Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Beschikking van 19 mei 2026
[appellant] ,
de Russische Federatie,
Het verloop van het geding
De beoordeling van het beroep
primairom verlof tot tenuitvoerlegging van het Oekraïense vonnis als bedoeld in de artikelen 985 e.v. Rv op basis van het Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken (hierna: het Erkenningsverdrag); en
subsidiair, voor het geval tenuitvoerlegging op basis van het Erkenningsverdrag niet mogelijk zou zijn, om veroordeling, op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro (‘verkapt
exequatur’) onder toepassing van de zogeheten Gazprom-criteria, van Rusland tot hetgeen waartoe zij in het Oekraïense vonnis is veroordeeld.
acta iure imperii);
Gaza’-zaak [4] , waarin – met verwijzing naar de IGH-uitspraak – is overwogen dat er ook naar het toen geldende gewoonterecht geen uitzondering op de aan vreemde staten toekomende immuniteit gold op grond van de aard of ernst van de aan die staat verweten gedragingen;
Gaza-arrest van de HR en de daarin vermelde jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geen schending op van dat recht;
exequaturprocedure met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, zie artikel 261 lid 2 Rv Pro, dat als volgt luidt:
vgl. ook’ verwezen naar een drietal eerdere beschikkingen van de HR, te weten die van:
bij verzoekschrift’ kan worden gevraagd aangezien, naar blijkt uit punt 2.11 van de conclusie van de AG, het woord ‘vorderen’ in dat artikel niet (meer) bepalend is (hierna: de 843a-beschikking);
ook in een verzoekschriftprocedure’ tot uitdrukking is gebracht:
bij verzoekschrift’) kan worden gevraagd, zoals voor het vragen van inzage is geoordeeld in de 843a-beschikking;
ook in een verzoekschriftprocedure’ erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro kan worden gevraagd, is ingegeven door de proceseconomie (‘
Uit het oogpunt van proceseconomie’). De proceseconomie is er inderdaad mee gediend dat in een lopende verzoekschriftprocedure tevens een kwestie kan worden behandeld die op zichzelf in een dagvaardingsprocedure aan de orde zou moeten worden gesteld. Dan hoeven immers niet twee procedures over hetzelfde onderwerp te worden gevoerd. Dit een en ander duidt op optie B, waarbij nog opmerking verdient dat het proceseconomie-argument ook leidend was in de bij die optie passende VvE-beschikking, zie de overweging van de HR onder 3.2.3 van die beschikking dat de ‘
procedure in een zodanig geval dus niet (hoeft) te worden gesplitst’ en punt 3.38 van de conclusie van de AG. Daarentegen kan het overeenkomstig optie A openen van de mogelijkheid om in het algemeen in een verzoekschriftprocedure erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro te vragen weliswaar de voordelen van vereenvoudiging en, wellicht, modernisering van het procesrecht opleveren, maar dat daarmee een bijdrage wordt geleverd aan de proceseconomie valt niet goed in te zien. De proceseconomie is ook volledig vreemd aan de onderbouwing van het oordeel van de HR in zijn 843a-beschikking dat een inzage-verzoek op grond van artikel 843a (oud) Rv ook bij verzoekschriftprocedure kan worden gedaan: de HR verwijst voor die onderbouwing namelijk uitsluitend naar bepaalde rechtsontwikkelingen en opvattingen in de literatuur met betrekking tot de betekenis van het woord “vorderen” in die bepaling. Dit alles pleit tegen optie A. Tegen die optie, en voor optie B, pleit verder het volgende:
de’ Nederlandse procedure waarin partijen erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro kunnen vragen. Dit wijst er op dat de HR ‘
erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro’ in die lopende procedure, en dus optie B, op het oog had.
bij verzoekschrift’ zou zijn gebruikt in plaats van ‘
in een verzoekschriftprocedure’.
in fineoverwogene, dat [appellant] ook niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep tegen de beschikking voor zover die is gegeven op zijn subsidiaire verzoek.
grief 1betrokken stelling dat, omdat Rusland 20% van Oekraïne heeft bezet en deze bezette delen bij de inrichting van zijn staatsmachten heeft betrokken, niet meer duidelijk is wat onder de staat Rusland moet worden geschaard, kan, anders dan hij aanvoert, niet afdoen aan overweging (a) van de rechtbank, die juist is. Voor zover in de stellingen in de punten 34 en 35 van [appellant] ’s beroepschrift een klacht tegen overweging (b) van de rechtbank moet worden gelezen, faalt deze, omdat ook die overweging juist is, gezien de punten 128-131 van de 2012-uitspraak van het IGH. De overwegingen (c) en (f) van de rechtbank zijn – terecht – niet bestreden en haar overweging (d) wordt vergeefs aangevochten met [appellant] ’s
grief 4. Hetgeen door [appellant] , in de punten 32-41 van zijn beroepschrift, eveneens bij
grief 1, is aangevoerd tegen overweging (e) treft geen doel, evenmin als, gezien de slotzin van rov. 3.5.2 van het
Gaza-arrest, de tegen rechtbank-overweging (k) gerichte
grief 3. Ook juist zijn de overwegingen (g) en (h) van de rechtbank: uit de daarin genoemde 2012-uitspraak van het IGH en
Gaza-uitspraak van de HR uit 2023 blijkt dat zelfs wanneer een staat zich schuldig heeft gemaakt aan de meest ernstige mensenrecht-/ humanitair oorlogsrechtschendingen, hij zich met succes op immuniteit van jurisdictie kan beroepen, terwijl het EHRM al eerder in zijn – in het
Gaza-arrest aangehaalde – uitspraak van 21 november 2001 inzake
Al Adsani/VK [5] had geoordeeld, zij het met een nipte meerderheid van 9 tegen 8 stemmen, dat ook bij een verwijt van marteling een staat immuniteit van jurisdictie toekomt. Hierop stranden tevens de tegen de overwegingen (i) en (j) gerichte grief-onderdelen die zijn gebaseerd op schending van mensenrechten/humanitair oorlogsrecht (zie o.m. de onder
grief 2opgenomen punten 54 en 57).
Gaza-arrest) dat immuniteit van jurisdictie een beperking (‘
limitation’/’
restriction’) vormt van het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. In de
Al Adsani/VK-uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM is, in aansluiting op dit uitgangspunt, overwogen dat:
(…) a limitation will not be compatible with Article 6 § 1 if it does not pursue a legitimate aim and if there is no reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought(punt 53);
(…) the grant of sovereign immunity to a State in civil proceedings pursues the legitimate aim of complying with international law to promote comity and good relations between States through the respect of another State’s sovereignty(punt 54);
The Court must next assess whether the restriction was proportionate to the aim pursued. (…). The Convention should as far as possible be interpreted in harmony with international law of which it forms part, including those relating to the grant of State immunity(punt 55);
It follows that measures taken by a High Contracting Party which reflect generally recognized rules of public international law on State immunity cannotin principlebe regarded as imposing a disproportionate restriction on the right of access to a court as embodied in Article 6 § 1(punt 56).
to promote comity and good relations between States through the respect of another State’s sovereignty’. De gedachte hierachter zou zijn dat in zo’n geval – zoals [appellant] tot uitdrukking heeft gebracht met zijn hiervoor weergegeven opmerking uit punt 71 van zijn beroepsschrift – Rusland door het verlenen van immuniteit voor de schadelijke gevolgen van haar soevereiniteitsschending als het ware een vrijbrief daarvoor krijgt en zich mede daardoor gestimuleerd zou kunnen voelen om voort te gaan met het aantasten van de soevereiniteit van andere staten, ten detrimente van de ‘
comity and good relations between States’. Vanuit dit gezichtspunt zou in een geval als hier aan de orde immuniteitsverlening als een ongeschikt middel ter bereiking van het daarmee beoogde doel kunnen worden beschouwd en zou dus sprake kunnen zijn van een uitzondering op de (hoofd-)regel dat immuniteit ‘in beginsel’ geen disproportionele restrictie van het recht op toegang tot de rechter vormt.
Jurisdictional Immunitiesvoor het IGH ging het daarbij om de oorlogshandelingen van Duitsland in Griekenland en Italië tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarvan in die zaak niet in geschil was dat het daarbij ging om de meest onrechtmatige oorlogshandelingen in de recente geschiedenis. Het IGH benadrukte daarbij dat het internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van jurisdictie en eventueel
ius cogensmet betrekking tot oorlogsrecht in dat opzicht niet met elkaar in conflict kunnen raken omdat zij ieder twee verschillende doelen nastreven, waarbij immuniteit van jurisdictie uitsluitend betrekking heeft op de rechtsmacht van de rechter van één soevereine staat ten opzichte van een andere soevereine staat, waarbij de merites van de betrokken zaak geen rol kunnen spelen. In de zaak
J.C. e.a./Belgiëheeft het EHRM uitdrukkelijk de vraag onder ogen gezien of zich inmiddels een algemene statenpraktijk en een daarmee overeenstemmende rechtsovertuiging hebben ontwikkeld die meebrengen dat het internationaal gewoonterecht thans een andere regel inzake immuniteit van jurisdictie kent of een uitzondering daarop aanvaardt in gevallen van grove schendingen van mensenrechten, en die vraag ontkennend beantwoord. Gelet hierop ligt het niet voor de hand dat het IGH en EHRM bij een soevereiniteitsschending als hiervoor bedoeld op dit moment wel een uitzondering op de immuniteit van jurisdictie zullen aannemen. In dit licht zijn de onder 5.5 opgenomen bespiegelingen – wat daar verder ook van zij – van onvoldoende gewicht om in deze zaak aan Rusland immuniteit van jurisdictie te ontzeggen. De in rov. 5.3 vermelde grief-onderdelen lopen hierop stuk, evenals de griefonderdelen die zich met een beroep op schending door Rusland van de Oekraïense soevereiniteit richten tegen de overwegingen (i) en (j) van de rechtbank.