Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1835

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/547
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 14 EVRMArt. 17 Wet WOZArt. 1 Twaalfde Protocol EVRMArt. 25 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde woning en afwijzing dwangsom wegens tijdige beslissing

Belanghebbende is eigenaar van een parterre-portiekwoning uit 1938, waarvan de WOZ-waarde voor 2023 is vastgesteld op €290.000. De heffingsambtenaar heeft bezwaar tegen deze waarde ongegrond verklaard, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank, dat eveneens ongegrond werd verklaard.

In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, dat de waardebepaling leidt tot willekeur en discriminatie, en dat hij recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar tijdig heeft beslist na een geldige ingebrekestelling en dat geen dwangsom is verbeurd.

De waardebepaling is gebaseerd op een systematische vergelijking met vergelijkbare woningen, waarbij rekening is gehouden met verschillen in kwaliteit, voorzieningen en oppervlakte. Het hof acht de gehanteerde methode en de onderbouwing voldoende en wijst het beroep op het discriminatieverbod af omdat geen sprake is van ongelijke behandeling.

Het beroep op redelijkheid en billijkheid faalt omdat de rechter de innerlijke waarde van de wet niet mag toetsen, tenzij strijd met verdragsbepalingen. Het hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €290.000 en wijst het beroep op een dwangsom af wegens tijdige beslissing.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/547

uitspraak van 8 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 mei 2025, nummer SGR 24/4584.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 290.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting (de OZB-aanslag).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een als nader stuk aangemerkt verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft twee nadere stukken ingediend met dagtekening 8 oktober 2025 en 12 februari 2026.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een parterre-portiekwoning met een berging uit het bouwjaar 1938. De gebruiksoppervlakte van de woning is ongeveer 85 m2 en de oppervlakte van het de tuin bedraagt ongeveer 56 m2.
2.2.
Bij brief van 13 juli 2023 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. De Heffingsambtenaar heeft bij brief van 27 juli 2023 aan belanghebbende laten weten dat de bezwaartermijn ten tijde van de ingebrekestelling nog niet verlopen was. Op 28 december 2023 stuurt de Heffingsambtenaar een verdaging naar belanghebbende. De uitspraakdatum is uiterlijk 12 februari 2024. Bij brief van 23 maart 2024 stelt belanghebbende de Heffingsambtenaar opnieuw in gebreke. De Heffingsambtenaar verstuurt de uitspraak op bezwaar met dagtekening 5 april 2024 op 3 april 2024.
2.3.
De Heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd. Tot het taxatierapport behoort een matrix die de hieronder opgenomen gegevens van de woning en van enkele, naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare, woningen (de vergelijkingsobjecten) bevat (de matrix).
de woning
[adres 2]
[adres 3]
[adres 4]
Bouwjaar
1938
1950
1950
1936
Soort object
Part.-portiekwoning
Part.-portiekwoning
Part.-portiekflat
Part.-portiekwoning
Oppervlak hoofdgebouw
85 m2
81 m2
66 m2
81 m2
Rekenprijs per m2
€ 2.990
€ 3.307
€ 3.520
€ 3.246
Berekende waarde
hoofdgebouw
€ 254.146
€ 267.832
€ 232.315
€ 262.940
KOUDV-factoren woning
K
O
U
D
V
2
3
3
3
2
3
4
3
3
3
3
4
3
3
3
3
3
2
3
4
Oppervlakte tuin
56 m2
21 m2
93 m2
75 m2
Rekenprijs per m2
€ 568
€ 600
€ 461
€ 500
Berekende waarde tuin
€ 31.800
€ 12.600
€ 42.900
€ 37.500
Rekenprijs bijgebouwen:
Berging/schuur
€ 6.250
€ 5.000
€ 10.085
Waarde
€ 290.000
Prijs transactie
€ 285.000
€ 285.000
€ 312.500
Geïndexeerde transactie
€ 280.432
€ 280.215
€ 310.525
Datum transactie
07-01-2022
02-05-2022
18-02-2022
PPE
€ 3.481
€ 3.481
€ 3.705
€ 3.491
2.4.
Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar een aanvullend overzicht (het overzicht) overgelegd van parterrewoningen aan de [straat] . Alle woningen uit het overzicht hebben een berging/schuur, waarvan de oppervlakte varieert tussen de 2m2 en 10m2. De waarde van die bijgebouwen varieert tussen de € 1.700 en € 5.500.
Huisnummer
Oppervlakte woning
Oppervlakte tuin
Overkapping
WOZ-waarde
K
O
U
D
V
[adres 5]
85
62
330
3
3
3
3
3
[adres 6]
85
60
330
3
3
3
3
3
[adres 7]
89
59
345
3
3
3
3
3
[adres 8]
85
60
330
3
3
3
3
3
[adres 9]
89
62
340
3
3
3
3
3
[adres 1]
85
56
290
2
3
3
3
2
[adres 10]
85
59
330
3
3
3
3
3
[adres 11]
85
66
330
3
3
3
3
3
[adres 12]
85
63
ja, € 3.000
330
3
3
3
3
3
[adres 13]
85
47
ja, € 3.000
295
2
3
3
3
2
[adres 14]
85
57
350
3
3
3
3
4
[adres 15]
85
57
290
2
3
3
3
2
[adres 16]
85
63
330
3
3
3
3
3
[adres 17]
85
46
340
3
4
3
3
3
[adres 18]
85
60
315
3
2
3
3
3
[adres 19]
85
33
315
3
3
3
3
3

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:
“2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 265.000.
3. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Met de matrix en hetgeen overigens door de heffingsambtenaar is aangevoerd, maakt hij aannemelijk dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woningen, waaronder het kwaliteitsniveau, het voorzieningenniveau en de oppervlakte.
Artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM
5. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, doet aan het hiervoor gegeven oordeel niet af. Belanghebbende voert aan dat artikel 14 van Pro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) is geschonden, omdat de WOZ-waarde van de woning niet op eenzelfde bedrag is vastgesteld als de overige objecten in het gebouw. Nu artikel 14 EVRM Pro op zichzelf bezien niet kan worden geschonden, vat de rechtbank de beroepsgrond van belanghebbende op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel uit artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol EVRM. De rechtbank stelt hierbij voorop dat bij een beroep op artikel 1 Twaalfde Pro Protocol EVRM in beginsel
affirmanti incumbit probatiogeldt. Ter inkleuring van deze bewijslast heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in
Timishev t. Ruslandgeoordeeld dat het aan, in dit geval belanghebbende, is om aan te tonen dat sprake is van ongelijke behandeling tussen hem en de
comparator.[2] Het is vervolgens aan, in dit geval de heffingsambtenaar, om aan te tonen dat de ongelijke behandeling gerechtvaardigd was.[3] Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien vrijwel uitsluitend de heffingsambtenaar kennis heeft van de in geschil zijnde feiten.[4] De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om te oordelen dat er een comparator is, nu de vastgestelde WOZ-waarde van de woning lager is dan de vastgestelde WOZ-waarden van de (al dan niet identieke) door belanghebbende aangedragen objecten. Er is dan ook geen sprake van analoge of relevante, vergelijkbare gevallen, die het beroep op het gelijkheidsbeginsel kunnen staven. Het beroep op artikel 1 Twaalfde Pro Protocol EVRM faalt reeds om die reden.
Stijgingspercentages
6. De rechtbank overweegt als volgt omtrent het betoog dat de WOZ-waarde van de woning te hard is gestegen. De rechtbank stelt voorop dat doel en strekking van de Wet WOZ met zich meebrengen dat de waarde van een onroerende zaak elk jaar opnieuw wordt bepaald aan de hand van verkoopcijfers van met de woning vergelijkbare panden die op of rond de waardepeildatum zijn verkocht. Voor de beoordeling van de juistheid van de voor het onderhavige jaar vastgestelde WOZ-waarde van de woning is daarom slechts van belang of die waarde is bepaald in overeenstemming met de geldende wettelijke voorschriften. De WOZ-waarde die voor een vorige waardepeildatum voor de woning of voor andere woningen is vastgesteld kan bij de bepaling van de nieuwe WOZ-waarde geen rol spelen. Algemene stijgingspercentages, zoals die van het CBS, of stijgingspercentages van WOZ-waarden van andere woningen laat de rechtbank buiten beschouwing.
Hoorrecht
7. Belanghebbende betoogt dat het hoorrecht is geschonden. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt – in afwijking van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – de belanghebbende gehoord op zijn verzoek. Belanghebbende heeft in dit geval geen verzoek gedaan om te worden gehoord, zodat het hoorrecht niet is geschonden.
Dwangsom
8. Belanghebbende betoogt dat hij recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.
8.1.
In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 23 per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. Op grond van het derde lid van dit artikel is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende op 13 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de heffingsambtenaar. Nu op dat moment de beslistermijn op het bezwaar van belanghebbende nog niet was verstreken, is de ingebrekestelling prematuur en daarmee ongeldig.[5] Het betoog van belanghebbende dat artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet in strijd is met artikel 7:10 van Pro de Awb berust op een onjuiste rechtsopvatting en maakt het voorgaande niet anders.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[2] Zie ook EHRM 13 oktober 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:1013JUD008111417 (
Ádám e.a.
/Roemenië), r.o. 84.
[3] EHRM 13 december 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1213JUD005576200 (
Timishev/Rusland), r.o. 57.
[4] EHRM 26 mei 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0526JUD001724713 (
Makychyan en Minasyan/ Azerbeidzjan en Hongarije), r.o. 212.
[5] ABRvS 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3711.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is:
i) of belanghebbende recht heeft op een dwangsom;
ii) of de wijze van waardebepaling volgens artikel 17 lid 2 Wet Pro WOZ in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel het verbod op discriminatie zoals bedoeld in artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);
iii) of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, alsmede wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning nader wordt vastgesteld op € 285.500.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

Dwangsom
5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 4:17, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voor het verbeuren van een dwangsom een rechtsgeldige ingebrekestelling vereist en dient de beslistermijn om uitspraak op bezwaar te doen te zijn verstreken. Belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar op 13 juli 2023 in gebreke gesteld. In afwijking van artikel 7:10 Awb Pro was op basis van artikel 236, lid 2 van de Gemeentewet en artikel 30, lid 9, Wet WOZ de beslistermijn ten tijde van de (eerste) ingebrekestelling niet verstreken. Belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar op 23 maart 2024 opnieuw in gebreke gesteld. De Heffingsambtenaar heeft binnen twee weken na de tweede ingebrekestelling uitspraak op bezwaar gedaan. De Heffingsambtenaar heeft daarmee tijdig beslist en geen dwangsom verbeurd.
Redelijkheid en billijkheid en artikel 14 EVRM Pro
5.2.
De waarde van de woning wordt ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43-44).
5.3.
Belanghebbende betoogt dat de wijze van waardebepaling zoals die is vastgelegd in artikel 17 lid 2 Wet Pro WOZ leidt tot willekeur, omdat bij de waardebepaling wordt uitgegaan van gerealiseerde verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten, terwijl deze prijzen in de loop der jaren voortdurend fluctueren. Belanghebbende stelt dat deze vorm van waardebepaling derhalve tot een willekeurige heffing van belasting leidt. Voor zover belanghebbende betoogt dat artikel 17 Wet Pro WOZ niet mag worden toegepast omdat deze bepaling strijdig is met de redelijkheid en billijkheid, oordeelt het Hof dat de rechter op grond van artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet niet mag beoordelen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen.
5.4.
Voor een geslaagd beroep op het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro zal belanghebbende in elk geval moeten stellen welke mate van ongelijkheid van door hem voorgestane gelijke gevallen bestaat. Belanghebbende heeft hiertoe aangevoerd dat de WOZ-waarde willekeurig is, nu de daaraan ten grondslag liggende verkoopcijfers aan voortdurende fluctuatie onderhevig zijn. Het Hof is allereerst van oordeel dat de Heffingsambtenaar de gehanteerde verkoopcijfers indexeert naar de waardepeildatum, waardoor de fluctuatie gedurende het belastingjaar wordt weggenomen. Voor zover belanghebbende stelt dat de waardefluctuaties tussen verschillende belastingjaren leiden tot discriminatie, volgt het Hof dit evenmin. Dergelijke fluctuaties worden veroorzaakt door stijgende of dalende verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten en niet door discriminatoir handelen door de Heffingsambtenaar. Van enige mate van ongelijkheid dan wel van discriminatie is derhalve geen sprake, zodat het beroep op artikel 14 EVRM Pro niet slaagt.
Waarde van de woning
5.5.
De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Bij de beoordeling van de vraag of de Heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan, dient evenwel gelet te worden op hetgeen door belanghebbende wordt aangevoerd (vlg. HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, BNB 2023/63).
5.6.
Naar volgt uit de door de Heffingsambtenaar overgelegde matrix is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. In de matrix is de waarde van de woning, rekening houdend met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten berekend op € 290.000. Daarbij is verwezen naar de opbrengst behaald bij verkoop van de vergelijkingsobjecten. Niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Voldoende is dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. De gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn, evenals de woning, parterre-portiekwoningen en -flat uit een vergelijkbare bouwperiode. De vergelijkingsobjecten zijn alle in dezelfde wijk gelegen. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dan ook in beginsel als richtsnoer dienen bij het bepalen van de waarde van de woning.
5.7.1.
De gemiddelde prijs per m2 gebruiksoppervlakte die (na de KOUDV-correcties) uit de verkopen van de vergelijkingsobjecten volgt, is € 3.559. Bij de berekening hiervan is de prijs per m2 van de vergelijkingsobjecten gecorrigeerd naar de kenmerken van de woning, te weten een factor “2” voor kwaliteit en voorzieningen en een factor “3” voor de overige kenmerken. Gelet op de bij de waardering van de woning gehanteerde prijs van € 3.481 per m2 gebruiksoppervlakte, is in voldoende mate rekening gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten.
5.7.2.
Ter verdere onderbouwing van de waarde van de woning heeft de Heffingsambtenaar een overzicht overgelegd met portiekparterrewoningen uit dezelfde straat als de woning. De verschillen in de gebruiksoppervlakte van de objecten, de oppervlakte van de tuinen, eventueel aanwezige bijgebouwen en de KOUDV-factoren maken in samenhang bezien, anders dan belanghebbende stelt, dat geen sprake is van identieke woningen. Uit het overzicht en de door de Heffingsambtenaar ter zitting gegeven toelichting volgt dat de verschillen in waarde tussen de woning en de overige objecten uit het overzicht zich goed laten verklaren. Daarnaast heeft de woning van belanghebbende (mede) de laagste WOZ-waarde van de in het overzicht opgenomen objecten. De Heffingsambtenaar heeft met het voorgaande aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
5.8.
Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Belanghebbende stelt dat de herbouwwaarde als basis voor de waardebepaling zou moeten worden gebruikt. Dat is niet in overeenstemming met de wijze van waardebepaling zoals is vastgelegd in artikel 17 lid 2 Wet Pro WOZ.
5.9.
Gelet op het vorenstaande heeft de Heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de door hem bij beschikking vastgestelde waarde van € 290.000 niet te hoog is.
Slotsom
5.10.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.
De griffier, de voorzitter,
D.W. Renes W. de Wit

De beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.