Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1746

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.356.841/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 998 lid 2 RvArt. 985 RvArt. 431 lid 2 RvArt. 261 lid 2 RvArt. 12 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet ontvankelijk wegens overschrijding termijn en immuniteit van jurisdictie Rusland

Appellant, eigenaar van een appartement in een voorstad van Kyiv, vorderde schadevergoeding van Rusland wegens beschadiging door een raketaanval. De rechtbank Kyiv veroordeelde Rusland bij verstek tot betaling van schadevergoeding. Appellant verzocht in Nederland om exequatur van dit vonnis of subsidiair verkapt exequatoir, maar de rechtbank Den Haag verklaarde zich onbevoegd vanwege immuniteit van jurisdictie van Rusland.

In hoger beroep stelde appellant dat de beroepstermijn van 30 dagen niet geldt voor het subsidiaire verzoek en dat immuniteit niet van toepassing is vanwege schending van soevereiniteit en mensenrechten. Het hof oordeelde dat de korte beroepstermijn ook geldt voor het subsidiaire verzoek, gebaseerd op jurisprudentie van de Hoge Raad over verzoekschriftprocedures.

Daarnaast bevestigde het hof dat immuniteit van jurisdictie ook geldt bij ernstige mensenrechtenschendingen en schending van soevereiniteit, conform vaste rechtspraak van het Internationaal Gerechtshof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het beroep werd daarom niet ontvankelijk verklaard en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Appellant wordt niet ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn en immuniteit van jurisdictie van Rusland wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel Recht
Team Handel
zaaknummer : 200.356.841/01
zaak-/rekestnummer rechtbank : C/09/659657/HA RK 24-24

Beschikking van 19 mei 2026

inzake

[appellant] ,

wonende in [woonplaats] , Oekraïne,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. H.M.A. over de Linden te Amsterdam,
tegen

de Russische Federatie,

zetelend te Moskou, Russische Federatie,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Rusland,
advocaat: mr J.M.K.P. Cornegoor te Haarlem.

Het verloop van het geding

Het verloop van het geding blijkt uit:
- de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 april 2025 [1] en de daarin genoemde stukken;
- het beroepschrift van [appellant] van 30 juni 2025;
- het verweerschrift van Rusland;
- de akte overlegging producties van Rusland, met de producties 1 t/m 3.
Op 16 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, waar de advocaten zijn verschenen en hun standpunten hebben bepleit aan de hand van aantekeningen die zij hebben overgelegd.
[appellant] heeft de mondelinge behandeling door middel van een digitale verbinding bijgewoond.

De beoordeling van het beroep

De achtergronden
1.1
[appellant] is eigenaar van een appartement in [woonplaats] - [woonplaats] , een voorstadje van Kyiv in Oekraïne. In het voorjaar van 2022 is het appartement door een raketaanval van Rusland zwaar beschadigd en vervolgens onbewoonbaar verklaard.
1.2
Op 26 juli 2022 heeft [appellant] bij de rechtbank van Kyiv-Svyatoshynskyi (hierna: de rechtbank Kyiv) een procedure aanhangig gemaakt tegen Rusland en vergoeding gevorderd van de door hem en zijn gezin geleden schade. Rusland is in die procedure niet verschenen en tegen haar is verstek verleend. Bij vonnis van 6 maart 2023 (hierna: het Oekraïense vonnis) heeft de rechtbank Kiyv Rusland veroordeeld tot betaling van 1.703.705,- grivna (UAH, tegen de wisselkoers van dat moment gelijk aan € 52.764,-), vermeerderd met UAH 65.000,- (destijds gelijk aan € 2.191,50), aan schadevergoeding voor de door [appellant] en zijn gezin geleden materiële en immateriële schade.
1.3
In het Oekraïense vonnis is overwogen dat Rusland op grond van het Oekraïens recht, alsmede het Handvest van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 1 van Pro het Boedapest Memorandum van 5 december 1994, de Helsinki Akte (1975) en het vriendschapsverdrag Rusland-Oekraïne (1996) inbreuk heeft gemaakt op de fundamentele rechten van Oekraïense burgers en op hun eigendomsrechten en dat haar voor die inbreuken geen beroep op immuniteit toekomt. Verder is in dat vonnis overwogen dat Rusland door haar sinds 2014 aanhoudende gewapende aanvallen inbreuk maakt op de soevereiniteit van Oekraïne, dat er daarom geen verplichting bestaat om de soevereiniteit van Rusland te respecteren en dat daarom aan Rusland in die procedure geen beroep toekomt op immuniteit van jurisdictie.
De verzoeken van [appellant] en de beschikking van de rechtbank
2.1
[appellant] heeft in de eerste aanleg verzocht:
primairom verlof tot tenuitvoerlegging van het Oekraïense vonnis als bedoeld in de artikelen 985 e.v. Rv op basis van het Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken (hierna: het Erkenningsverdrag); en
subsidiair, voor het geval tenuitvoerlegging op basis van het Erkenningsverdrag niet mogelijk zou zijn, om veroordeling, op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro (‘verkapt
exequatur’) onder toepassing van de zogeheten Gazprom-criteria, van Rusland tot hetgeen waartoe zij in het Oekraïense vonnis is veroordeeld.
2.2
Rusland heeft zich hier tegenover beroepen op immuniteit van jurisdictie.
2.3
In de bestreden beschikking van 2 april 2025 (hierna ook: de beschikking) heeft de rechtbank allereerst overwogen dat, hoewel procedures op basis van artikel 431 lid 2 Rv Pro normaal gesproken worden ingeleid met een dagvaarding, in de beschikking van de Hoge Raad (HR) van 29 september 2023 over een echtscheiding tussen Marokkaanse echtelieden [2] is aanvaard dat ook in een verzoekschriftprocedure kan worden verzocht om (erkenning van een buitenlandse beslissing en) veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld. Vervolgens heeft de rechtbank, voor zover nog van belang, het volgende overwogen, verkort weergegeven en met rubricering door het hof:
(a) Omdat Rusland een vreemde staat is, dient te worden beoordeeld of haar immuniteit van jurisdictie toekomt;
(b) Uit de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 3 februari 2012 [3] (hierna: de 2012-uitspraak van het IGH) volgt dat ook in een procedure tot het verkrijgen van verlof tot tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen moet worden getoetst of er immuniteit van jurisdictie is;
(c) Immuniteit geldt alleen voor de handelingen die de vreemde staat verricht in de uitoefening van zijn overheidstaak (de zogenoemde
acta iure imperii);
(d) De door [appellant] aan Rusland verweten handeling – de raketaanval waarbij zijn appartement zwaar beschadigd is geraakt – betreft een handeling die is verricht bij de uitoefening van een overheidstaak;
(e) De Nederlandse rechter is niet gebonden aan het oordeel van de rechtbank Kyiv over immuniteit;
(f) Rusland heeft geen afstand van immuniteit gedaan;
(g) Er kan voorshands geen twijfel over bestaan dat de beschadiging van het appartement van [appellant] door een raketaanval een grove inbreuk is op zijn fundamentele recht op ongestoorde eigendom, maar dit levert geen grond op om uitzondering te maken op de Rusland toekomende immuniteit van jurisdictie gezien:
* de 2012-uitspraak van het IGH waarin is overwogen dat volgens de destijds geldende stand van het internationaal gewoonterecht het recht op immuniteit niet wordt beperkt in geval van beschuldiging van ernstige schendingen van internationaal humanitair recht of internationaal oorlogsrecht;
* het arrest van de HR van 25 augustus 2023 in de ‘
Gaza’-zaak [4] , waarin – met verwijzing naar de IGH-uitspraak – is overwogen dat er ook naar het toen geldende gewoonterecht geen uitzondering op de aan vreemde staten toekomende immuniteit gold op grond van de aard of ernst van de aan die staat verweten gedragingen;
(h) Uit niets blijkt dat het internationaal gewoonterecht sindsdien op dit punt wijziging heeft ondergaan;
(i) Zo hebben de aan Rusland opgelegde sancties in verband met diens schendingen van de soevereiniteit van Oekraïne en het feit dat Rusland is aangemerkt als sponsor van staatsterrorisme er niet toe geleid dat haar het recht op immuniteit van jurisdictie wordt ontzegd;
(j) Hoewel immuniteit van jurisdictie van vreemde staten een beperking vormt op het door artikel 6 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, levert die beperking blijkens het
Gaza-arrest van de HR en de daarin vermelde jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geen schending op van dat recht;
(k) Daarbij is niet van belang of [appellant] op andere wijze tenuitvoerlegging van het Oekraïense vonnis kan bewerkstelligen.
De rechtbank heeft zich op grond van het voorgaande onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de verzoeken van [appellant] .
Het hoger beroep
3.1
Van de op 2 april 2025 gegeven beschikking is [appellant] in hoger beroep gekomen bij beroepsschrift van 30 juni 2025, dat bij het hof is ingekomen op 1 juli 2025. Daarbij heeft [appellant] vier als zodanig aangeduide grieven aangevoerd die ieder uit meerdere onderdelen bestaan.
Ontvankelijkheid
4.1
Zoals door het hof op de mondelinge behandeling ambtshalve ter sprake is gebracht, speelt in dit hoger beroep een ontvankelijkheidsprobleem in verband met de beroepstermijn.
4.2
Ingevolge artikel 989 lid 2 Rv Pro moet hoger beroep tegen een op grond van artikel 985 Rv Pro gegeven beschikking worden ingesteld binnen een maand na de dag van de uitspraak. Aangezien het beroepsschrift ruimschoots na die termijn is ingediend, kan [appellant] niet worden ontvangen in zijn hoger beroep tegen de bestreden beschikking voor zover die is gegeven op het primaire verzoek om een artikel 985 Rv Pro-verlof.
4.3
De vraag is nu of – zoals op de mondelinge behandeling met partijen is besproken – de appeltermijn van een maand ook geldt voor het subsidiaire verzoek op basis van artikel 431 lid 2 Rv Pro, of dat daarvoor de appeltermijn, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 358 lid 2 Rv Pro, drie maanden bedraagt.
4.4
Uitgangspunt bij de beantwoording van deze vraag is dat, naar de rechtbank terecht en onbestreden heeft overwogen, procedures op basis van artikel 431 lid 2 Rv Pro normaal gesproken worden ingeleid met een dagvaarding (waarin een vordering wordt ingesteld). Uit noch dat artikel noch andere wetsbepalingen vloeit immers voor dat zo’n verkapte
exequaturprocedure met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, zie artikel 261 lid 2 Rv Pro, dat als volgt luidt:
Met een verzoekschrift worden ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit.
4.5
Verder is voor de beantwoording van de genoemde vraag van belang hoe de onder 2.3 genoemde Marokkaanse echtscheidingsbeschikking van de HR moet worden begrepen.
4.6
In de zaak die tot die beschikking heeft geleid was aan de orde een door de vrouw in Nederland ingediend verzoek tot echtscheiding, waarbij de man een zelfstandig (tegen-)verzoek tot betaling van kinderalimentatie door de vrouw had gedaan. De vrouw heeft hier tegenin gebracht dat zij al eerder zo’n alimentatieverzoek bij de Marokkaanse rechter had ingediend, en dat daarom de Nederlandse rechter onbevoegd is wegens litispendentie als bedoeld in artikel 12 Rv Pro. In dit artikel is, kort gezegd, bepaald dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart wanneer de zaak eerder aanhangig is gemaakt bij een buitenlandse rechter en diens beslissing in Nederland voor erkenning en, in voorkomend geval voor tenuitvoerlegging, vatbaar is. Onder 3.5.1 van de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking heeft de HR het volgende overwogen (onderstreping door dit hof):
“[I]n de Nederlandse procedure, waarin een beroep op litispendentie als bedoeld in art. 12 Rv Pro is gedaan, [kunnen] partijen tevens (…) vragen om erkenning van de buitenlandse beslissing, al dan niet met veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse procedure is veroordeeld (art. 431 lid 2 Rv Pro) (…).
Uit het oogpunt van proceseconomie moet worden aanvaard datook in een verzoekschriftprocedurekan worden verzocht om (erkenning van de buitenlandse beslissing en) veroordeling, op de voet van art. 431 lid 2 Rv Pro, tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld. Art. 261 Rv Pro verzet zich daartegen niet. 10”(onderstreping toegevoegd, hof).
In noot (10) wordt met de woorden ‘
vgl. ook’ verwezen naar een drietal eerdere beschikkingen van de HR, te weten die van:
- 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533), waarin is beslist dat in een verzoekschriftprocedure voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 223 Rv Pro kunnen worden gevraagd, ook al is dit artikel geschreven voor de dagvaardingsprocedure (hierna: de VV-beschikking);
- 26 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1985), waarin is beslist dat inzage op grond van het toenmalige artikel 843a Rv niet alleen bij dagvaarding maar ook ‘
bij verzoekschrift’ kan worden gevraagd aangezien, naar blijkt uit punt 2.11 van de conclusie van de AG, het woord ‘vorderen’ in dat artikel niet (meer) bepalend is (hierna: de 843a-beschikking);
- 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1275), waarin is beslist dat in een verzoekschriftprocedure tot vernietiging van een besluit van een VvE op de voet van artikel 5:130 BW Pro in verbinding met artikel 2:15 BW Pro tevens een beroep op de nietigheid van dat besluit als bedoeld in artikel 2:14 BW Pro aan de orde kan worden gesteld, hoewel het uitspreken van die nietigheid op zichzelf in een dagvaardingsprocedure moet worden gevorderd (hierna: de VvE-beschikking).
4.7
De hiervoor onder 4.5 geformuleerde vraag spitst zich daarmee toe op de vraag of in de door de HR in de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking gebezigde, in rov. 4.6 onderstreept weergegeven zinsnede ‘
ook in een verzoekschriftprocedure’ tot uitdrukking is gebracht:
A. hetzij dat erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro (niet alleen in een dagvaardingsprocedure maar) in het algemeen ook in een (in voorkomend geval ook op zichzelf staande) verzoekschriftprocedure (‘
bij verzoekschrift’) kan worden gevraagd, zoals voor het vragen van inzage is geoordeeld in de 843a-beschikking;
B. hetzij dat erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro weliswaar in het algemeen bij dagvaarding moet worden gevorderd, maar desondanks ook kan worden gevraagd in een al lopende verzoekschriftprocedure, zoals voor het vragen van incidentele voorlopige voorzieningen en het inroepen van de nietigheid is geoordeeld in de VV-beschikking respectievelijk de VvE-beschikking.
Indien optie A juist zou zijn, dan zou het subsidiaire verzoek van [appellant] in een ‘eigen’, van het primaire verzoek losstaande, verzoekschriftprocedure zijn gedaan, en zou daarvoor de algemene drie maanden-beroepstermijn gelden. Indien echter optie B juist zou zijn, dan zou het subsidiaire verzoek van [appellant] zijn gedaan in het kader van de al lopende artikel 985 Rv Pro-verzoekschriftprocedure, en dus meeliften met die procedure en daar accessoir aan zijn. In dat geval moet de korte beroepstermijn van de artikel 985 Rv Pro-procedure ook als bepalend worden beschouwd voor het subsidiaire verzoek.
4.8
Het oordeel van de HR in de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking dat ‘
ook in een verzoekschriftprocedure’ erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro kan worden gevraagd, is ingegeven door de proceseconomie (‘
Uit het oogpunt van proceseconomie’). De proceseconomie is er inderdaad mee gediend dat in een lopende verzoekschriftprocedure tevens een kwestie kan worden behandeld die op zichzelf in een dagvaardingsprocedure aan de orde zou moeten worden gesteld. Dan hoeven immers niet twee procedures over hetzelfde onderwerp te worden gevoerd. Dit een en ander duidt op optie B, waarbij nog opmerking verdient dat het proceseconomie-argument ook leidend was in de bij die optie passende VvE-beschikking, zie de overweging van de HR onder 3.2.3 van die beschikking dat de ‘
procedure in een zodanig geval dus niet (hoeft) te worden gesplitst’ en punt 3.38 van de conclusie van de AG. Daarentegen kan het overeenkomstig optie A openen van de mogelijkheid om in het algemeen in een verzoekschriftprocedure erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro te vragen weliswaar de voordelen van vereenvoudiging en, wellicht, modernisering van het procesrecht opleveren, maar dat daarmee een bijdrage wordt geleverd aan de proceseconomie valt niet goed in te zien. De proceseconomie is ook volledig vreemd aan de onderbouwing van het oordeel van de HR in zijn 843a-beschikking dat een inzage-verzoek op grond van artikel 843a (oud) Rv ook bij verzoekschriftprocedure kan worden gedaan: de HR verwijst voor die onderbouwing namelijk uitsluitend naar bepaalde rechtsontwikkelingen en opvattingen in de literatuur met betrekking tot de betekenis van het woord “vorderen” in die bepaling. Dit alles pleit tegen optie A. Tegen die optie, en voor optie B, pleit verder het volgende:
- In de onder 4.6 geciteerde rov. 3.5.1 van de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking spreekt de HR over ‘
de’ Nederlandse procedure waarin partijen erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro kunnen vragen. Dit wijst er op dat de HR ‘
erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro’ in die lopende procedure, en dus optie B, op het oog had.
- Wanneer optie A zou zijn bedoeld, dan had het voor de hand gelegen dat in de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking de in de 843a-beschikking gebezigde formulering ‘
bij verzoekschrift’ zou zijn gebruikt in plaats van ‘
in een verzoekschriftprocedure’.
- Optie A impliceert dat, overeenkomstig de regel van artikel 261 lid 2 Rv Pro, uit de wet voortvloeit dat een procedure tot erkenning en veroordeling op de voet van artikel 431 lid 2 Rv Pro ook met een verzoekschrift kan worden ingeleid. De afsluitende zin van rov. 3.5.1 van de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking, dat artikel 261 Rv Pro zich niet verzet tegen het vragen van een erkenning/veroordeling in een verzoekschriftprocedure, zou daarbij zinledig zijn en past daarom niet bij optie A. Die afsluitende zin heeft wel betekenis bij optie B, namelijk om aan te geven dat, hoewel het aanvaarden van de mogelijkheid om een dagvaardingskwestie in een lopende verzoekschriftprocedure aan de orde te stellen bij een strikte benadering wellicht als strijdig met artikel 261 lid 2 Rv Pro zou kunnen beschouwd, dat artikel zich daar niet tegen verzet wanneer dat om proceseconomische redenen gebeurt.
4.9
Alles overziend moet optie B voor juist worden gehouden. Dat betekent, gezien het onder 4.7
in fineoverwogene, dat [appellant] ook niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep tegen de beschikking voor zover die is gegeven op zijn subsidiaire verzoek.
4.1
[appellant] zal, zo volgt uit het voorgaande, niet ontvankelijk worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.
Ten overvloede: immuniteit
5.1
Ten overvloede wordt nog ingegaan op de – in de grieven van [appellant] aan de orde gestelde – vraag of Rusland immuniteit van jurisdictie toekomt.
5.2
De door [appellant] in het kader van zijn
grief 1betrokken stelling dat, omdat Rusland 20% van Oekraïne heeft bezet en deze bezette delen bij de inrichting van zijn staatsmachten heeft betrokken, niet meer duidelijk is wat onder de staat Rusland moet worden geschaard, kan, anders dan hij aanvoert, niet afdoen aan overweging (a) van de rechtbank, die juist is. Voor zover in de stellingen in de punten 34 en 35 van [appellant] ’s beroepschrift een klacht tegen overweging (b) van de rechtbank moet worden gelezen, faalt deze, omdat ook die overweging juist is, gezien de punten 128-131 van de 2012-uitspraak van het IGH. De overwegingen (c) en (f) van de rechtbank zijn – terecht – niet bestreden en haar overweging (d) wordt vergeefs aangevochten met [appellant] ’s
grief 4. Hetgeen door [appellant] , in de punten 32-41 van zijn beroepschrift, eveneens bij
grief 1, is aangevoerd tegen overweging (e) treft geen doel, evenmin als, gezien de slotzin van rov. 3.5.2 van het
Gaza-arrest, de tegen rechtbank-overweging (k) gerichte
grief 3. Ook juist zijn de overwegingen (g) en (h) van de rechtbank: uit de daarin genoemde 2012-uitspraak van het IGH en
Gaza-uitspraak van de HR uit 2023 blijkt dat zelfs wanneer een staat zich schuldig heeft gemaakt aan de meest ernstige mensenrecht-/ humanitair oorlogsrechtschendingen, hij zich met succes op immuniteit van jurisdictie kan beroepen, terwijl het EHRM al eerder in zijn – in het
Gaza-arrest aangehaalde – uitspraak van 21 november 2001 inzake
Al Adsani/VK [5] had geoordeeld, zij het met een nipte meerderheid van 9 tegen 8 stemmen, dat ook bij een verwijt van marteling een staat immuniteit van jurisdictie toekomt. Hierop stranden tevens de tegen de overwegingen (i) en (j) gerichte grief-onderdelen die zijn gebaseerd op schending van mensenrechten/humanitair oorlogsrecht (zie o.m. de onder
grief 2opgenomen punten 54 en 57).
5.3
[appellant] heeft echter niet alleen aangevoerd dat Rusland zich aan ernstige mensenrecht-/humanitair oorlogsrechtschendingen heeft schuldig gemaakt, maar ook, of juist – zie o.m. de punten 10, 16, 54, 67 van het beroepschrift – dat Rusland de soevereiniteit van Oekraïne heeft geschonden door illegaal delen van Oekraïne te annexeren en illegaal in Oekraïne oorlogshandelingen te verrichten middels zware bombardementen (waardoor ook [appellant] ’s appartement is beschadigd). Dit werkt volgens [appellant] door in het recht op immuniteit (punt 16 van het beroepsschrift), waarbij hij opmerkt dat het volledig respecteren van de wetgeving van andere staten de kern vormt van immuniteit (punt 22 van het beroepsschrift) en dat door Rusland onverminderd immuniteit toe te kennen deze staat juist kan doen wat het internationaal gewoonterecht terzake van immuniteit tracht te voorkomen, namelijk dat een soevereine staat zich zonder diens toestemming macht toerekent over een andere soevereine staat (punt 71 van het beroepsschrift). Naar aanleiding van deze griefonderdelen wordt het volgende overwogen.
5.4
Onomstreden is (zie ook rov. 3.5.2 van het
Gaza-arrest) dat immuniteit van jurisdictie een beperking (‘
limitation’/’
restriction’) vormt van het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. In de
Al Adsani/VK-uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM is, in aansluiting op dit uitgangspunt, overwogen dat:
-
(…) a limitation will not be compatible with Article 6 § 1 if it does not pursue a legitimate aim and if there is no reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought(punt 53);
-
(…) the grant of sovereign immunity to a State in civil proceedings pursues the legitimate aim of complying with international law to promote comity and good relations between States through the respect of another State’s sovereignty(punt 54);
-
The Court must next assess whether the restriction was proportionate to the aim pursued. (…). The Convention should as far as possible be interpreted in harmony with international law of which it forms part, including those relating to the grant of State immunity(punt 55);
-
It follows that measures taken by a High Contracting Party which reflect generally recognized rules of public international law on State immunity cannotin principlebe regarded as imposing a disproportionate restriction on the right of access to a court as embodied in Article 6 § 1(punt 56).
De onderstreping van de woorden ‘
in principle’ – te vertalen als: in beginsel – is aangebracht door het hof. [6] Dit oordeel is door het EHRM onder andere bevestigd in
Jones e.a./Verenigd Koninkrijk [7] en
J.C. e.a./België [8] , waarmee op dit punt sprake is van vaste rechtspraak.
5.5
Bepleit zou kunnen worden dat het toekennen van immuniteit van jurisdictie voor handelingen van Rusland die voortvloeien uit zijn schending van de soevereiniteit van een ander land (Oekraïne), niet kan bijdragen aan het doel dat met verlenen van immuniteit wordt nagestreefd en dat de rechtvaardiging vormt voor de daarmee veroorzaakte beperking tot de toegang tot de rechter, namelijk ‘
to promote comity and good relations between States through the respect of another State’s sovereignty’. De gedachte hierachter zou zijn dat in zo’n geval – zoals [appellant] tot uitdrukking heeft gebracht met zijn hiervoor weergegeven opmerking uit punt 71 van zijn beroepsschrift – Rusland door het verlenen van immuniteit voor de schadelijke gevolgen van haar soevereiniteitsschending als het ware een vrijbrief daarvoor krijgt en zich mede daardoor gestimuleerd zou kunnen voelen om voort te gaan met het aantasten van de soevereiniteit van andere staten, ten detrimente van de ‘
comity and good relations between States’. Vanuit dit gezichtspunt zou in een geval als hier aan de orde immuniteitsverlening als een ongeschikt middel ter bereiking van het daarmee beoogde doel kunnen worden beschouwd en zou dus sprake kunnen zijn van een uitzondering op de (hoofd-)regel dat immuniteit ‘in beginsel’ geen disproportionele restrictie van het recht op toegang tot de rechter vormt.
5.6
Hier tegenover staat evenwel dat zowel het IGH als het EHRM hebben geoordeeld dat het recht op immuniteit van jurisdictie overeind blijft bij zelfs de meest ernstige schendingen van mensenrechten en het humanitair oorlogsrecht. In de zaak
Jurisdictional Immunitiesvoor het IGH ging het daarbij om de oorlogshandelingen van Duitsland in Griekenland en Italië tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarvan in die zaak niet in geschil was dat het daarbij ging om de meest onrechtmatige oorlogshandelingen in de recente geschiedenis. Het IGH benadrukte daarbij dat het internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van jurisdictie en eventueel
ius cogensmet betrekking tot oorlogsrecht in dat opzicht niet met elkaar in conflict kunnen raken omdat zij ieder twee verschillende doelen nastreven, waarbij immuniteit van jurisdictie uitsluitend betrekking heeft op de rechtsmacht van de rechter van één soevereine staat ten opzichte van een andere soevereine staat, waarbij de merites van de betrokken zaak geen rol kunnen spelen. In de zaak
J.C. e.a./Belgiëheeft het EHRM uitdrukkelijk de vraag onder ogen gezien of zich inmiddels een algemene statenpraktijk en een daarmee overeenstemmende rechtsovertuiging hebben ontwikkeld die meebrengen dat het internationaal gewoonterecht thans een andere regel inzake immuniteit van jurisdictie kent of een uitzondering daarop aanvaardt in gevallen van grove schendingen van mensenrechten, en die vraag ontkennend beantwoord. Gelet hierop ligt het niet voor de hand dat het IGH en EHRM bij een soevereiniteitsschending als hiervoor bedoeld op dit moment wel een uitzondering op de immuniteit van jurisdictie zullen aannemen. In dit licht zijn de onder 5.5 opgenomen bespiegelingen – wat daar verder ook van zij – van onvoldoende gewicht om in deze zaak aan Rusland immuniteit van jurisdictie te ontzeggen. De in rov. 5.3 vermelde grief-onderdelen lopen hierop stuk, evenals de griefonderdelen die zich met een beroep op schending door Rusland van de Oekraïense soevereiniteit richten tegen de overwegingen (i) en (j) van de rechtbank.
5.7
Nu geen van de grieven van [appellant] slaagt, zou de bestreden beschikking zijn bekrachtigd indien het hof aan de beoordeling daarvan zou zijn toegekomen.
5.8
Rusland heeft niet om een kostenveroordeling verzocht en het hof ziet geen aanleiding ambtshalve een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Het hof:

- verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 april 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.Y. Bonneur, H.M.H. Speyart van Woerden en
R.M. Hermans, en is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in aanwezigheid van de
griffier.

Voetnoten

3.In de zaak Jurisdictional Immunities of the State (Germany v Italy; Greece intervening), I.C.J. Reports 2012, p. 99.
5.EHRM 21 november 2001, nr 35763/97
6.Uiteindelijk kwam, zoals hiervoor is aangegeven, het EHRM in deze zaak tot de slotsom dat de Engelse ‘1978 Act’, die (behalve in een zich in die zaak niet voordoend geval) andere staten immuniteit verleende, geen ongerechtvaardigde beperking van Al Adsani’s recht op toegang tot de rechter opleverde.
7.EHRM 14 januari 2014, nrs. 34356/06 en 40528/06 (
8.EHRM 12 oktober 2021, nr. 11625/17 (