Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:185

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.324.282/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:661 BWArt. 6:74 BWArt. 6:162 BWArt. 6:203 BWArt. 6:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over onrechtmatige overmakingen door financieel manager en schadevergoeding

In deze civiele arbeidsrechtelijke zaak staat centraal of de financieel manager [appellant 1] en zijn vennootschappen aansprakelijk zijn voor onrechtmatige overmakingen van gelden van Hydromaster en gelieerde vennootschappen naar hun eigen rekeningen.

De kantonrechter had hen reeds veroordeeld tot betaling van ruim € 887.000 aan Hydromaster, onderzoekskosten en een gefixeerde schadevergoeding wegens ontslag op staande voet. In hoger beroep betwistten [appellanten] de omvang van de schade en stelden zij dat de overmakingen niet door [appellant 1] waren verricht, mede vanwege zijn medische aandoeningen.

Het hof oordeelt dat [appellant 1] onweerlegbaar heeft erkend dat hij de gelden onrechtmatig heeft overgemaakt en dat hij de creditcards van Hydromaster voor privédoeleinden heeft gebruikt. De vennootschappen zijn aansprakelijk wegens ongerechtvaardigde verrijking. De omvang van de schade wordt vastgesteld op minimaal € 767.683,93, waarbij het hof de kantonrechter corrigeert op enkele punten, onder meer met betrekking tot btw en hoofdelijkheid.

De stellingen over eigen schuld van Hydromaster worden verworpen, mede omdat [appellant 1] controlemechanismen wist te omzeilen. De gefixeerde schadevergoeding wegens ontslag op staande voet wordt bevestigd. De vorderingen van [appellant 1] tot loon en vakantiegeld worden afgewezen wegens onvoldoende concretisering.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter grotendeels, wijzigt enkele onderdelen en veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van zowel het principale als het incidentele hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bevestigt aansprakelijkheid en veroordeelt [appellanten] tot betaling van ruim € 886.000 schadevergoeding, onderzoekskosten en gefixeerde schadevergoeding, met enkele correcties op het vonnis van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.324.282/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 9951629 / CV EXPL 22-2499
Arrest van 17 februari 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
2.
[appellant 2],
gevestigd in [woonplaats] ,
3.
[appellant 3]
gevestigd in [woonplaats] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. H. Loonstein, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Hydromaster Propulsion B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.F. Bienfait, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en Hydromaster . Het hof noemt [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] gezamenlijk hierna [appellanten]

1.De zaak in het kort

[appellant 1] was in dienst als financieel manager bij Hydromaster . Hydromaster verwijt [appellant 1] dat hij bedragen van de bankrekening van Hydromaster (en aan haar gelieerde vennootschappen) heeft overgemaakt naar zijn persoonlijke bankrekeningen en de bankrekeningen van [appellant 2] en [appellant 3] . Daarnaast verwijt zij [appellant 1] dat hij creditcards van Hydromaster (en aan haar gelieerde vennootschappen) heeft gebruikt voor persoonlijke doeleinden. Deze zaak gaat in de kern om de vraag of [appellanten] de schade van Hydromaster moet vergoeden en zo ja, wat de omvang is van die schade. Het hof acht, net als de kantonrechter, [appellanten] aansprakelijk, zij het deels op andere gronden. Hij moet daarom de schade van Hydromaster vergoeden.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 23 februari 2023, waarmee [appellanten] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 1 december 2022;
  • de memorie van grieven van [appellanten] , met producties A t/m K;
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel van Hydromaster , met producties 16 t/m 38;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellanten] ;
  • de producties L t/m O van [appellanten]
2.2
Op 3 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Ter zitting heeft het hof beslist de producties P, Q en R van [appellanten] buiten beschouwing te laten, omdat die te laat zijn ingediend en de inhoud volgens [appellanten] hetzelfde is als van reeds eerder in het geding gebrachte producties.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Hydromaster is onderdeel van een groep waar ook Sykes Marine Hydromaster B.V. (hierna: Sykes Marine ) en Sykes Marine ( Hydromaster ) Limited (hierna: Sykes Marine Limited ) onderdeel van uitmaken (hierna gezamenlijk: Hydromaster c.s. ).
3.2
[appellant 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [appellant 2] . [appellant 2] is op haar beurt bestuurder en enig aandeelhouder van [appellant 3] .
3.3
[appellant 1] is op 1 juli 2019 bij Hydromaster in dienst getreden als financieel manager. De financieel manager is (eind)verantwoordelijk voor het verrichten van alle uitgaande betalingen van Hydromaster c.s.
3.4
Naar aanleiding van een melding van ABN AMRO Bank is bij Hydromaster het vermoeden gerezen dat [appellant 1] onterecht betalingen deed vanuit de bankrekeningen van Hydromaster c.s. naar zijn persoonlijke en zakelijke bankrekeningen. Daarop heeft Hydromaster [recherche] (hierna: [recherche] ) ingeschakeld om onderzoek te doen naar de toedracht en de omvang van de handelwijze van [appellant 1] . [recherche] heeft haar voornaamste bevindingen in een ‘management letter’ opgenomen.
3.5
Op 18 mei 2022 heeft Hydromaster [appellant 1] op staande voet ontslagen omdat hij, kort gezegd, onterechte betalingen heeft verricht van de bankrekening van Hydromaster naar diverse (buitenlandse) bankrekeningen die op naam van [appellant 1] staan, althans waarover hij de beschikking heeft.

4.Procedure bij de rechtbank; vorderingen in hoger beroep

4.1
Hydromaster heeft [appellanten] gedagvaard en – na vermeerdering van eis – zakelijk weergegeven gevorderd:
I. hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van € 886.758,63;
II. hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van € 18.123,17 aan onderzoekskosten;
III. veroordeling van [appellant 1] tot betaling van € 6.898,06 aan gefixeerde schadevergoeding;
een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen. Aan deze vorderingen heeft Hydromaster , kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [appellant 1] schadeplichtig is omdat hij onterecht geldbedragen heeft overgemaakt van de bankrekeningen van Hydromaster c.s. naar zijn persoonlijke en zakelijke bankrekeningen en [appellanten] hiervoor hoofdelijk aansprakelijk is op grond van de artikelen 7:661 BW, 6:74 BW en 6:162 BW. De bedragen kunnen volgens Hydromaster bovendien worden teruggevorderd op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro). Omdat [appellant 1] door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven voor ontslag op staande voet, is hij een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd (artikel 7:677 lid 2 BW Pro). De onderzoekskosten is [appellanten] verschuldigd op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro.
4.2
Ter zake vordering I heeft de kantonrechter [appellanten] veroordeeld om in totaal een bedrag van € 887.552,96 aan Hydromaster te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en wel als volgt:
€ 620.195,84 te betalen door [appellant 1] ;
€ 55.514,87 te betalen door [appellant 2] ;
€ 211.842,25 te betalen door [appellant 3] .
Verder heeft de kantonrechter vorderingen II en III toegewezen en [appellanten] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, inclusief de beslagkosten tot een bedrag van € 7.157,24, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3
[appellant 1] heeft op zijn beurt (in reconventie) gevorderd betaling van het restant loon, het vakantiegeld, de resterende vakantiedagen en betaling van de transitievergoeding en/of schadevergoeding. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant 1] afgewezen, kort gezegd omdat hij zijn vorderingen niet heeft gespecificeerd, en [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten in reconventie veroordeeld.
4.4
[appellanten] wil dat het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigt en de vorderingen van Hydromaster in conventie alsnog afwijst en zijn eigen vorderingen in reconventie alsnog toewijst. Daarnaast stelt [appellanten] in hoger beroep een vordering ex artikel 843a Rv in. Hij vordert afgifte van:
het autorisatieoverzicht en/of autorisatiebeleid van Hydromaster met betrekking tot de ABN Amro-(creditcard)rekeningen van Hydromaster c.s. ;
zakelijke e-mailcorrespondentie tussen [appellant 1] en Hydromaster waaruit blijkt dat [appellant 1] per 31 mei 2022 bij Hydromaster zou vertrekken;
een overzicht van het loon van [appellant 1] over de periode 1 mei 2022 tot 18 mei 2022, een overzicht van de door [appellant 1] in de periode mei 2021 tot mei 2022 opgebouwde vakantietoeslag en een overzicht van de door [appellant 1] opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen.
[appellanten] vordert verder veroordeling van Hydromaster in de proceskosten.
4.5
Hydromaster eist in incidenteel hoger beroep dat het hof hoofdelijk ook [appellant 1] veroordeelt tot betaling van de bedragen waartoe respectievelijk [appellant 2] en [appellant 3] alleen zijn veroordeeld (zie hiervoor 4.2, onder b en c).

5.Beoordeling in hoger beroep

Cessie

5.1
[appellanten] heeft in hoger beroep tijdens de mondelinge behandeling het standpunt ingenomen dat Sykes Marine en Sykes Marine Limited slechts hun vorderingen op [appellant 1] en [appellant 2] aan Hydromaster hebben gecedeerd en
niethun vorderingen op [appellant 3] . Dat is een nieuwe grief die [appellanten] , in strijd met de tweeconclusieregel, niet al in de memorie van grieven naar voren heeft gebracht zodat dit te laat is. Het hof laat de grief daarom onbesproken. Het hof volgt [appellanten] niet in zijn betoog dat hij deze grief wel al bij memorie van grieven naar voren heeft gebracht. Uit de enkele betwisting (in par. 2.2 en 4.1 van de memorie van grieven waarnaar hij heeft verwezen tijdens de mondelinge behandeling na vragen van het hof daarover) dat de ingestelde vorderingen, vorderingen van Hydromaster zijn, blijkt onvoldoende duidelijk dat [appellanten] (daarmee ook) de cessie van de vorderingen op [appellant 3] ter discussie heeft willen stellen. [appellanten] heeft ook geen aanvullende feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit valt af te leiden dat Hydromaster dat wel op die wijze heeft opgevat dan wel had moeten opvatten. Als [appellanten] dat wel beoogde, dan had hij dit tot uitdrukking moeten brengen. Daarnaast is overigens onbegrijpelijk waarom hij die betwisting niet expliciet heeft gemaakt in par. 5.8 van zijn memorie van grieven. In die paragraaf bespreekt hij namelijk de cessie van de vorderingen van Sykes Marine en Sykes Marine Limited .
5.2
Nu de grief te laat naar voren is gebracht, staat in hoger beroep vast dat Sykes Marine en Sykes Marine Limited ook hun vorderingen op [appellant 3] aan Hydromaster hebben gecedeerd.
Aansprakelijkheid van [appellant 1]
5.3
De kantonrechter heeft de vordering van Hydromaster tot veroordeling van [appellant 1] tot betaling gedeeltelijk toegewezen op grond van onverschuldigde betaling (voor de bedragen die hij naar zijn persoonlijke en zakelijke bankrekeningen heeft overgemaakt) en gedeeltelijk op grond van artikel 7:661 BW Pro (voor betalingen die hij met creditcards van Hydromaster c.s. heeft verricht voor eigen doeleinden).
5.4
In hoger beroep betwist [appellanten] dat [appellant 1] bedragen heeft overgemaakt naar zijn persoonlijke en zakelijke bankrekeningen en dat hij de creditcards van Hydromaster c.s. heeft gebruikt voor eigen doeleinden. Hij werpt de suggestie op dat ook iemand anders dat zou kunnen hebben gedaan en vordert daarom ex artikel 843a Rv afgifte van autorisatieoverzichten van de bank. Daaruit zou volgens hem moeten blijken wie de betalingen heeft verricht. Verder heeft [appellanten] zich op het standpunt gesteld dat van onverschuldigde betaling geen sprake is en dat evenmin sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid in de zin van artikel 7:661 BW Pro. Volgens [appellanten] kon [appellant 1] , kort gezegd, niet anders handelen dan hij heeft gedaan omdat zijn handelen in overwegende mate werd beheerst door zijn stoornissen. Daartoe voert hij aan dat hij zeer ernstig gokverslaafd was, ook al in 2019, en dat hij last had van clusterhoofdpijn en hypersensitiviteit. Daarnaast is hij gediagnosticeerd met autisme. [appellanten] verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen naar medische stukken.
5.5
Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] onvoldoende gemotiveerd betwist dat [appellant 1] bedragen heeft overgemaakt naar zijn persoonlijke en zakelijke bankrekeningen en dat hij de creditcards van Hydromaster c.s. heeft gebruikt voor eigen doeleinden. De enkele suggestie dat ook iemand anders dat kan hebben gedaan, volstaat niet. Bovendien is die betwisting in strijd met de gerechtelijke erkentenis van [appellanten] waarvan hij in hoger beroep niet kan terugkomen (zie verder 5.10 e.v.). Die erkentenis houdt in dat [appellant 1] wederrechtelijk geld van Hydromaster c.s. naar zijn persoonlijke en zakelijke rekeningen heeft overgemaakt en dat hij de creditcards van Hydromaster c.s. heeft gebruikt voor eigen doeleinden. Dat laatste (het gebruik van de creditcards) blijkt uit het overzicht dat [appellanten] in eerste aanleg als productie 8 in geding heeft gebracht. In dat overzicht, dat de bedragen bevat die [appellanten] erkent verschuldigd te zijn, is namelijk een post “ [kenmerk 1] ” opgenomen. Daarnaast heeft [appellanten] de stelling van Hydromaster dat [appellant 1] destijds de enige persoon binnen Hydromaster c.s. was die uitgaande betalingen verrichtte, niet betwist. Nu vaststaat dat [appellant 1] bedragen heeft overgemaakt naar zijn persoonlijke en zakelijke bankrekeningen en dat hij de creditcards van Hydromaster c.s. heeft gebruikt voor eigen doeleinden, ligt zijn vordering ex artikel 843a Rv tot verstrekking van zogeheten autorisatieoverzichten van de bank bij gebrek aan belang voor afwijzing gereed.
5.6
Het hof acht [appellant 1] wat de schade van Hydromaster betreft aansprakelijk op grond van artikel 7:661 BW Pro en wat de schade van Sykes Marine en Sykes Marine Limited betreft op grond van artikel 6:162 BW Pro en dus niet deels op grond van onverschuldigde betaling, zoals de kantonrechter heeft geoordeeld. Vast staat dat [appellant 1] bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst door zijn handelswijze schade aan Hydromaster heeft toegebracht. Daarnaast heeft hij onrechtmatig jegens Sykes Marine en Sykes Marine Limited gehandeld door geld van hun rekeningen onterecht over te boeken naar zijn privé- en zakelijke rekeningen waardoor zij schade hebben geleden. [appellant 1] heeft daarbij onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij opzettelijk dan wel bewust roekeloos heeft gehandeld in de zin van artikel 7:661 BW Pro, welke maatstaf in dit geval ook geldt voor aansprakelijkheid op grond van 6:162 BW [1] . Daarbij stelt het hof voorop dat het handelen waar het hier om gaat niet het gokken zelf betreft, maar het onterecht overmaken van geldbedragen van de rekeningen van zijn werkgever naar zijn persoonlijke en zakelijke rekeningen. Dit waren geen vergissingen, maar betroffen bewuste en met opzet gedane overboekingen. Weliswaar blijkt uit de medische stukken die [appellanten] heeft overgelegd dat hij is gediagnosticeerd met een gokverslaving, clusterhoofdpijn en een autismespectrumstoornis, maar uit die stukken blijkt niet dat die aandoeningen en stoornissen het handelen van [appellant 1] in overwegende mate hebben beheerst en hij zijn wil niet meer kon bepalen, zodanig dat hij niet anders kon dan de geldbedragen naar zichzelf overboeken en de opzet daarop zou ontbreken. Het verklaart wellicht waarom hij zo gehandeld heeft, maar dat betekent nog niet dat hij niet daadwerkelijk beoogde het geld naar zichzelf over te maken en het betekent ook niet dat hem daarvan geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Nu [appellant 1] zijn betwisting dat sprake is van opzet dan wel bewuste roekeloosheid daarmee onvoldoende heeft gemotiveerd, komt het hof niet toe aan nadere bewijslevering op dit punt. Grief II faalt dan ook.
Aansprakelijkheid van [appellant 2] en [appellant 3]
5.7
Het hof acht [appellant 2] en [appellant 3] aansprakelijk op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW Pro) en niet op grond van onverschuldigde betaling, zoals de kantonrechter heeft geoordeeld. [appellant 1] heeft immers niet betwist dat hij ook ten onrechte geldbedragen naar de bankrekeningen van [appellant 2] en [appellant 3] heeft overgemaakt. [appellant 2] en [appellant 3] hebben deze ten onrechte ontvangen bedragen niet teruggestort. Hierdoor zijn [appellant 2] en [appellant 3] op dat moment verrijkt ten koste van Hydromaster c.s. Dit en daarmee de verarming van Hydromaster , Sykes Marine en Sykes Marine Limited die niet meer over de gelden konden beschikken, is door [appellanten] ook niet weersproken. [appellant 2] en [appellant 3] zijn daarom verplicht de schade van Hydromaster c.s. te vergoeden.
Omvang van de schade
5.8
Volgens de kantonrechter heeft [appellant 1] in totaal een bedrag van € 797.998,40 overgemaakt naar zijn persoonlijke en zakelijke bankrekeningen en heeft hij met creditcards van Hydromaster c.s. voor eigen doeleinden betalingen gedaan tot een bedrag van € 89.554,56. De kantonrechter heeft – in hoofdsom – in totaal daarom een bedrag van € 887.552,96 toegewezen.
5.9
[appellanten] betwist de omvang van dit bedrag. Volgens hem heeft Hydromaster de omvang van haar vordering onvoldoende onderbouwd. In de eerste plaats voert [appellanten] aan dat aan het rapport van [recherche] geen waarde kan worden gehecht. Het rapport is flinterdun en bovendien is [recherche] een omstreden bureau, aldus [appellanten] Verder voert [appellanten] aan dat Hydromaster niet haar gehele vordering met bankafschriften heeft onderbouwd. Uit de ontbrekende bankafschriften kan wellicht blijken dat [appellant 1] betalingen ten gunste van Hydromaster heeft gedaan. De door Hydromaster overgelegde ‘Excel-lijsten’ kunnen niet als onderbouwing dienen. Volgens [appellanten] kan eenieder dergelijke Excel-lijsten maken en daarin aanpassingen doen. [appellanten] betwist verder dat bepaalde bankrekeningen van hem zijn.
5.1
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de omvang van de schade
ten minste€ 767.683,93 bedraagt. Het hof baseert dat oordeel op stellingen die [appellanten] in eerste aanleg heeft ingenomen. In zijn conclusie van antwoord (par. 22) schreef hij:
“ [appellant 1] is op zijn beurt al zijn bankafschriften nagegaan om een optelsom te maken van het geld dat hij wederrechtelijk van Hydromaster heeft genomen. Een totaalberekening wordt overlegd als Productie 8.
Zoals op het totaaloverzicht valt te zien, zijn er twee posten niet volledig kenbaar wegens het ontbreken van de data. Hier heeft [appellant 1] een schatting gemaakt. De andere posten kloppen.
Wanneer deze totaalberekening wordt gevolgd, dan heeft [appellant 1] in totaal € 767.683,93 van Hydromaster ontvangen op zijn persoonlijke, dan wel zakelijke bankrekeningen. [appellant 1] heeft van Hydromaster in ieder geval € 160.764,22 ontvangen in het kader van [kenmerk 2] . Het geld is daar ook conform afspraak aan besteed. Het bedrag van omme nabij de € 160.000,00 is dus niet wederrechtelijk door [appellant 1] ontvangen.
Wanneer het bedrag in minder wordt gebracht op het totaal, dan resteert een bedrag van € 606.919,71 wat wederrechtelijk door [appellant 1] is ontvangen.
[appellant 1] erkent dit deel van de vordering van Hydromaster en betwist al het overige dat door Hydromaster wordt gevorderd onder sub I van het petitum. […]”
5.11
[appellant 1] heeft dus erkend dat hij op zijn persoonlijke en zakelijke bankrekeningen in totaal een bedrag van € 767.683,93 van Hydromaster heeft ontvangen en dat hij daarvan een bedrag van € 606.919,71 ‘wederrechtelijk’ heeft ontvangen. Dit is een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv Pro. [appellanten] kan die erkentenis niet herroepen nu niet aannemelijk is geworden dat hij zijn erkentenis door een dwaling of niet in vrijheid heeft afgelegd (artikel 154 lid 2 Rv Pro). Dat [appellanten] niet tevreden was over de advocaat die hem in eerste aanleg heeft bijgestaan, zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, kan dit niet anders maken. Evenmin is sprake van een andere situatie als in eerste aanleg qua tijd (geen toekomstige gebeurtenis zoals in de zaak van de Hoge Raad waarnaar is verwezen bij de mondelinge behandeling van het hof). Bovendien worden de stellingen in de conclusie van antwoord vergezeld van een overzicht met geldbedragen (productie 8) dat sluit op het bedrag van € 606.919,71. [appellanten] heeft niet weersproken dat dat overzicht van zijn hand is.
5.12
De kantonrechter heeft in het vonnis de post [kenmerk 2] (zie hiervoor onder 5.10) van € 160.764,22 ( [appellant 1] heeft erkend dit bedrag ook te hebben ontvangen) niet in mindering gebracht. Daaraan ligt de (impliciete) overweging ten grondslag dat [appellant 1] ook het bedrag van € 160.764,22 zonder rechtsgrond naar zijn eigen bankrekening heeft overgemaakt. [appellanten] heeft tegen die overweging geen grief gericht, zodat hiervan in hoger beroep moet worden uitgegaan. Daarnaast heeft Hydromaster in hoger beroep onweersproken gesteld dat het bedrag van € 160.764,22 waar [appellant 1] op doelt door [appellant 1] ten onrechte door hem aan het [kenmerk 2] project is gekoppeld, maar het bij deze bedragen niet om betaling van het project gaat (bij de overmaking van dit bedrag staat wel Maron Beheer Bvba als begunstigde vermeld, maar zij was niet daadwerkelijk de begunstigde; zie 25. van de memorie van antwoord). Het door Hydromaster gevorderde bedrag van € 160.764,22 ziet dus niet op dit project. Dit alles betekent dat vaststaat dat de schade van Hydromaster c.s. ten minste € 767.683,93 [2] bedraagt.
5.13
Het verschil tussen het erkende schadebedrag (€ 767.683,93) en het totaal door Hydromaster gevorderde bedrag (€ 886.758,63) bedraagt € 119.074,70. Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij ook dit verschilbedrag zonder rechtsgrond naar zijn persoonlijke dan wel zakelijke bankrekeningen heeft overgemaakt, dan wel dat het betalingen betrof die hij ten gunste van zichzelf heeft gedaan. Het hof licht dit toe.
5.14
Het hof laat de bedenkingen die [appellanten] heeft bij het rapport van [recherche] onbesproken, omdat dat rapport niet nodig is om de schade te kunnen vaststellen. Hydromaster heeft haar vordering namelijk ook onderbouwd met (aan de hand van overgelegde bankafschriften) gemaakte overzichten over 2019 en 2020 en zogeheten (digitale) csv-bestanden (Excel-overzichten) van de bank over 2021 en 2022. Hydromaster heeft onweersproken toegelicht dat de csv-bestanden informatie bevatten die elektronisch rechtstreeks zijn op te halen uit de bankomgeving van de ABN AMRO Bank. Uit deze overzichten blijkt dat van de rekening van Hydromaster een bedrag van € 225.593,20, van de rekening van Sykes Marine een bedrag van € 121.358,65 en van de rekening van Sykes Marine Limited een bedrag van € 473.863,01 is overgemaakt op rekeningen die volgens Hydromaster direct dan wel indirect aan [appellant 1] zijn te koppelen. Anders dan [appellanten] meent, is het hof van oordeel dat dit alles en dus ook de csv-bestanden wel als onderbouwing van de vordering kunnen dienen en de vordering hiermee ook voldoende is onderbouwd. De stelling van [appellanten] dat eenieder dergelijke Excel-lijsten kan maken en daarin naar believen aanpassingen kan doen, is namelijk niet meer dan een suggestie. [appellant 1] heeft nagelaten toe te lichten welke bedragen volgens hem niet kloppen.
5.15
Van bepaalde bankrekeningen die Hydromaster in haar onderbouwing heeft betrokken heeft [appellanten] betwist dat zij hem toebehoren. Het hof is echter van oordeel dat die betwisting onvoldoende gemotiveerd is. Hydromaster heeft een overzicht van de door haar in aanmerking genomen bankrekeningnummers overgelegd als productie 20.1 bij de memorie van antwoord. Daarbij heeft zij onderbouwd en onweersproken toegelicht dat bij al deze rekeningen een patroon zichtbaar is. Dat patroon houdt in dat meermaals kleine bedragen in korte tijd zijn overgemaakt naar dezelfde bankrekening, maar dat in de bankafschriften steeds een andere partij als begunstigde van die bankrekening staat vermeld. Zo zou de bankrekening met [rekeningnummer] conform de bankafschriften toebehoren aan zowel DiscountOffice , Maron Shipping Services als PPRO Financial Ltd . Omdat dit patroon zichtbaar is bij bankrekeningen waarvan [appellanten] erkent dat die van hem zijn, gaat Hydromaster er – naar het oordeel van het hof terecht – van uit dat ook andere bankrekeningen waarbij dit patroon zichtbaar is van [appellant 1] of zijn vennootschappen zijn. Daarnaast heeft Hydromaster onweersproken gesteld dat betalingen naar bepaalde bankrekeningen (bijvoorbeeld die van PPRO Financial Ltd ) veelal in de avonduren plaatsvonden, wat volgens Hydromaster duidt op niet-zakelijke transacties ten gunste van [appellanten] Ook daarvoor heeft [appellant 1] geen verklaring kunnen geven. Daarnaast geldt dat niet slechts de rekeningen waarvan [recherche] in haar (summiere) rapport heeft opgenomen dat deze aan [appellant 1] te liëren zijn in de schadebegroting kunnen worden opgenomen. Ook rekeningen waarvan nadien door Hydromaster door de ‘modus operandi’ is onderbouwd dat deze (indirect) tot [appellant 1] te herleiden zijn, onderbouwen de door Hydromaster gestelde schade. De enkele stelling dat volgens [recherche] bepaalde rekeningen niet aan [appellant 1] zijn te liëren en daarom niet in aanmerking kunnen worden genomen, is dan ontoereikend om de toegelichte en onderbouwde overboekingen voldoende te betwisten.
5.16
De enkele suggestie van [appellanten] dat uit ontbrekende bankafschriften (omdat niet alle bankafschriften maar alleen de bankafschriften van bedragen die teruggevorderd worden, zijn overgelegd) wellicht blijkt dat hij betalingen ten gunste van Hydromaster heeft gedaan, volstaat niet. Daarbij betrekt het hof dat [appellanten] in eerste aanleg heeft gesteld dat hij over ‘achterliggende documentatie’ beschikt. [3] Kennelijk beschikt [appellanten] dus over stukken om zijn betwisting te staven. Daarnaast is het ook aannemelijk dat [appellant 1] zelf over stukken beschikt waaruit kan blijken dat hij ten gunste van Hydromaster , Sykes Marine en/of Sykes Marine Limited (terug)betalingen heeft verricht. Het had op zijn weg gelegen om zijn stelling op dat punt te onderbouwen en die stukken in het geding te brengen. De stelling van [appellant 1] dat sommige betalingen verschuldigd waren, is door hem, in het licht van de toelichting die Hydromaster heeft gegeven, op geen enkele wijze nader onderbouwd zodat daarvan niet kan worden uitgegaan en bewijslevering niet aan de orde is.
5.17
Dat de schade wellicht niet tot op de cent nauwkeurig is te begroten, is een omstandigheid die, gelet op de ondoorzichtige wijze waarop [appellant 1] te werk ging, waarmee hij ook de accountants om de tuin wist te leiden, tezamen met het feit dat [appellant 1] degene is die inzicht kan geven in zijn eigen schadeberekening, naar het oordeel van het hof voor rekening van [appellanten] komt.
5.18
Wat de betalingen met de creditcards betreft, heeft [appellanten] in eerste aanleg erkend dat hij de creditcards van Hydromaster voor eigen doeleinden heeft gebruikt voor een bedrag van (naar schatting) € 38.750,00. [4] Dat [appellant 1] ook aansprakelijk is voor het meerdere tot € 89.554,56 (zoals door de kantonrechter toegewezen), heeft hij in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd betwist. Voorop gesteld wordt dat [appellant 1] niet heeft betwist dat één creditcard op naam stond van een medewerker die inmiddels uit dienst was gegaan en dat hij die creditcard nadien heeft gebruikt. De andere creditcard stond op zijn naam en kon door hem worden gebruikt. Hydromaster heeft alle creditcard-afschriften in het geding gebracht. Onder deze omstandigheden was het aan [appellant 1] inzicht te geven in de betalingen, wat hij heeft nagelaten. Dat [appellant 1] wellicht nog creditcardbetalingen zou hebben verricht die van het saldo afgetrokken zouden moeten worden, is door hem onvoldoende onderbouwd. Hij heeft niet nader geduid om welke betalingen dat dan zou gaan en evenmin heeft hij (met afschriften van zijn eigen rekeningen) aangetoond al terugbetalingen te hebben verricht. Tot slot geldt ook hier dat Hydromaster heeft gewezen op het door [appellant 1] niet betwiste gehanteerde patroon: betalingen verrichten precies tot de limiet van de desbetreffende creditcard en het saldo direct aanvullen vanuit de bedrijfsrekening van Hydromaster waarna er weer kleine bedragen worden betaald aan gokbedrijven. Ook de gestelde schade als gevolg van het ten onrechte doen van betalingen met de twee creditcards komt dan ook voor rekening van [appellant 1] .
5.19
Uit het voorgaande volgt dat [appellant 1] – in hoofdsom – aansprakelijk is voor het gevorderde bedrag van € 886.758,63, behoudens voor zover sprake is van eigen schuld. Hiermee faalt grief I.
Geen sprake van eigen schuld
5.2
Volgens [appellanten] heeft Hydromaster eigen schuld. Hydromaster voerde geen tweehandtekeningenbeleid en heeft ook anderszins geen controle op het handelen van [appellant 1] uitgevoerd. Voor zover er controle was (van accountants), was die controle volgens [appellanten] niet adequaat. [appellanten] verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van het hof Arnhem [5] en een uitspraak van de rechtbank Rotterdam [6] .
5.21
De kantonrechter heeft overwogen dat Hydromaster geen eigen schuld heeft. Volgens de kantonrechter mag Hydromaster als werkgever haar werknemers in principe vertrouwen. Er was geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van [appellant 1] te twijfelen. Een tweehandtekeningenbeleid zou niet gelden voor lage bedragen, terwijl [appellant 1] juist veel lage bedragen heeft overgemaakt. Daarmee had [appellant 1] dus nog steeds door kunnen gaan met het overmaken van bedragen. Verder heeft [appellant 1] de controlemechanismen die er waren weten te omzeilen. Zoals hiervoor overwogen is hij er ook in geslaagd externe accountants om de tuin te leiden. Het hof onderschrijft deze overwegingen van de kantonrechter en maakt die tot de zijne. Wat betreft het omzeilen van de accountants merkt het hof nog op dat Hydromaster onweersproken heeft gesteld dat [appellant 1] vervalste rekeningoverzichten van Sykes Marine Limited aan de accountant verstrekte en deze accountant hierdoor geen adequate controle uit kon oefenen. De verwijzing naar de uitspraken van het hof Arnhem en de rechtbank Rotterdam kan [appellanten] niet baten omdat het hier andere omstandigheden betrof. In de zaak van het hof Arnhem speelde bij de beoordeling van de eigen schuld een rol dat aan de werknemer verantwoordelijkheden waren toegekend die niet in lijn waren met haar functie en salariëring. Dat dit bij [appellant 1] het geval is, is niet gebleken. Integendeel: hij was financieel manager en het doen van betalingen hoort bij uitstek bij die functie. De rechtbank Rotterdam woog mee dat de werkgever ermee bekend was dat de werknemer bepaalde inkomsten niet altijd op de meest legitieme wijze genereerde. Van een dergelijke bekendheid met het handelen van [appellant 1] is in deze zaak geen sprake. Ook grief III faalt derhalve.
Hoofdelijkheid
5.22
Hydromaster heeft in incidenteel appel aangevoerd dat de kantonrechter [appellanten] ten onrechte afzonderlijk heeft veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en niet hoofdelijk. Dat betoog slaagt. Artikel 6:102 lid 1 BW Pro bepaalt dat als op ieder van twee of meer personen een verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade, zij hoofdelijk verbonden zijn. De schade die [appellant 2] en [appellant 3] (op grond van ongerechtvaardigde verrijking) moeten vergoeden maakt onderdeel uit van de schade die [appellant 1] (op grond van artikel 7:661 en Pro 6:162 BW) moet vergoeden en is in zoverre dezelfde schade.
5.23
Als productie 15 heeft Hydromaster een overzicht in geding gebracht waaruit volgt welke bedragen [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] afzonderlijk hebben ontvangen en welke bedragen [appellant 1] heeft betaald met de creditcards van Hydromaster c.s. Omdat [appellanten] dat overzicht onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, neemt het hof dat overzicht, net als de kantonrechter, tot uitgangspunt. Het overzicht sluit echter op een hoger bedrag (€ 887.552,96, zoals ook toegewezen door de kantonrechter) dan gevorderd (€ 886.758,63). De kantonrechter heeft dus ten onrechte te veel toegewezen. Het hof zal dat corrigeren.
5.24
Concreet komt het erop neer dat:
[appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk verbonden zijn om € 55.514,87 te betalen aan Hydromaster ;
[appellant 1] en [appellant 3] hoofdelijk verbonden zijn om € 211.842,25 te betalen aan Hydromaster ;
[appellant 1] afzonderlijk € 619.401,51 [7] moet betalen aan Hydromaster .
Onderzoekskosten
5.25
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat [appellanten] de door Hydromaster gemaakte onderzoekskosten moet vergoeden op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro c BW nu aannemelijk is dat Hydromaster deze kosten heeft gemaakt. Het hof gaat niet mee in het betoog van [appellant 1] dat het onderzoek van [recherche] flinterdun is, dat daaruit geen concrete onderbouwing van de schade blijkt, dat de nota’s niet gespecificeerd zijn en dat [recherche] een omstreden bureau is. Uit het rapport volgt dat [recherche] onderzoek heeft uitgevoerd en wederhoor heeft toegepast. De conclusies van [recherche] sluiten bovendien grotendeels aan bij de gerechtelijke erkentenis van [appellanten] (zie hiervoor onder 5.10). Dat het rapport geen concrete onderbouwing bevat van de volledige schade, is in het belang van [appellanten] Hydromaster heeft namelijk onweersproken gesteld dat als zij de volledige schade door een derde had laten begroten, daar veel extra kosten mee gemoeid waren geweest. Door die werkzaamheden (het begroten van de schade) zelf te doen, zijn de onderzoekskosten beperkt gebleven.
5.26
Wel heeft [appellanten] terecht opgemerkt dat de btw geen schade vormt voor Hydromaster , nu [appellanten] onbetwist heeft gesteld dat Hydromaster de btw kan verrekenen, zodat grief IV deels slaagt. Het hof herstelt het vonnis op dit punt en zal een bedrag toewijzen van € 14.977,82.
Gefixeerde schadevergoeding
5.27
De kantonrechter heeft een bedrag van € 6.898,06 aan gefixeerde schadevergoeding toegewezen.
5.28
[appellant 1] stelt zich primair op het standpunt dat hij geen gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW Pro verschuldigd is omdat er geen sprake is van opzet of schuld aan zijn zijde. Voor zover hij wel een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is, moet die volgens hem worden berekend tot en met 31 mei 2022 in plaats van tot en met 30 juni 2022 (zoals de kantonrechter heeft toegewezen). Zijn arbeidsovereenkomst zou namelijk al op 31 mei 2022 eindigen. Hydromaster en [appellant 1] zouden dat mondeling en ‘hoogst vermoedelijk’ per e-mail hebben afgesproken, aldus [appellant 1] . [appellant 1] vordert ex artikel 843a Rv inzage in de e-mailcorrespondentie over zijn vertrek per 31 mei 2022.
5.29
Het hof heeft hiervoor (zie 5.6) bij de beoordeling van het beroep op 7:661 BW overwogen dat [appellant 1] opzettelijk dan wel bewust roekeloos heeft gehandeld. Om dezelfde reden staat vast dat [appellant 1] door opzet of schuld Hydromaster een dringende reden heeft gegeven om hem op staande voet te ontslaan. [appellant 1] is daarom een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd op grond van artikel 7:677 lid 2 BW Pro.
5.3
[appellant 1] werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die tussentijds kon worden opgezegd. Op grond van artikel 7:677 lid 3 onder Pro a BW is de gefixeerde schadevergoeding daarom gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Tussen partijen is niet in geschil dat de (oorspronkelijke) einddatum van de tijdelijke arbeidsovereenkomst 30 juni 2022 was. Voor zover [appellant 1] en Hydromaster
mondelingzouden zijn overeengekomen dat [appellant 1] al per 1 juni 2022 uit dienst zou treden, is dat niet relevant. Een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, is slechts geldig als deze
schriftelijkwordt aangegaan (artikel 7:670b lid 1 BW). Aan bewijslevering ter zake het bestaan van een mondelinge overeenkomst komt het hof, bij gebrek aan belang, dus niet toe. Zijn stelling dat partijen schriftelijk zijn overeengekomen dat [appellant 1] per 1 juni 2022 uit dienst zou treden, heeft [appellant 1] onvoldoende gemotiveerd. Volgens hem zijn de afspraken over zijn eerdere vertrek ‘hoogst vermoedelijk’ in e-mails vastgelegd, maar kennelijk is hij daar niet zeker van. Zijn vordering ex artikel 843a Rv kan dan ook niet worden toegewezen. Dat artikel biedt namelijk niet de mogelijkheid voor het opvragen van bescheiden waarvan slechts het bestaan wordt vermoed.
5.31
Voorgaande betekent dat de kantonrechter terecht een bedrag van € 6.898,06 aan gefixeerde schadevergoeding heeft toegewezen en grief V faalt.
Loon, vakantiegeld en vakantiedagen
5.32
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant 1] tot uitbetaling van, kort gezegd, de eindafrekening afgewezen omdat [appellant 1] zijn vordering niet heeft geconcretiseerd (hij heeft geen bedrag genoemd). In zijn memorie van grieven heeft [appellant 1] aangevoerd dat hij niet over de benodigde gegevens beschikt om zijn vordering te concretiseren. Daarop heeft Hydromaster als productie 38 een eindafrekening in geding gebracht. [appellant 1] heeft vervolgens nagelaten om, aan de hand van die eindafrekening, zijn vordering te concretiseren zodat ook het hof zijn vordering ter zake de eindafrekening niet zal toewijzen en grief VI moet falen. Nu Hydromaster de eindafrekening in het geding heeft gebracht, heeft [appellant 1] geen belang meer bij zijn vordering ex artikel 843a Rv op dit punt. Het hof onderschrijft evenwel de praktische overweging van de kantonrechter, namelijk dat Hydromaster bij het incasseren van de vorderingen rekening kan houden met verrekening van het saldo van de eindafrekening. Het hof gaat ervan uit dat Hydromaster hieraan zal voldoen.
Conclusie en proceskosten
5.33
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellanten] gedeeltelijk slaagt, namelijk voor zover het is gericht tegen de btw over de onderzoekskosten en de beslissing van de kantonrechter om meer toe te wijzen dan Hydromaster heeft gevorderd. Daarom zal het hof het vonnis op deze punten vernietigen. Nu Hydromaster nog steeds voornamelijk in het gelijk wordt gesteld, is [appellanten] terecht veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg, waarmee grief VIII tevergeefs is voorgesteld. Omdat de hoofdvorderingen van Hydromaster worden toegewezen, geldt dat ook voor grief VII met betrekking tot de rente. Voor zover het hoger beroep van [appellanten] niet slaagt, heeft [appellanten] geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beoordeling zouden kunnen leiden. De grieven behoeven voor het overige dan geen bespreking.
5.34
Het hof zal [appellanten] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk veroordelen in de proceskosten van het principale hoger beroep.
5.35
Het hof begroot deze proceskosten aan de zijde van Hydromaster op:
griffierecht € 5.689,00
salaris advocaat € 11.238,00 (2 punten × tarief VII)
nakosten € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 17.116,00
5.36
De conclusie is verder dat het incidentele hoger beroep van Hydromaster slaagt. In het incidentele hoger beroep heeft [appellanten] te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van het incidentele hoger beroep. Die proceskosten worden aan de zijde van Hydromaster begroot op € 912,00 aan salaris advocaat. Het hof rekent tarief I (1 punt), vanwege de beperkte omvang van de procedure in incidenteel appel.
5.37
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

6.Beslissing

Het hof:
- vernietigt randnummers 3.1 tot en met 3.5 van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 1 december 2022;
en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
  • veroordeelt [appellant 1] om aan Hydromaster te betalen € 619.401,51 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 18 mei 2022 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk om aan Hydromaster te betalen € 55.514,87 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 18 mei 2022 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt [appellant 1] en [appellant 3] hoofdelijk om aan Hydromaster te betalen € 211.842,25 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 18 mei 2022 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan Hydromaster te betalen € 14.977,82 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vijftiende dag na 1 december 2022, de datum van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, tot de dag van volledige betaling;
en:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 1 december 2022 voor het overige;
  • veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van Hydromaster begroot op € 17.116,00, en in de kosten van de procedure in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Hydromaster begroot op € 912,00, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,00, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Verkerk, mr. J.S. Honée en mr. G.B. Plomp en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Hoge Raad 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1813.
2.Het erkende bedrag van € 606.919,71 vermeerderd met de post [kenmerk 2] van € 160.764,22.
3.Par. 22 van de conclusie van antwoord van [appellant 1] .
4.Productie 8 van [appellanten] in eerste aanleg, in samenhang gelezen met par. 22 van zijn conclusie van antwoord.
5.Gerechtshof Arnhem 27 april 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BM2364.
6.Rechtbank Rotterdam 15 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8999.
7.€ 886.758,63 -/- € 211.842,25 -/- € 55.514,87.