ECLI:NL:GHDHA:2026:1815

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
BK-25/116
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet BpmArt. 10 Wet BpmArt. 110 VWEU
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag bpm voor auto met lage tellerstand als nieuwe auto

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm ontvangen omdat de auto met een tellerstand van 53 kilometer als nieuw werd aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat de auto niet als gebruikt kon worden beschouwd en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af vanwege tegen-beter-weten-in-procederen.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat ook andere factoren dan kilometerstand, zoals economische context en waardedaling, meegewogen moeten worden bij de bepaling of een auto nieuw of gebruikt is. Het Hof verwierp dit en bevestigde de jurisprudentie van de Hoge Raad dat een lage kilometerstand betekent dat de auto als nieuw moet worden aangemerkt, ongeacht waardedaling.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende feiten heeft gesteld om de auto als gebruikt aan te merken en dat het standpunt tegen beter weten in is ingenomen. Daarom is het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bevestigd.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt bevestigd en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen wegens tegen-beter-weten-in-procederen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-25/116

Uitspraak van 30 april 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 29 januari 2025, nummer SGR 23/4241.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 1.872 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 2 december 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Renault Captur 1.0 TCe Life (de auto). Belanghebbende heeft in de aangifte vermeld dat het geen nieuwe auto betreft. De datum van eerste toelating van de auto is 22 juni 2021.
2.2.
De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 2.990 (berekend aan de hand van koerslijst AutotelexPro). De verschuldigde bpm is door belanghebbende voldaan. De bij de aangifte gevoegde koerslijst AutotelexPro vermeldt voor de auto een tellerstand van 53 kilometer.
2.3.
Tot het dossier behoort een afschrift van het zogenoemde “Voertuigbeeld RDW”, waarin als keuringsmoment van de auto is vermeld 29 november 2021, als land van herkomst van de auto Duitsland en als tellerstand 53 kilometer. Tevens staat hierop vermeld als eerste toelatingsdatum 22 juni 2021 en het Duitse kenteken van de auto.
2.4.
Tot het dossier behoort een afschrift “Raadplegen voertuiggegevens op kenteken”, waarop als eerste inschrijvingsdatum in Nederland 8 december 2021 is vermeld.
2.5.
Op 14 juni 2022 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. In de kennisgeving is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
BPM-bedrag
(…)
U hebt aangifte BPM gedaan als ware er sprake van een gebruikte personenauto. Voor de afschrijving op de bruto BPM heeft u gebruik gemaakt van een afschrijving op basis van de koerslijst. Op grond van de geldende jurisprudentie, m.n. de arresten van de Hoge Raad van 29 mei 2009 en 27 januari 2017 kan een voertuig ondanks een eerdere datum eerste toelating in het buitenland als nieuw en ongebruikt worden aangemerkt indien het voertuig na vervaardiging niet of nauwelijks is gebruikt.
Een km stand van 53 km van uw voertuig staat vermeld in de koerslijst bij uw aangifte. Tevens blijkt deze stand van 53 km ook uit het kentekenregister dat de RDW heeft geconstateerd. Ik ben van mening dat uw voertuig op grond van de feiten en omstandigheden als nieuw en ongebruikt dient te worden aangemerkt. Hierdoor bent u een hoger bedrag
aan BPM verschuldigd.
Afschrijving op grond van Art. 10 Wet Pro BPM is dan ook niet mogelijk. Volledigheidshalve verwijs ik u naar de arresten van 27 januari 2017 (ECLI:HR 2017-45-78 en 79) waarin een voertuig met een buitenlands kenteken en geringe kilometerstand als nieuw en ongebruikt wordt aangemerkt in de zin van de Wet BPM.
(…).”
2.6.
Met dagtekening 5 augustus 2022 heeft de Inspecteur overeenkomstig de kennisgeving als bedoeld onder 2.5 een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 1.872.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“6. Eiseres heeft in beroep slechts aangevoerd dat de verschuldigde Bpm ten onrechte niet is vastgesteld aan de hand van de herrekende Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode). Eiseres heeft ter zitting erkend dat op basis van de geldende jurisprudentie de auto voor de heffing van Bpm als nieuw dient te worden aangemerkt. Eiseres heeft hieraan toegevoegd dat zij het niet eens is met deze jurisprudentie. Feiten of omstandigheden op basis waarvan in dit geval de auto als gebruikt moet worden aangemerkt heeft eiseres niet gesteld. Dit betekent dat voor de heffing van de Bpm inderdaad, zoals verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag ook als uitgangspunt heeft genomen, dat moet worden uitgegaan van een nieuw en ongebruikt voertuig. Dat betekent dus dat er geen ruimte is voor een afschrijving op de Bpm vanwege een waardevermindering wegens ouderdom van de auto. Dat betekent dus ook dat eiseres haar beroepsgrond dat de verschuldigde Bpm moet worden bepaald aan de hand van de herrekende Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode) niet kan slagen. Die beroepsgrond is immers volledig gestoeld op de aanname dat wél op de verschuldigde Bpm kan worden afgeschreven vanwege een waardevermindering wegens ouderdom van de auto. Nu gesteld noch gebleken is dat de verschuldigde Bpm overigens onjuist (te hoog) is vastgesteld, betekent het vorenstaande dat de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld.
Immateriële schadevergoeding
7. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 15 augustus 2022 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 22 mei 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 29 januari 2025 gedaan. Dat is dus ruim 29 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met ruim 5 maanden is overschreden. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een isv.
8. Echter, de rechtbank constateert dat in dit geval door eiseres (haar gemachtigde) voor een – volgens de huidige, binnen de branche algemeen bekende jurisprudentie – nieuwe auto een vermindering van de Bpm is geclaimd vanwege een waardevermindering wegens ouderdom van de auto. Dat is voor een nieuwe auto apert onmogelijk en dus onjuist en kenbaar onterecht. Overige tegen de hoogte van de Bpm gerichte grieven heeft eiseres niet naar voren gebracht. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in feite sprake van tegen-beter-weten-in-procederen van de zijde van (de gemachtigde van) eiseres. Onder die omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om eiseres een isv toe te kennen. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek van eiseres af.
Proceskosten
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
Tussen partijen is in geschil:
  • of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd (meer in het bijzonder of sprake is van een nieuwe of van een gebruikte auto voor het berekenen van de verschuldigde bpm);
  • of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase.
Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend (gebruikte auto) en de tweede vraag bevestigend; de Inspecteur beantwoordt de eerste vraag bevestigend (nieuwe auto) en de tweede vraag ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de naheffingsaanslag en tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase. Verder verzoekt belanghebbende het Hof een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Nieuwe of gebruikte auto
5.1.
Belanghebbende stelt dat zij het toetsingskader van de Hoge Raad ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een nieuwe of gebruikte auto kent, maar dat zij het daarmee niet eens is. Voor de beantwoording van de vraag of een auto nieuw of gebruikt is, en of dus een afschrijving in aanmerking kan worden genomen, is volgens belanghebbende niet uitsluitend de kilometerstand van belang, maar ook de inkoopwaarde. Er moet, zo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) geoordeeld, worden gekeken naar de economische context en de concurrentiepositie waarin de auto zich verbindt. Een auto met een tellerstand van 53 kilometer kan in de markt als nieuw worden beschouwd, gelet op de lage kilometerstand, maar toch minder waard zijn vanwege andere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een eerste toelating, aflopende fabrieksgarantie of als sprake is van een ouder model, aldus belanghebbende. Steun voor de stelling dat een auto gelet op de lage kilometerstand nieuw is, maar toch aanzienlijk in waarde kan zijn gedaald, vindt belanghebbende in de bij de aangifte voor de auto overgelegde koerslijst van AutotelexPro. Uit die koerslijst volgt dat de auto nieuw € 21.615 kost en dat deze (op 30 november 2021), gelet op de omstandigheid dat de auto op 22 juni 2021 is toegelaten, in de handel € 13.295 waard is. In de Europeesrechtelijke jurisprudentie is, aldus belanghebbende, een ander toetsingskader ontwikkeld, waarbij niet uitsluitend moet worden gekeken naar de kilometerstand, maar dus ook naar andere factoren die de mededinging kunnen beïnvloeden. Belanghebbende verwijst in dit kader naar het arrest Siilin (HvJ EG 19 september 2002,
C-101/00, ECLI:NL:C:2002:505) en het arrest Tarantik (HvJ EG 15 juni 1999, C-421/97, ECLI:NL:1999:309). Verder verwijst belanghebbende naar uitspraken van de lagere rechtspraak waarbij ten aanzien van auto’s met een lage kilometerstand desondanks een afschrijving in aanmerking is genomen.
5.2.
De Inspecteur stelt het volgende. De auto met een tellerstand van 53 kilometer is niet of nauwelijks gebruikt en dient gelet op de jurisprudentie als nieuw te worden beschouwd. Er kan dan ook geen afschrijving in aanmerking worden genomen op de voet van artikel 10 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm). De economische context, die volgens belanghebbende als uitgangspunt moet dienen, komt immers wettelijk gezien pas in beeld in het geval een auto als gebruikt kan worden aangemerkt. Overigens zal een consument, zo stelt de Inspecteur, een auto met een tellerstand van 53 kilometer ook zonder twijfel zien als een nieuwe auto. Gelet op het toetsingskader van de Hoge Raad is sprake van een nieuwe auto. Een afschrijving op grond van artikel 10 Wet Pro Bpm, waarvan belanghebbende lijkt te willen uitgaan, komt niet aan de orde in het geval sprake is van een nieuwe auto, aldus de Inspecteur. Belanghebbende stelt dat de auto gebruikt is, vanwege het feit dat de koerslijst AutotelexPro de auto niet op de nieuwwaarde waardeert. Gegevens in een koerslijst zijn geen bewijs, nog daargelaten dat gelet op de grote afwaardering die daarin is toegepast, moet worden getwijfeld aan de juistheid van die koerslijst, aldus de Inspecteur. De Inspecteur wijst er verder op dat de meeste nieuwe auto’s niet worden verkocht voor de nieuwprijs, dat elke auto met een kleine stand op de teller van “de boot” komt en wijst er voorts op dat de door belanghebbende aangehaalde lagere rechtspraak is achterhaald door de hoger beroepen dan wel beroepen in cassaties tegen de door haar genoemde uitspraken. Belanghebbende heeft bovendien geen aanvullende redenen gesteld om de auto als gebruikte auto te kenmerken. De Rechtbank heeft volgens de Inspecteur terecht beslist dat sprake is van een nieuwe auto en dat de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.
5.3.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de auto als een nieuwe of als een gebruikte auto dient te worden aangemerkt.
5.4.1.
Onder een nieuwe personenauto in de zin van de Wet Bpm moet worden verstaan een personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest (vgl. HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7199). Een personenauto die niet als een nieuwe personenauto in voormelde zin kan worden aangemerkt, moet daarom als een gebruikte personenauto in de zin van de Wet Bpm worden aangemerkt (vgl. HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:79). De beoordeling hiervan moet plaatsvinden naar de toestand op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt (ECLI:NL:HR:2018:1695).
5.4.2.
In zijn arrest van 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528 heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, als volgt geoordeeld:
“(…)
2.4.2.
Met een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet is bedoeld de personenauto die in het buitenland geregistreerd is geweest met het oog op toelating op de weg en die ook daadwerkelijk aldaar op de weg in gebruik is geweest. Daarom blijft de personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg is gebruikt, voor de toepassing van artikel 10, lid 1, van de Wet aangemerkt als een nieuwe personenauto. Dat een personenauto door de (ver)koper daadwerkelijk in het buitenland op de weg in gebruik is geweest, valt op te maken uit het aantal gereden kilometers van de auto. De omstandigheden dat een personenauto eerder in een andere lidstaat geregistreerd is geweest, dat sinds de vervaardiging van de auto zodanige tijd is verstreken dat de fabrieksgarantie is verlopen, dat het gaat om een verouderd model personenauto, of dat een personenauto voorafgaande aan de eerste ingebruikneming op de weg schade in welke vorm dan ook heeft opgelopen, kunnen noch op zichzelf, noch tezamen de conclusie rechtvaardigen dat die personenauto daadwerkelijk op de weg in gebruik is geweest. Die omstandigheden kunnen weliswaar voor een ongebruikte personenauto ten opzichte van de catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet een waardedaling betekenen, maar dat heeft geen invloed op de hoogte van de verschuldigde bpm, zo volgt uit artikel 9, lid 1, van de Wet.
(…)”
5.5.
Omdat belanghebbende zich beroept op een vermindering van de bpm, rust de bewijslast ter zake op haar (vgl. HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695) .
5.6.
De kilometerstand van de auto bedraagt 53 kilometer. Deze stand is te laag om de auto alleen op basis daarvan voor de vaststelling van de verschuldigde bpm als gebruikt aan te merken. Er bestaat, gelet op de onder 5.4 weergegeven jurisprudentie en met inachtneming van de door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden, geen aanleiding anders te oordelen. Er kan weliswaar sprake zijn van (een) (enige) waardedaling ten opzichte van de catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, lid 4, Wet Bpm, maar dit heeft geen invloed op de hoogte van de verschuldigde bpm, zo volgt uit artikel 9, lid 1, Wet Bpm (vgl. HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528, r.o. 2.4.2, slotzin; zie 5.4).
5.7.
Ten aanzien van belanghebbendes stellingname dat, indien de auto volgens het door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader (zie de onder 5.4 en 5.5 aangehaalde jurisprudentie) als nieuwe auto moet worden aangemerkt, het toetsingskader van de Hoge Raad onjuist is omdat dit in strijd komt met het Unierecht, geldt het volgende. Dat de auto vanwege de lage kilometerstand moet worden aangemerkt als een personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest, maakt dat deze auto niet kan worden aangemerkt als een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, Wet Bpm. De omstandigheid dat de auto niet als gebruikte personenauto kan worden aangemerkt, houdt in dat een vermindering van de bpm op de voet van artikel 10, lid 1, Wet Bpm niet aan de orde is. Dit oordeel houdt niet in dat sprake is van schending van het Unierecht, aangezien een aan de auto soortgelijke personenauto op de binnenlandse markt bij registratie in het Nederlands kentekenregister evenmin voor een vermindering op de voet van artikel 10 Wet Pro Bpm in aanmerking komt (vgl. Hoge Raad 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1640 en ECLI:NL:HR:2020:1528, r.o. 2.4.3). Deze stelling gaat derhalve niet op.
5.8.
Belanghebbende vraagt het Hof prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen over het door de Hoge Raad aangelegde toetsingskader. Het Hof ziet, mede gelet op het onder 5.7 overwogene, geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie.
5.9.
De Inspecteur heeft de auto terecht als nieuw in de heffing betrokken en de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd.
Vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase
5.10.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase heeft toegekend, omdat sprake zou zijn van tegen-beter-weten-in-procederen van de zijde van (de gemachtigde van) belanghebbende. Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat de stelling uitsluitend ziet op het standpunt dat sprake is van een gebruikte auto voor het vaststellen van de verschuldigde bpm. Belanghebbende stelt dat pas op het moment dat over de onderhavige problematiek prejudiciële vragen zijn gesteld aan en beantwoord zijn door het Hof van Justitie, kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, sprake is van tegen-beter-weten-in-procederen. Belanghebbende stelt immers dat het toetsingskader van de Hoge Raad gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie onjuist is. Het feit dat belanghebbende, onder verwijzing naar de koerslijst AutotelexPro, een andere mening heeft over de vraag of de auto een waardevermindering heeft ondergaan, en of in het verlengde daarvan de verschuldigde bpm lager is, kwalificeert niet als tegen-beter-weten-in-procederen, aldus belanghebbende.
5.11.
De Inspecteur stelt dat de Rechtbank terecht het verzoek om vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase heeft afgewezen. Er is geen enkele twijfel mogelijk dat een auto met een tellerstand van 53 kilometer ook in de ogen van de consument een nieuwe auto is. Nu belanghebbende dit in twijfel trekt, had belanghebbende met nadere argumenten moeten komen waarom dit in dit geval anders zou liggen, hetgeen hij niet heeft gedaan. In de door het Hof van Justitie aangelegde toets dat moet worden gekeken naar de economische context en de concurrentiepositie waarin de auto zich verbindt, kwalificeert de auto ook als nieuwe auto. Er is dus wel degelijk sprake van tegen-beter-weten-in-procederen.
5.12.
Van toekenning van een vergoeding van immateriële schade kan worden afgezien bij een geschil over een zeer gering financieel belang, waarbij kan worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.2.2). In voornoemd arrest heeft de Hoge Raad verder, voor zover hier van belang, als volgt overwogen:
“(…)
3.3.3.
Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen.
(…)”
5.13.
Partijen houdt uitsluitend verdeeld of belanghebbende het standpunt dat de auto als gebruikt moet worden aangemerkt tegen beter weten in heeft ingenomen. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank terecht heeft beslist dat dit het geval is en dus terecht heeft volstaan met de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar standpunt uitsluitend gewezen op de tellerstand van 53 kilometer en de eerste toelating. Zoals de Inspecteur ter zitting heeft opgemerkt, en door de gemachtigde niet is weersproken, heeft elke nieuwe auto een beperkt aantal kilometers op de teller. Er was in de bezwaar- en beroepsfase sprake van een algemeen standpunt van belanghebbende, zonder dat hij specifieke omstandigheden met betrekking tot de auto heeft aangevoerd waarom ondanks de lage kilometerstand toch sprake is van een gebruikte auto voor het vaststellen van de verschuldigde bpm. De stellingname van belanghebbende dat de waardevermindering zou volgen uit de bij de aangifte voor de auto overgelegde koerslijst AutotelexPro (zie 5.1), nog daargelaten dat deze stelling eerst in de hogerberoepsfase is betrokken, kan belanghebbende in dit kader, gelet op hetgeen reeds onder 5.6 is overwogen, niet baten. Gelet op de huidige stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad is, onder deze feiten en omstandigheden, sprake van een standpunt dat tegen beter weten in is ingenomen. Het feit dat de Hoge Raad in dit kader geen prejudiciële vragen heeft gesteld en het feit dat het Hof van Justitie naderhand heeft beslist dat een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet moet motiveren waarom deze afziet van het stellen van vragen over een in het geding opgeworpen vraag over de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke bepaling (vgl. arrest Remling, HvJ 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243), maakt op zichzelf niet dat geen sprake is een standpunt dat tegen beter weten in is ingenomen. De omstandigheid dat belanghebbende de auto zelf in de aangifte heeft opgevoerd als gebruikte auto en dus door belanghebbende zelf een “vermindering” is geclaimd, welk standpunt door de gemachtigde van belanghebbende, aldus de gemachtigde, door hem “moest” worden verdedigd in de bezwaar- en beroepsfase, maakt vorenstaande niet anders. Belanghebbendes stelling faalt.
Slotsom
5.14.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding tot een proceskostenvergoeding in hoger beroep.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 30 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.