Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
uitspraak van 8 april 2026
[X] te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
affirmanti incumbit probatiogeldt. Ter inkleuring van deze bewijslast heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in
Timishev t. Ruslandgeoordeeld dat het aan, in dit geval belanghebbende, is om aan te tonen dat sprake is van ongelijke behandeling tussen hem en de
comparator.[2] Het is vervolgens aan, in dit geval de heffingsambtenaar, om aan te tonen dat de ongelijke behandeling gerechtvaardigd was.[3] Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien vrijwel uitsluitend de heffingsambtenaar kennis heeft van de in geschil zijnde feiten.[4] De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om te oordelen dat er een comparator is, nu de vastgestelde WOZ-waarde van de woning lager is dan de vastgestelde WOZ-waarden van de (al dan niet identieke) door belanghebbende aangedragen objecten. Er is dan ook geen sprake van analoge of relevante, vergelijkbare gevallen, die het beroep op het gelijkheidsbeginsel kunnen staven. Het beroep op artikel 1 Twaalfde Pro Protocol EVRM faalt reeds om die reden.
Ádám e.a.
/Roemenië), r.o. 84.
Timishev/Rusland), r.o. 57.
Makychyan en Minasyan/ Azerbeidzjan en Hongarije), r.o. 212.