ECLI:NL:GHDHA:2026:1957

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
200.338.884/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 NVM-koopakteArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over herstelkosten kapotte sensoren zwembad en uitleg normaal gebruik woning

In deze civiele zaak staat een geschil centraal over de levering van een woning met een zwembad dat tevens als terras functioneert. Appellanten vorderen herstelkosten en schadevergoeding wegens gebreken aan het zwembad en de terrasfunctie, welke volgens hen niet voldoen aan de koopovereenkomst. De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof legt artikel 6 lid 3 van Pro de NVM-koopakte anders uit en oordeelt dat het zwembad met terrasfunctie wel onder het normale gebruik van de woning valt.

Het hof overweegt dat het begrip 'normaal gebruik' moet worden geïnterpreteerd aan de hand van de bestemming 'woning' zoals ingevuld in de koopovereenkomst, en niet beperkt mag worden tot de woning zelf zonder aanhorigheden. Het hof constateert dat het zwembad met terrasfunctie een wezenlijk onderdeel is van de onroerende zaak en dat de gebreken aan de hoogte-instelling van de zwembadvloer en kapotte sensoren het normale gebruik belemmeren.

Hoewel het hof het gebruik van het zwembad als terras als normaal beschouwt, wijst het wel de herstelkosten van de kapotte sensoren en de helft van de deskundigenkosten toe. De overige vorderingen wijst het af. Tevens bepaalt het hof dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 23 juni 2026.

Uitkomst: Het hof wijst gedeeltelijk de vordering toe voor herstelkosten kapotte sensoren en deskundigenkosten en vernietigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
team Handel
zaaknummer: 200.338.884/01
zaaknummer rechtbank Den Haag: C/09/645534/HA ZA 23-308
arrest van 23 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[appellant]

2.
[appellante],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
advocaat: mr. B.E. Gerards, kantoorhoudende te Zoetermeer,
tegen

1.[geïntimeerde 1],

2.
[geïntimeerde 2],
beiden wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
advocaat: mr. G.J. Kerver, kantoorhoudende te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk [appellant], [appellante] (gezamenlijk: [appellanten]), [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (gezamenlijk: [geïntimeerden]) genoemd.

1.De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om een geschil over een zwembad/terras als onderdeel van de geleverde onroerende zaak. [appellanten] vinden dat zij niet geleverd hebben gekregen wat zij op grond van de koopovereenkomst mochten verwachten. De rechtbank is het daar niet mee eens en wijst de vordering af. Het hof legt artikel 6 lid 3 van Pro de NVM-koopovereenkomst anders uit dan de rechtbank, maar komt wel, net als de rechtbank, tot de conclusie dat de onroerende zaak geschikt is voor normaal gebruik. Daarop geldt in zoverre een uitzondering dat het hof, anders dan de rechtbank, wel de herstelkosten van de twee kapotte sensoren van het zwembad en de helft van de kosten van de deskundige toewijst.

2.Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 5 maart 2024, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 december 2023;
- het tussenarrest van 21 mei 2024, waarin het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft bevolen;
- de akte overleggen productie van [appellanten];
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen;
- de memorie van grieven, met producties;
- de memorie van antwoord.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep is gehouden op 20 mei 2026. Bij die gelegenheid hebben de genoemde advocaten het woord gevoerd aan de hand van aantekeningen die zijn overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Bij brief van 8 juni 2026, nadat arrest was bepaald, heeft mr. Kerver het hof bericht dat een hierna nog te noemen You Tube-filmpje geen rol heeft gespeeld in de aankoopbeslissing van [appellanten] en dat met dit bericht werd beoogd een schending van artikel 21 Rv Pro aan de zijde van [appellanten] recht te zetten. Zoals hierna zal blijken, is dit bericht niet van belang voor de uitkomst van het hoger beroep. Het hof heeft geen kennisgenomen van de bijlagen bij de brief.

3.Feitelijke achtergrond

3.1.
[appellanten] hebben op 17 juni 2021 het recht van erfpacht op een perceel grond met de woning en verdere aanhorigheden (hierna: “de woning”) van [geïntimeerden] gekocht voor een koopsom van € 2.000.000,-. Op 13 augustus 2021 is de woning aan [appellanten] bij notariële akte geleverd. Bij het aan-/verkoopproces zijn beide partijen bijgestaan door een makelaar.
3.2.
In de koopovereenkomst is – voor zover voor de beoordeling van belang – het volgende bepaald:
Artikel 6 Staat Pro van de onroerende zaak / Gebruik
6.1.
De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen ‘bijzondere lasten’ zijn.
(…)
6.3.
De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als:
woning.
Indien de feitelijke levering eerder plaatsvindt, zal de onroerende zaak op dat moment de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn.
Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Gebreken die het normale gebruik belemmeren en die aan de koper bekend of kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst komen voor rekening en risico van koper.
Voor gebreken die het normale gebruik belemmeren en die niet aan koper bekend of kenbaar waren op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst is verkoper uitsluitend aansprakelijk voor de herstelkosten. Bij het vaststellen van de herstelkosten wordt rekening gehouden met de aftrek ‘nieuw voor oud’.
Verkoper is niet aansprakelijk voor overige (aanvullende) schade, tenzij verkoper een verwijt treft.”
3.3.
In 2016 hebben [geïntimeerden] in de tuin bij de woning een zogenoemde “Morgana Floating Pool Floor” laten installeren. Dit is een zwembad met een in hoogte verstelbare bodem. Als de bodem in de hoogste stand staat, ontstaat aldus een drijvend ‘terras’.
3.4.
In opdracht van [appellanten] heeft mr. ing. [naam] van EvT Technisch Juridisch advies B.V. (hierna: [deskundige]) op 19 juli 2022 een deskundigenrapport uitgebracht over het zwembad met terrasfunctie. In dit rapport staat, voor zover relevant:
“Bij het zwembad van de woning van de [adres] is de werking van de sensoren op basis van ‘tellen’ van het aantal rotaties, dit functioneert niet goed en is een aanpassing in de software van de regeltechniek daarvoor noodzakelijk.”

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
In eerste aanleg vorderden [appellanten] – samengevat - hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van € 31.212,18 met wettelijke rente,
primairbij wijze van schadevergoeding,
subsidiairbij wijze van evenredige vermindering van de koopsom en
meer subsidiairbij wijze van opheffing van het door [appellanten] geleden nadeel. Daarnaast vorderden [appellanten] hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van € 3.498,35 met wettelijke rente als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Alles met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.
4.2.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

5.Beoordeling

5.1.
Tegen de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komen [appellanten] op in hoger beroep met vier grieven.
5.2.
Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.
Uitleg artikel 6.3 koopovereenkomst (normaal gebruik als woning)
5.3.
De rechtbank heeft overwogen dat ook als de door [appellanten] gestelde gebreken aan het zwembad met terrasfunctie als vaststaand zouden worden aangenomen, dat niet tot aansprakelijkheid van [geïntimeerden] op grond van artikel 6.3 van de koopovereenkomst zou kunnen leiden. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“Uit artikel 6.3. van de koopovereenkomst volgt dat [geïntimeerde 1] alleen het normale gebruik als “
woning” heeft gegarandeerd. Naar het oordeel van de rechtbank valt het gebruik van het zwembad niet onder het gebruik als woning. Ook als er sprake is van gebreken aan het zwembad met terras, is het in dit geval wel mogelijk om
de woningop een voldoende veilige manier, met een redelijke mate van duurzaamheid te gebruiken zonder dat het woongenot wezenlijk wordt aangetast. De rechtbank overweegt dat weliswaar in artikel 1.1 is bepaald dat de woning wordt verkocht met aanhorigheden, maar hieruit volgt niet dat de garantie uit artikel 6.3. tot het normale gebruik als woning zich ook uitstrekt over de aanhorigheden. Artikel 1.1. is een omschrijving van de onroerende zaak die verkocht is en staat los van de omvang van de garantie die door [geïntimeerde 1] is verstrekt in artikel 6.3 van de koopovereenkomst.”
5.4.
Het hof deelt deze uitleg van artikel 6.3 niet.
5.5.
Het gaat hier om een NVM-standaardovereenkomst (het hof begrijpt: versie 2021), waarin is opgenomen “De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: …”, waarbij het gebruik door partijen moet worden ingevuld. In de onderhavige koopovereenkomst is ingevuld “woning”. De uitleg hiervan dient te geschieden met inachtneming van de Haviltex-maatstaf. Het gaat er dus, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet om wat “volgens vaste rechtspraak” onder normaal gebruik als woning moet worden verstaan. Uitgangspunt voor de uitleg van dit beding moet zijn dat “normaal gebruik” betrekking heeft op wat daaronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan. [1]
5.6.
Zonder invulling van de bestemming zou de geciteerde zin betrekkelijk betekenisloos zijn. De vraag zou immers zijn: normaal gebruik als wat? Het ligt daarom in de rede deze zin zó uit te leggen dat de ingevulde bestemming bepalend is voor het normale gebruik waarvoor de onroerende zaak de vereiste feitelijke eigenschappen dient te bezitten. Dat is dus een andere betekenis dan de rechtbank heeft gegeven aan de zin na invulling van het woord “woning”.
5.7.
Ook taalkundig strookt de uitleg van de rechtbank niet met de tekst van artikel 6.3: het is niet de woning die de feitelijke eigenschappen moet bezitten voor normaal gebruik, maar het is de
onroerende zaakdie deze eigenschappen moet bezitten
als woning.
5.8.
Dat het bij het normale gebruik overeenkomstig de ingevulde bestemming niet gaat om een beperking tot een deel van de onroerende zaak, zoals de rechtbank heeft aangenomen, vindt naar het oordeel van het hof steun in de standaardtoelichting op de NVM-overeenkomst op artikel 6.3. Daarin wordt ook gesproken over een gebruik van de onroerende zaak door de koper voor een bijzonder doel, derhalve ook een gebruik van de onroerende zaak dat is gerelateerd aan de bestemming. Opmerking verdient dat beide partijen ter zitting in hoger beroep hebben verklaard dat zij beschikten over deze toelichting bij het sluiten van de koopovereenkomst. Gelet op het ter zitting hierover gevoerde debat acht het hof zich vrij ook deze toelichting, die partijen niet hadden overgelegd, bij zijn motivering te betrekken.
5.9.
Als laatste argument merkt het hof het volgende op. Gebleken is dat [geïntimeerden] in de verkoopbrochure (op drie verschillende plaatsen) de nodige aandacht hebben besteed aan het zwembad met terrasfunctie (“Sfeervolle en smaakvolle tuin met uniek zwembad (door een elektrisch beweegbare vloer is een gedeelte van het terras zowel te gebruiken als zwembad, dan wel als terras”). In een WhatsApp-wisseling met de leverancier van het zwembad van 26 april 2021 heeft [geïntimeerde 1] geschreven “Dat zwembad is bepalend voor de verkoop van mijn huis”. Indien het hof [geïntimeerden] zou volgen in hun standpunt dat een zwembad niet valt onder de reikwijdte van artikel 6.3 van de koopovereenkomst, zou dat betekenen dat [appellanten] een onroerende zaak hebben gekocht waarvan een belangrijke en onderscheidende eigenschap was het zwembad met terrasfunctie, terwijl juist die eigenschap niet valt onder de reikwijdte van deze bepaling. Die consequentie pleit niet voor de juistheid van hun standpunt.
5.10.
[geïntimeerden] hebben in het licht van de voorgaande overwegingen hun op een andere uitleg van artikel 6.3 gebaseerde verweer onvoldoende gemotiveerd. Zij hebben daartoe onvoldoende aanknopingspunten gegeven.
5.11.
Het hof volgt de rechtbank dus niet in haar oordeel dat aansprakelijkheid van [geïntimeerden] op grond van artikel 6.3 van de koopovereenkomst voor de gestelde gebreken aan het zwembad reeds afstuit op de beperking in deze bepaling tot “woning”. Grief II slaagt dus. Het hof zal de gestelde gebreken hierna bespreken.
De terrasfunctie van het zwembad
5.12.
De voornaamste klacht van [appellanten] betreft de terrasfunctie van het zwembad. Volgens [appellanten] is de vloer/bodem van het zwembad niet te gebruiken als terras en begint de bodem te hellen bij het betreden daarvan door meerdere mensen. De bodem van het zwembad, in de hoogste stand (op terrashoogte), is in hun visie niet goed beloopbaar en belastbaar. Dat staat volgens hen een normaal gebruik ervan in de weg. [appellanten] beroepen zich op het rapport van [deskundige] dat in hun opdracht is opgesteld.
5.13.
Gebleken is dat [geïntimeerden] in 2016 de keuze hadden uit drie varianten van de “Morgana Floating Pool Floor”: 50 kg/m2, 100 kg/m2 en 200 kg/m2. De geoffreerde prijzen hiervoor waren destijds achtereenvolgens € 47.198,-, € 64.948,- en € 72.768,- (prijzen exclusief btw). De verschillen in belasting tussen deze varianten spelen in deze zaak geen rol. Een verschil tussen enerzijds de variant van 50 kg/m2 en anderzijds die van 100 kg/m2 en 200 kg/m2 betreft de stabiliteit van de (beweegbare) vloer. Bij de variant van 50 kg/m2 is deze drijvend, bij de beide andere varianten wordt de vloer ondersteund. In de offerte is bij de beide andere varianten toegevoegd “Dit geeft dat U zwembad kan omgetoverd worden tot extra ruimte”.
5.14.
[geïntimeerden] hebben in 2016 gekozen voor de variant van 100 kg/m2. Deze variant is ook geleverd en geïnstalleerd. Voor de ondersteuning van de vloer dienden zogeheten actuatoren (het hof begrijpt: acht stuks, ter ondersteuning en stabilisatie). Al vrij snel na de installatie van het zwembad bleek dat de actuatoren niet goed functioneerden. In samenspraak met de leverancier hebben [geïntimeerden] er toen voor gekozen de actuatoren blijvend uit te schakelen. [geïntimeerden] hebben zich daar toen bij neergelegd. [geïntimeerde 1] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er geen geld is terugbetaald door de leverancier omdat deze naar zijn zeggen anders in financiële problemen zou zijn gekomen.
5.15.
Partijen zijn het erover eens, zo is ter zitting in hoger beroep gebleken, dat het in 2016 geïnstalleerde zwembad in de variant van 100 kg/m2 na de blijvende uitschakeling van de actuatoren feitelijk overeenkwam met de variant van 50 kg/m2. Het resultaat, een vloer die drijvend was en niet ondersteund, was daarmee niet langer in overeenstemming met de eigenschappen die hoorden bij de variant van 100 kg/m2.
5.16.
De vraag is of dit meebrengt dat in de verhouding tussen partijen moet worden aangenomen dat de door [appellanten] gekochte onroerende zaak niet de feitelijke eigenschappen bezit die nodig zijn voor een normaal gebruik. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en licht dat hierna toe.
5.17.
Bij gebreke van enig aanknopingspunt voor het tegendeel acht het hof aannemelijk dat [geïntimeerden] na de uitschakeling van de actuatoren de vloer van het zwembad ‘gewoon’ hebben gebruikt als terras. Zij hebben foto’s overgelegd waarop is te zien dat [geïntimeerde 1] met een voetbal bezig is, kinderen badminton spelen, kinderen (met een volwassene) een partijtje hebben en een kind met een voetbal bezig is, alles op het beweegbare terras. Ter zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] verklaard: “We stonden er niet met 50 man tegelijk op, maar er stond bijvoorbeeld wel een tafel midden op het terras. Dat mensen met natte voeten langs de randen stonden, heb ik geaccepteerd. Je gaat ook niet met z’n allen op één hoekje staan”. Van de zijde van [appellanten] is ter zitting in hoger beroep verklaard: “Met een paar volwassenen gaat het wankelen. Met kinderen durf ik er ook niet op te staan, want het wankelt. Als ik er alleen overheen loop, voel je dat je op iets drijvends loopt. - Met een paar mensen kun je er prima overheen lopen.”
5.18.
Het staat vast dat [appellanten] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst geen weet hebben gehad van de offerte voor het zwembad uit 2016, de verschillende varianten die bestonden en de in de offerte genoemde specificaties en eigenschappen. Zij waren eveneens onbekend met het bestaan en de uitschakeling van de actuatoren en de gevolgen daarvan voor de stabiliteit van de vloer. Anders gezegd: indien [geïntimeerden] destijds naar aanleiding van de offerte zouden hebben gekozen voor de variant van 50 kg/m2 en deze variant van het zwembad meteen zou zijn geïnstalleerd, zou de situatie voor [appellanten] geheel dezelfde zijn geweest.
5.19.
Naar aanleiding van vragen van het hof heeft [appellant] verklaard dat tijdens de bezichtiging kon worden waargenomen dat het een drijvend terras was, zij het dat zij er niet overheen gelopen hebben. In aanmerking genomen dat het een drijvend terras was en dat dat kennelijk ook kon worden waargenomen, kan niet worden gezegd dat de daaraan inherente eigenschappen (niet stabiel, hellend bij betreden, aan de randen water makend) de onroerende zaak in zoverre niet geschikt doen zijn voor normaal gebruik zoals in artikel 6.3 van de koopovereenkomst bedoeld. Dat geldt ook indien daarbij de omschrijving in de verkoopbrochure wordt betrokken. Immers, [appellanten] mochten op grond van de koopovereenkomst een zwembad met een terrasfunctie verwachten. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het zwembad ook bij een (teruggeschroefde) belasting naar 50 kg/m2 door de elektrisch beweegbare vloer nog steeds de functie van terras. Het hof volgt [appellant] dus niet in zijn stellingname zoals door hem verwoord ter zitting in hoger beroep: “Het is geen echt terras. Van een terras krijg je geen natte voeten”.
5.20.
De omstandigheid dat [geïntimeerden] niets hebben gezegd over de aankoophistorie van het zwembad (de offerte, de verschillende varianten, de problemen na de installatie en de uitschakeling van de actuatoren), leidt niet tot een andere uitkomst. [geïntimeerden] hebben niet nagelaten [appellanten] op de hoogte te stellen van bij hen bekende gegevens die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag welke feitelijke eigenschappen [appellanten] met het oog op de beoogde bestemming (een zwembad dat ook kan worden gebruikt als terras) van het gekochte mochten verwachten. Wat [geïntimeerden] hebben verkocht en geleverd wat de stabiliteit van het terras betreft, sloot aan bij de omschrijving in de verkoopbrochure en bij hetgeen tijdens de bezichtiging kon worden waargenomen (en [appellanten] ook hébben waargenomen). Indien de mate van stabiliteit van de vloer voor [appellanten] belangrijk was, hadden zij daar meer onderzoek naar kunnen en moeten doen, bijvoorbeeld door bij de bezichtiging over de drijvende vloer te lopen.
5.21.
Het You Tube-filmpje dat gemaakt was door de tuinarchitect en dat door [geïntimeerden] aan [appellanten] was gestuurd, leidt evenmin tot een andere uitkomst. Als dat filmpje al hogere verwachtingen bij [appellanten] had gewekt over de stabiliteit, kunnen zij die verwachtingen niet meer hebben gehad nadat zij het terras hadden bezichtigd en konden waarnemen dat het drijvend was.
5.22.
Het deskundigenrapport van [deskundige] brengt in het voorgaande geen verandering. Lezing van dit rapport leert dat [deskundige] zijn oordeel over het terras heeft gebaseerd op de eisen waaraan het terras had moeten voldoen volgens de offerte van de leverancier aan [geïntimeerden], de variant van 100 kg/m2. Zoals uit het voorgaande volgt, is dat uitgangspunt onjuist.
5.23.
[appellanten] hebben het terras in de inleidende dagvaarding “onveilig” en in de memorie van grieven “onvoldoende veilig” genoemd. Zij hebben daarbij echter niet toegelicht waarom. Pas ter zitting in hoger beroep hebben zij verklaard: “Met kinderen durf ik er ook niet op te staan, want het wankelt. - Als je onder de rand zakt en met je teen ergens onderkomt, kan dat gevaarlijk zijn.” Het hof acht het in strijd met de goede procesorde dat [appellanten] zó laat hebben toegelicht waarom het terras volgens hen onveilig respectievelijk onvoldoende veilig is. Het hof laat deze stellingen daarom verder onbesproken.
5.24.
Wat de terrasfunctie van het zwembad betreft, heeft grief I geen succes.
De hoogte-instelling van de zwembadvloer
5.25.
Een andere klacht van [appellanten] betreft de hoogte-instelling van de zwembadvloer. De bodem gaat volgens hen niet dieper dan 110 cm in plaats van de gebruikelijke 150 cm en sluit bij gebruik van de terrasfunctie niet op de juiste hoogte aan op het terras.
5.26.
[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat er eind 2020 inderdaad wat problemen speelden met het laten stijgen en dalen van de zwembadbodem en dat de leverancier medio 2021 langs is geweest om het probleem te herstellen door de software-instellingen aan te passen. Zij hebben bij gebrek aan wetenschap betwist dat het zwembad niet dieper zou kunnen worden dan 110 cm in plaats van 150 cm. Zij waren daarvan in ieder geval niet op de hoogte. Ook hebben zij aangevoerd dat zij nimmer een mededeling hebben gedaan over de maximale diepte van het zwembad en dat het voor [appellanten] kenbaar is geweest hoe diep de maximale diepte van het zwembad was omdat de zwembadbodem tijdens de bezichtiging door de makelaar is bestuurd. Enig hoogteverschil tussen de bodem en het terras verhindert bovendien niet het gebruik als terras, aldus [geïntimeerden]
5.27.
Al deze verweren zijn ondeugdelijk.
5.28.
Uit de door [geïntimeerden] overgelegde WhatsApp-wisseling met de leverancier volgt dat de sensoren (door de leverancier “trekdraadencoders” genoemd) in het zwembad kapot waren. Het is niet voldoende weersproken dat deze sensoren dienden voor de hoogte/diepte-instelling van de zwembadvloer. Een en ander vindt ook bevestiging in het rapport van [deskundige]. Het is ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat deze instelling niet goed functioneerde. Ook het niet goed functioneren van deze instelling vindt bevestiging in dat rapport. Dat de leverancier het gebrek medio 2021 heeft verholpen, vindt geen steun in de WhatsApp-wisseling. Daaruit kan hoogstens worden afgeleid dat de leverancier toen slechts een tijdelijke (en klaarblijkelijk weinig duurzame) oplossing heeft bereikt voor de aansluiting van de zwembadvloer op het terras (“Ik kan voorlopig ook een tussenoplossing maken”).
5.29.
Het hof is verder van oordeel dat zowel voldoende diepte van het zwembad als de mogelijkheid de vloer te laten aansluiten op het terras tot de normale werking van het zwembad behoorden en dat gebreken hieraan normaal gebruik van de onroerende zaak overeenkomstig artikel 6.3 van de koopovereenkomst in de weg stonden. Het verweer dat voor [appellanten] tijdens de bezichtiging kenbaar is geweest dat de bodem niet verder zakte dan 110 cm acht het hof onvoldoende gemotiveerd.
5.30.
Grief I slaagt dus wat de hoogte-instelling van de zwembadvloer betreft.
5.31.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat grief III het lot van grief I deelt, zodat grief III verder onbesproken kan blijven.
Herstelkosten
5.32.
[appellanten] hebben bij memorie van grieven gesteld dat zij de twee kapotte sensoren inmiddels hebben laten herstellen en dat daartoe in 2023 een eerste poging is gedaan door de leverancier van het zwembad, waarna in 2024 de software door T&A (dat het bedrijf van de leverancier heeft overgenomen) is vervangen. Zij hebben daaraan toegevoegd dat de vloer/bodem nu aansluit op het terras en tot de gebruikelijke diepte van 150 cm gaat. De eerste factuur beloopt € 2.350,45, de tweede € 4.501,50. [appellanten] hebben de facturen en betalingsbewijzen in het geding gebracht.
5.33.
[geïntimeerden] hebben hier geen woord aan gewijd. Het hof gaat ervan uit dat deze herstelkosten in overeenstemming zijn met de schadebegroting van [deskundige]. Het hof zal het totaal bedrag van € 6.851,95 toewijzen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van betaling door [appellanten] (10 mei 2023 respectievelijk 2 juli 2024).
Buitengerechtelijke kosten
5.34.
[appellanten] vorderen daarnaast een bedrag van € 3.498,35 als kosten van [deskundige] ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Het hof acht, anders dan [geïntimeerden] hebben aangevoerd, zowel de in rekening gebrachte tijd (zestien uur) als het in rekening gebrachte uurtarief (€ 180,- exclusief btw) op zichzelf redelijk. Het hof zal de helft van het gevorderde bedrag toerekenen aan de kwestie van de hoogte-instelling van de zwembadvloer en derhalve een bedrag van € 1.749,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2022, toewijzen.
Bewijs
5.35.
Het hof wijst de bewijsaanbiedingen van partijen af als niet ter zake dienend dan wel als te vaag.
Slotsom en kosten
5.36.
Grief I slaagt gedeeltelijk en heeft voor het overige geen succes. Grief II slaagt. Grief III behoeft geen afzonderlijke bespreking. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen. Het hof zal de vordering van [appellanten] alsnog gedeeltelijk toewijzen. In deze uitkomst ziet het hof aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen kosten van beide instanties draagt. Dat betekent dat grief IV in zoverre slaagt.

6.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling aan [appellanten] van € 2.350,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2023 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling aan [appellanten] van € 4.501,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2024 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling aan [appellanten] van € 1.749,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2022 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot terugbetaling aan [appellanten] van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] hebben betaald (€ 3.006,-), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 december 2023 tot de dag der algehele voldoening;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van beide instanties draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, Th.G. Lautenbach en A.J. Swelheim, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414.