hij aan dat verzoek niet zou voldoen.
5.8.
Ter zitting van het hof Amsterdam heeft de werknemer gezegd dat hij de camera zou hebben terugbezorgd als men hem de urgentie maar had uitgelegd en hij zou hebben geweten dat het hem zijn baan zou kosten. Dit verweer kan de werknemer echter niet verontschuldigen. Uit de gewisselde e-mails volgt dat Profoto aan de werknemer heeft uitgelegd voor welk doel zij over de camera wilde beschikken. Het hof verwijst naar de producties 9 en 22 bij verweerschrift in eerste aanleg (mails van 12 en 15 december 2022). De werknemer wist dat Profoto de camera in bruikleen had (zie hiervóór onder 5.4) en Profoto heeft de werknemer expliciet laten weten dat het een camera was die toebehoorde aan Canon (productie 13 bij verweerschrift in eerste aanleg en productie 4 bij inleidend verzoekschrift: mail respectievelijk waarschuwingsbrief van 14 en 22 december 2022). Ten slotte heeft Profoto de werknemer wel degelijk – zowel voor als na zijn ziekmelding - gewaarschuwd voor mogelijke consequenties, daaronder begrepen beëindiging van de arbeidsovereenkomst (productie 4 bij inleidend verzoekschrift, producties 34, 37 en 45 bij verweerschrift in eerste aanleg: waarschuwingsbrief respectievelijk mails van 22 december 2022, 3, 4, 5 en 11 januari 2023). Voor zover de werknemer heeft bedoeld te betogen dat hij het oordeel van Profoto over het doel en de urgentie van het weer kunnen beschikken over de camera in Nederland niet deelde, verwerpt het hof dit betoog. Profoto heeft de aan de werknemer gegeven opdracht voldoende toegelicht en deze viel redelijkerwijs binnen de reikwijdte van de instructiebevoegdheid die haar op grond van artikel 7:660 BW Pro toekwam. Ook als de werknemer zich niet de mogelijke gevolgen van het niet uitvoeren van de opdracht heeft gerealiseerd, komt dat voor zijn rekening. Voor die mogelijke gevolgen was hij in elk geval toereikend gewaarschuwd.
5.9.
De voorgaande overwegingen voeren het hof tot de conclusie dat de kantonrechter het verzoek van Profoto tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond (kort gezegd: verwijtbaar handelen) terecht heeft toegewezen. Dit betekent dat andere gedragingen van de werknemer die Profoto eveneens verwijtbaar heeft geacht, verder onbesproken kunnen blijven.
5.10.
De werknemer heeft aandacht gevraagd voor het handelen van Profoto in de escalatie van het conflict tussen partijen. In de visie van de werknemer brengt dat handelen van Profoto mee dat hem niet kan worden verweten dat er weerstand is ontstaan. De werknemer heeft aangevoerd dat de hem op 22 december 2022 gegeven schriftelijke waarschuwing onjuist en ook onverwacht en zonder voldoende aanleiding was. Het hof verwerpt dit verweer. Voorop staat dat, zoals hiervóór overwogen, de opdracht van Profoto aan de werknemer om de camera persoonlijk naar Nederland terug te brengen, gegeven nadat was gebleken dat er geen andere (veilige) methode beschikbaar was om de camera van Iran naar Nederland te transporteren, in de gegeven omstandigheden een redelijke opdracht was. Het oordeel dat de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld door te weigeren aan die opdracht gehoor te geven, wordt niet anders indien met de werknemer zou worden aangenomen dat andere verwijten van Profoto niet terecht waren. Het hof ziet onvoldoende verband tussen de opstelling van Profoto in de betrokken periode en die weigering van de werknemer. Anders gezegd: het hof acht niet aannemelijk dat de werknemer de camera destijds wel zou hebben teruggebracht naar Nederland als Profoto zich anders tegenover hem zou hebben opgesteld. Wat het hof wel aannemelijk acht, is dat de werknemer het eenvoudigweg niet eens was met de stellige en duidelijke opdracht van Profoto om zijn eigen misrekening met betrekking tot de camera te herstellen en ziende blind was voor de ernst van de waarschuwingen die hij kreeg. Er bestaat daarom geen grond de verwijtbaarheid van het handelen van de werknemer alsnog anders te waarderen.
5.11.
Anders dan de werknemer nog heeft aangevoerd, was Profoto niet gehouden eerst andere maatregelen te onderzoeken, óók niet nadat het gesprek op 30 januari 2023 niet was gehouden en het vervolgens aan de werknemer gegeven ontslag op staande voet in rechte niet rechtsgeldig is bevonden. Naar het hof begrijpt, doelt de werknemer op het voeren van een gesprek om te bezien of het geschil tussen partijen “op een normale wijze kon worden afgehandeld”. Dat zodanig gesprek niet is gehouden, staat aan ontbinding op de e-grond wegens de hiervóór besproken omstandigheden niet in de weg. De werknemer was reeds schriftelijk gewaarschuwd, heeft zich daaraan vervolgens niets gelegen laten liggen en heeft op geen enkel moment blijk ervan gegeven de ontoelaatbaarheid van zijn handelen in te zien.
5.12.
De grieven II en III in principaal beroep stuiten op het voorgaande af.
5.13.
Grief I in principaal beroep kan verder onbesproken blijven omdat de werknemer daarbij onvoldoende belang heeft. De werknemer heeft overigens in zijn beroepschrift onder 15 zelf naar voren gebracht dat de overname door Profoto en de verandering van leidinggevende in 2022 niet hebben geleid tot een wijziging van regels of beleid.
g-/i-grond niet meer van belang
5.14.
Het oordeel van het hof na verwijzing over de e-grond brengt mee dat de andere gronden die Profoto aan het ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd (g-/i-grond) geen verdere bespreking meer behoeven. Op grond van artikel 7:669 lid Pro 1, tweede volzin, BW ligt herplaatsing in ieder geval niet in de rede indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in lid 3, onderdeel e. Daarom behoeft niet meer te worden onderzocht of herplaatsing niet mogelijk was. Ook kan het debat over de extra vergoeding als bedoeld in artikel 7:671b lid 8 BW verder blijven rusten.
Geen ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer
5.15.
In incidenteel beroep resteert na verwijzing nog de vraag of de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW (grief 4 in incidenteel beroep). Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is ontbonden. Het hiervóór gegeven oordeel over het verwijtbaar handelen van de werknemer en de conclusie dat de kantonrechter het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond terecht heeft toegewezen, voeren het hof niet tot een andere waardering dan die van de kantonrechter. Dat geldt óók indien daarbij de andere verwijten worden betrokken die Profoto aan de werknemer heeft gemaakt (die het hof verder onbesproken heeft gelaten) en deze verwijten veronderstellenderwijs gegrond zouden worden geoordeeld. Ook dan wordt, in de woorden van de kantonrechter, de hoge drempel van ernstige verwijtbaarheid niet gehaald.
Verzoek van de werknemer na verwijzing om toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 9, onder c, BW
5.16.
In de toelichting na verwijzing heeft de werknemer verzocht om toekenning van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:671b lid 9, onder c, BW, een billijke vergoeding die de rechter kan toekennen op de grond dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De werknemer heeft dit verzoek voor het eerst na verwijzing gedaan. De billijke vergoeding die hij vóór verwijzing had verzocht, betrof de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW Pro, de billijke vergoeding dus die de rechter in hoger beroep of na verwijzing in cassatie aan de werknemer kan toekennen indien hij oordeelt dat het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen. Anders dan bij de eerstgenoemde billijke vergoeding, geldt voor de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW Pro niet de eis dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De eerstgenoemde billijke vergoeding is mogelijk bij
toewijzingvan het ontbindingsverzoek, terwijl de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW Pro mogelijk is als wordt geoordeeld dat het ontbindingsverzoek
ten onrechte is toegewezen. In een en ander ligt besloten dat de tweeconclusieregel aan toewijzing van het nieuwe verzoek van de werknemer in de weg staat. Dat, zoals de werknemer heeft betoogd, de beide billijke vergoedingen op dezelfde wijze worden berekend, brengt niet mee dat het hof met toepassing van artikel 25 Rv Pro de billijke vergoeding ook op grond van artikel 7:671b lid 9, onder c, BW kan toewijzen.
Slotsom en proceskosten
5.17.
De uitkomst van het geding na verwijzing is dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Voor de kosten van het hoger beroep betekent dit het volgende. In principaal beroep wordt de werknemer in het ongelijk gesteld. Het hof zal de werknemer daarom veroordelen in de kosten van het principale beroep, zowel vóór als na verwijzing. In incidenteel beroep wordt Profoto in het ongelijk gesteld, zodat Profoto in de kosten van het incidentele beroep (zowel vóór als na verwijzing) zal worden veroordeeld. De kosten van de mondelinge behandeling vóór verwijzing rekent het hof gelijkelijk toe aan het principale en incidentele beroep. Het hof rekent de kosten van het geding na verwijzing toe aan het principale beroep.
5.18.
De proceskosten in principaal beroep worden begroot op:
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 3.870,- (3 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.857,-.
5.19.
De proceskosten in incidenteel beroep worden begroot op:
salaris advocaat € 1.935,- (1,5 punt × tarief II x 1/2)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.124,-.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen:
veroordeelt de werknemer ( [verzoeker] ) in de kosten van het principale beroep en begroot deze aan de zijde van Profoto op € 4.857,-, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan deze kostenveroordeling is voldaan en te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris in geval van betekening van deze beschikking;
veroordeelt Profoto in de kosten van het incidentele beroep en begroot deze aan de zijde van de werknemer ( [verzoeker] ) op € 2.124,-, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris in geval van betekening van deze beschikking;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor wat deze proceskostenveroordelingen betreft;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, M.T. Nijhuis en W.H.A.C.M. Bouwens en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Rechtbank Noord-Holland 13 juni 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6697.
2.Hof Amsterdam 30 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1161.