ECLI:NL:GHDHA:2026:2058

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/540
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding

Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2023 aanvankelijk werd vastgesteld op €779.000. Na bezwaar werd deze waarde door de heffingsambtenaar verlaagd tot €750.000, maar belanghebbende stelde dat de waarde €550.000 moest zijn. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar en stelde de waarde vast op €550.000.

Belanghebbende stelde dat hij niet gehoord was tijdens de bezwaarfase en dat de heffingsambtenaar onrechtmatig had gehandeld door niet tijdig en volgens de wet uitspraak te doen, waardoor een dwangsom verschuldigd zou zijn. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar niet verplicht was belanghebbende te horen omdat het bezwaar volledig werd gehonoreerd en dat de dwangsom niet verschuldigd was omdat de uitspraak op bezwaar tijdig was gedaan.

Verder werd het verzoek van belanghebbende om vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting toegewezen, maar niet de vergoeding van verletkosten wegens het ontbreken van voldoende bewijs dat hij inkomsten misliep. Het hof veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht in hoger beroep.

Uitkomst: WOZ-waarde woning vastgesteld op €550.000, proceskostenvergoeding deels toegekend, dwangsom afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/540

Uitspraak van 2 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 27 mei 2025, nummer SGR 24/3598.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 779.000 (de beschikking). Met de beschikking zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslagen in de van eigenaren geheven onroerendezaakbelastingen en de rioolheffing van de gemeente Zoetermeer (de aanslagen).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslagen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 9 februari 2024 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard, de waarde van de woning verminderd tot € 750.000, de aanslagen, voor zover van toepassing, dienovereenkomstig verminderd en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding afgewezen.
1.3.
Bij brief van 12 februari 2024 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld om tijdig uitspraak op bezwaar te doen (de ingebrekestelling).
1.4.
Bij beschikking van 19 februari 2024 heeft de Heffingsambtenaar beslist geen dwangsom toe te kennen (de dwangsombeschikking).
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar en de dwangsombeschikking beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft als volgt beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 550.000;
- vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 550.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.”
1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 april 2026. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een woning. De waarde van de woning is voor het jaar 2023 bij beschikking vastgesteld op € 779.000.
2.2.
Belanghebbende heeft tegen de onder 1.2 genoemde beschikking en aanslagen bezwaar gemaakt en heeft in zijn aanvullende bezwaarschrift verzocht de waarde van de woning te verminderen tot € 550.000. Hierin heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar voorts verzocht, in het geval deze voornemens is het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond te verklaren, hem in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.
2.3.
Bij de uitspraak op bezwaar van 9 februari 2024 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard, de waarde van de woning verminderd tot € 750.000 en de aanslagen, voor zover van toepassing, dienovereenkomstig verminderd. Verder heeft de Heffingsambtenaar het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding afgewezen. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende niet gehoord alvorens uitspraak op het bezwaar te doen.
2.4.
De ingebrekestelling, die is gedateerd 12 februari 2024 en door de Heffingsambtenaar is ontvangen op 13 februari 2024, luidt als volgt:
“Door ondergetekende is bezwaar gemaakt tegen de aanslag met nr. (…). Op dit bezwaar moest vóór 12-2-2024 uitspraak zijn gedaan.
Op 10-2-2024 is een uitspraak op bezwaar ontvangen zonder dat ondertekende is gehoord. Bij deze wordt u in gebreke gesteld wegens het niet tijdig op ordentelijke wijze doen van uitspraak op het gemaakte bezwaar.”
2.5.
Bij de dwangsombeschikking van 19 februari 2024 heeft de Heffingsambtenaar beslist geen dwangsom toe te kennen:
“Op 13 februari 2024 heb ik uw ingebrekestelling met dagtekening 12 februari 2024 ontvangen wegens het niet tijdig beslissen op uw bezwaarschrift tegen het
aanslagbiljet Gemeentelijke Belastingen 2023, aanslagnummer (…).
Op grond van artikel 4:17, lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht ben ik aan u een
dwangsom verschuldigd als de beslistermijn voor het bezwaarschrift is verstreken en
er niet binnen twee weken na ontvangst van een schriftelijke ingebrekestelling alsnog
een besluit op het bezwaarschrift wordt genomen.
Met uitspraak van 9 februari 2024 heb ik de beslissing op uw bezwaarschrift
genomen. Dit is binnen twee weken na ontvangst van uw ingebrekestelling. Gelet op
artikel 4:17, lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht ben ik u dan ook geen
dwangsom verschuldigd.
(…).”
2.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar en de dwangsombeschikking beroep ingesteld bij de Rechtbank. In het (aanvullend) beroepschrift heeft belanghebbende de Rechtbank onder meer verzocht de uitspraak op bezwaar te vernietigen, de zaak terug te wijzen naar de Heffingsambtenaar om alsnog uitspraak op bezwaar te doen volgens de eisen van de wet (daarmee kennelijk bedoelend belanghebbende alsnog te horen) en de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van de maximale dwangsom van € 1.442 wegens het niet tijdig en naar de eisen van de wet doen van uitspraak op bezwaar.
2.7.
Gedurende de beroepsfase heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende bij brief van 30 oktober 2024 een compromisvoorstel gedaan. Een afschrift van dit compromisvoorstel heeft de Heffingsambtenaar op dezelfde datum met een begeleidend schrijven aan de Rechtbank gezonden. In het compromisvoorstel aan belanghebbende is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“(…)
Hierbij een ambtshalve reactie op uw beroepsgronden.
Ingebrekestelling:
Met uitspraak van 9 februari 2024 heb ik de beslissing op uw bezwaarschrift tegen de WOZ-waarde 2023 voor de woning [adres] genomen. Dit is binnen twee weken na ontvangst van uw ingebrekestelling met dagtekening 12 februari 2024 welke ik op 13 februari 2024 heb ontvangen. Gelet op artikel 4:17, lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht ben ik u dan ook geen dwangsom verschuldigd. De WOZ-waarde 2023 van de woning [adres] is van € 779.000 naar € 750.000 verminderd bij uitspraak van 9 februari 2024.
(…)
Horen:
Het blijkt dat u niet gehoord bent tijdens de bezwaarfase tegen de WOZ-waarde 2023 voor de woning [adres] . Hiervoor bieden wij u onze excuses aan. Het feit dat u niet gehoord bent, betekent niet dat er geen beslissing op uw bezwaarschrift is genomen. De WOZ-waarde 2023 voor uw woning is in de uitspraak op uw bezwaarschrift niet verminderd naar de door u uiteindelijk voorgestelde waarde van € 550.000 (1e brief voorstel waarde maximaal € 650.000). Daarom heb ik wel besloten om de WOZ-waarde 2023 van uw woning eerst al opnieuw te onderzoeken.
Uitkomst nieuw onderzoek WOZ-waarde 2023:
Naar aanleiding van het door u ingediende beroep is de WOZ-waarde 2023 met waardepeildatum 1 januari 2022 van de woning [adres] opnieuw onderzocht.
Uit dit onderzoek blijkt dat de WOZ-waarde 2023 inderdaad lager had moeten worden vastgesteld, maar de uiteindelijk voorgestelde waarde van € 550.000 die u noemt in de bezwaarfase is eigenlijk te laag gezien met name de staat en ligging van de woning en de verkoopgegevens rond waardepeildatum. Uw woning heeft wel een mindere staat en ligging. Na nieuw onderzoek komt de waarde 2023 voor de woning [adres] op € 649.000 op basis van de bij ons beschikbare gegevens.
Compromisvoorstel:
Gezien het voorgaande en taxeren geen exacte wetenschap is stel ik als compromis ter compensatie van de fouten en uit efficiencyoverwegingen voor om de WOZ-waarde 2023 voor de woning [adres] ambtshalve te verminderen van € 750.000 naar de door u voorgestelde waarde € 550.000 die u noemt in de bezwaarfase. De nieuwe WOZ-waarde is een compromisvoorstel en vertegenwoordigt naar onze mening uitdrukkelijk niet de marktwaarde van uw woning. Als u akkoord kan gaan met deze verlaging in waarde, wil ik u voorstellen om uw beroepschrift in te trekken.
Zodra ik de intrekking van het beroepschrift van de rechtbank bevestigd krijgt, zal ik
een ambtshalve besluit nemen, waarin de WOZ-waarde 2023 van de woning [adres]
ambtshalve wordt verminderd naar € 550.000.
Door de aanpassing van de WOZ-waarde 2023 zal ik ook de aan u opgelegde
aanslagen onroerende-zaakbelasting en rioolheffing 2023 voor de woning [adres]
met aanslagnummer (…) ambtshalve verminderen.
In het Besluit proceskosten bestuursrecht staat welke kosten we moeten vergoeden.
(…)
- Beroepschrift:
Kosten voor het opstellen van een beroepschrift hoeven we alleen te vergoeden als dit
door een professionele rechtsbijstandverlener is gedaan. In dit geval hebt u zelf het
beroepschrift over de WOZ-waarde 2023 voor uw woning [adres] opgesteld. Ik
wijs uw verzoek om een kostenvergoeding voor het opstellen van uw beroepschrift af.
- Griffierecht:
Indien u griffierecht heeft betaald, wordt dit ook aan u vergoed. Griffierecht voor
indiening beroep in 2024 is € 51,00.
Verder heb ik geen informatie ontvangen waaruit blijkt dat u ander te vergoeden
kosten voor uw bezwaarschrift en beroepschrift heeft gemaakt.
Wilt u eerst toch nog gehoord worden, dan kunt u contact met ons opnemen, zodat wij
een gesprek met u kunnen inplannen. (…)
(…)”
2.8.
Belanghebbende is niet akkoord gegaan met dit compromisvoorstel en heeft de Rechtbank hierover bij brief van 22 november 2024 bericht.
2.9.
De Heffingsambtenaar heeft de Rechtbank in zijn verweerschrift van 13 december 2024 onder meer te kennen gegeven dat, gelet op de inhoud van het compromisvoorstel, met betrekking tot de waarde van de woning geen geschil meer bestaat, dat de waarde dient te worden vastgesteld op € 550.000 en dat hij van mening is dat belanghebbende om die reden geen belang heeft bij terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar. Verder heeft de Heffingsambtenaar herhaald dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een dwangsom. De Heffingsambtenaar heeft de Rechtbank voorts verzocht uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling.
2.10.
Belanghebbende heeft in zijn pleitnota voor de zitting bij de Rechtbank geconcludeerd dat terugwijzing naar de Heffingsambtenaar achterwege kan blijven, nu de waarde van de woning ook volgens de Heffingsambtenaar moet worden verminderd tot € 550.000. Hij heeft de Rechtbank verzocht de uitspraak op bezwaar te vernietigen, zelf in de zaak te voorzien en de waarde te verminderen tot € 550.000, de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.442 wegens het niet tijdig en naar de eisen van de wet doen van uitspraak op bezwaar en de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten van de beroepsprocedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 550.000. Tevens is in geschil of de heffingsambtenaar belanghebbende in de bezwaarfase in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord en of door de heffingsambtenaar een dwangsom is verbeurd aan belanghebbende wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
2. In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar extra onderzoek verricht naar de waarde van de woning. Uit dit onderzoek is gebleken dat de waarde, die is vastgesteld bij de uitspraak op bezwaar, te hoog is. De waarde dient te worden verlaagd naar € 649.000. De heffingsambtenaar heeft, vanuit efficiëntie overwegingen, de waarde van dewoning in een compromisvoorstel met dagtekening 30 oktober 2024 verlaagd naar € 550.000. De waarde, die in het compromisvoorstel door de heffingsambtenaar is voorgesteld is tevens de in de bezwaarfase door belanghebbende voorgestelde waarde van de woning. Uit correspondentie tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar volgt dat belanghebbende per 22 november 2024 niet akkoord gaat met het compromisvoorstel, omdat belanghebbende tijdens de bezwaarfase niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.
3. Volgens artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet voordat op het bezwaar wordt beslist een bestuursorgaan de belanghebbende in de gelegenheid stellen te worden gehoord. In afwijking van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) dat belanghebbende wordt gehoord op zijn verzoek. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Awb, kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien, indien aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Omdat de heffingsambtenaar in het compromisvoorstel de door de belanghebbende in de bezwaarfase voorgesteld waarde van € 550.000 heeft voorgesteld, was [de heffingsambtenaar,
Hof] niet gehouden belanghebbende te horen.
4. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Op 13 februari 2024 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld door toezending van de schriftelijke ingebrekestelling met een dagtekening van 12 februari 2024. Op 9 februari 2024 is uitspraak op bezwaar gedaan op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking. Omdat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar voor de ontvangst van de ingebrekestelling is gelegen is de heffingsambtenaar geen dwangsom verschuldigd aan belanghebbende.
5. De heffingsambtenaar heeft zich hangende de beroepsprocedure nader op het standpunt gesteld dat de WOZ-waarde moet worden verminderd tot € 550.000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat deze waarde niet te hoog is en heeft belanghebbende niet een lagere waarde bepleit.
6. De rechtbank bepaalt, alle omstandigheden in aanmerking nemend, de waarde van de woning op de waardepeildatum in goede justitie op € 550.000.
7. Nu de in beroep bepleite waarde lager is dan de bij uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde, is de waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslag te hoog vastgesteld. Het beroep is daarom gegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding aan aanmerking komende kosten gesteld.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op:
  • een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase;
  • toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig en volgens de eisen van de wet beslissen op het bezwaar.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar beantwoordt deze vragen ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend voor zover deze ziet op het ontbreken van een proceskostenvergoeding, tot vernietiging van de dwangsombeschikking, tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van in totaal € 273,15, tot toekenning van een dwangsom van € 1.442 en tot vergoeding van wettelijke rente over de toe te kennen proceskostenvergoeding en de dwangsom. Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep en om vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht, beide met vergoeding van wettelijke rente.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Proceskosten beroepsfase
5.1.
Belanghebbende stelt onder meer dat nu hij bij aanvang van de zitting van de Rechtbank een ingevuld formulier proceskosten heeft overgelegd, de proceskosten ter zitting van de Rechtbank zijn besproken, en het beroep door de Rechtbank gegrond is verklaard, de door belanghebbende gevraagde reis- en verletkosten wegens het bijwonen van de zitting in de beroepsfase voor vergoeding in aanmerking komen.
5.2.
De Heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase. Hij bestrijdt onder meer dat belanghebbende de door hem geclaimde kosten redelijkerwijs heeft moeten maken. De Heffingsambtenaar stelt voorts dat de beschrijving van activiteiten die belanghebbende op het tijdens de zitting van de Rechtbank overgelegde formulier proceskosten heeft genoteerd, niet strookt met de omschrijving van de activiteiten van de eenmanszaak zoals omschreven bij de Kamer van Koophandel, en dat uit niets van de overgelegde informatie blijkt dat belanghebbende (nog) activiteiten verricht.
5.3.
Anders dan de Rechtbank in overweging 8 van haar uitspraak heeft geoordeeld, heeft belanghebbende in de beroepsfase wel degelijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten gesteld, te weten reiskosten van € 8,15 en verletkosten van € 265 in verband met het bijwonen van de zitting van de Rechtbank (2 uur à € 106 per uur). Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
5.4.
Het Hof oordeelt ten aanzien van de door belanghebbende in de beroepsfase gevraagde verletkosten als volgt. Blijkens het formulier proceskosten met betrekking tot de beroepsfase verzoekt belanghebbende om verletkosten voor zijn werkzaamheden als zelfstandig werkzaam adviseur op het vlak van accountancy, actuariaat en fiscaliteit. Uit het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank volgt dat het verzoek om proceskosten ter zitting is besproken. De Heffingsambtenaar heeft in dit kader in hoger beroep gemotiveerd gesteld dat belanghebbende geen activiteiten verricht. De betwisting daarvan door belanghebbende in de ter zitting van het Hof overgelegde pleitnota betreft een blote ontkenning. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende vanwege het bijwonen van de zitting van de Rechtbank inkomsten heeft moeten laten, waardoor recht zou bestaan op een vergoeding van verletkosten. Het Hof kent dan ook geen vergoeding voor verletkosten ter zake van de beroepsfase toe.
5.5.
De reiskosten voor de zitting bij de Rechtbank komen wel voor vergoeding in aanmerking. Anders dan de Heffingsambtenaar stelt, is de zitting bij de Rechtbank niet ten onrechte doorgezet door belanghebbende, reeds omdat het geschil ook betrekking had op het eventuele recht op een dwangsom. Het Hof zal daarom alsnog een vergoeding van de reiskosten tot een bedrag van € 8,15 toekennen.
Dwangsom
5.6.
Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar, door een besluit (de uitspraak op bezwaar) te nemen in de wetenschap dat dit niet naar de eisen der wet is omkleed (belanghebbende is niet gehoord alvorens uitspraak op bezwaar is gedaan), een op voorhand vernietigbaar besluit heeft genomen en dat dit daarmee een (uiteindelijk) niet rechtsgeldig besluit is. De Heffingsambtenaar heeft, zo stelt belanghebbende, welbewust uitspraak gedaan in strijd met een wettelijke regeling (de hoorplicht). Met de vernietiging van dit besluit door de Rechtbank valt volgens belanghebbende het genomen besluit weg en brengt dit gelet op artikel 8:72 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit mee. Zo ontstaat de situatie dat geen besluit is genomen, althans dat het gevraagde besluit nog moet worden genomen, aldus belanghebbende. De Heffingsambtenaar is, aldus belanghebbende, in gebreke met het nemen van het gevraagde rechtsgeldige besluit, tot het moment dat dit besluit alsnog is genomen. Belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar daarvoor in gebreke gesteld. Nu de Heffingsambtenaar ook na ontvangst van de ingebrekestelling in gebreke is gebleven met het nemen van een rechtsgeldig besluit en feitelijk pas op 27 mei 2025 (de datum van de uitspraak van de Rechtbank) rechtsgeldig uitspraak is gedaan, heeft de Heffingsambtenaar de daarop staande (maximale) dwangsom verbeurd, zo stelt belanghebbende.
5.7.
De Heffingsambtenaar stelt dat hij geen dwangsom verschuldigd is. De ingebrekestelling is verstuurd en ingediend nadat de Heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Het recht op een dwangsom herleeft niet in het geval de uitspraak op bezwaar door de Rechtbank wordt vernietigd. Daar komt nog bij dat de Rechtbank in haar dictum heeft bepaald dat de uitspraak van de Rechtbank in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar. Er is dan ook terecht geen dwangsom toegekend door de Rechtbank, aldus de Heffingsambtenaar.
5.8.
Artikel 4:17 Awb Pro luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
(…)
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”
5.9.
De Heffingsambtenaar heeft op 9 februari 2024 uitspraak op het bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft bij brief van 12 februari 2024, op 13 februari 2024 door de Heffingsambtenaar ontvangen, de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens “het niet tijdig op ordentelijke wijze doen van uitspraak op het gemaakte bezwaar”, om reden van de omstandigheid dat belanghebbende niet is gehoord alvorens de Heffingsambtenaar uitspraak op het bezwaar heeft gedaan.
5.10.
Gelet op artikel 4:17, lid 1, Awb, verbeurt de Heffingsambtenaar een dwangsom, indien een beschikking op aanvraag
niet tijdigis gegeven. Nu de beschikking (de uitspraak op bezwaar) reeds op 9 februari 2024, en dus voorafgaand aan de ingebrekestelling, is gegeven, is de Heffingsambtenaar geen dwangsom verschuldigd geworden. De Heffingsambtenaar heeft bij de dwangsombeschikking dan ook terecht geen dwangsom toegekend. Ook in een geval dat een uitspraak op bezwaar tijdig, maar onzorgvuldig is genomen, is de Heffingsambtenaar, anders dan belanghebbende meent, geen dwangsom verschuldigd (vgl. HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96). De enkele omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar onzorgvuldig tot stand is gekomen, maakt dan ook niet dat een dwangsom wordt verbeurd.
5.11.
Belanghebbendes beroep op artikel 8:72 Awb Pro faalt. Met de uitspraak op bezwaar van 9 februari 2024 heeft de Heffingsambtenaar binnen de daarvoor geldende termijn uitspraak op bezwaar gedaan. Dat de Rechtbank de uitspraak op bezwaar later heeft vernietigd, doet hieraan niet af. Evenmin is van belang dat de Rechtbank in haar dictum heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar. Het Hof acht verder niet aannemelijk dat, zoals belanghebbende stelt, het eventueel verbeuren van een dwangsom de doorslaggevende reden voor de Inspecteur is geweest om het horen achterwege te laten. Gelet op het voorgaande ziet het Hof geen aanleiding een dwangsom toe te kennen.
Slotsom
5.12.
Het hoger beroep is, gelet op het onder 5.5 overwogene, gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Gelet op het onder 5.5 overwogene heeft belanghebbende recht op vergoeding van de door hem in de beroepsfase gemaakte reiskosten tot een bedrag van € 8,15.
6.2.1.
Nu het hoger beroep gegrond is, bestaat voorts reden de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb, als volgt vast.
6.2.2.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof een formulier proceskosten overgelegd waarin hij aanspraak maakt op verletkosten tot een bedrag van € 299,75 (2,75 uur x € 109, het maximum uurtarief volgens het Bpb) en reiskosten tot een bedrag van € 8,56 (op basis van openbaar vervoer 2e klasse).
6.2.3.
Het Hof oordeelt ten aanzien van de door belanghebbende in de hogerberoepsfase gevraagde verletkosten als volgt. Het ter zitting van het Hof overgelegde formulier proceskosten vermeldt dat belanghebbende zelfstandig gevestigd adviseur, onderzoeker en auteur op het vlak van accountancy, actuariaat en fiscaliteit is. De Heffingsambtenaar heeft in hoger beroep onderbouwd gesteld dat belanghebbende geen activiteiten verricht. De betwisting daarvan door belanghebbende in de ter zitting van het Hof overgelegde pleitnota betreft een blote ontkenning. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende vanwege het bijwonen van de zitting van het Hof inkomsten heeft moeten laten, waardoor recht zou bestaan op een vergoeding van verletkosten. Dat belanghebbende, naar hij stelt op het ter zitting overgelegde formulier proceskosten, “ ‘achterstallig onderhoud’ op redactioneel vlak” heeft verricht, maakt, zeker zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, niet aannemelijk dat sprake is van werkzaamheden die hij heeft moeten laten varen om de zitting van het Hof bij te wonen. Het Hof kent dan ook geen vergoeding voor verletkosten ter zake van de hogerberoepsfase toe.
6.2.4.
De reiskosten voor de zitting bij het Hof komen wel voor vergoeding in aanmerking. Het Hof zal dan ook een vergoeding van de reiskosten tot een bedrag van € 8,56 toekennen.
6.2.5.
Voor een hogere procesvergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.
6.3.
Het totaal van de aan belanghebbende te vergoeden proceskosten voor de beroeps- en hogerberoepsfase komt derhalve op € 16,71.
6.4.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 143 te worden vergoed. De Rechtbank heeft reeds vergoeding gelast van het voor de behandeling in beroep gestorte griffierecht. Het Hof laat deze beslissing in stand.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover daarin een beslissing op het verzoek om vergoeding van proceskosten voor de procedure in beroep en op het verzoek een dwangsom toe te kennen ontbreekt;
  • wijst het verzoek om toekenning van een dwangsom af;
  • veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten in beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 16,71, te vermeerderen met wettelijke rente na het verstrijken van vier weken na de datum van deze uitspraak tot de dag van algehele voldoening daarvan, en
  • gelast de Heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 143 aan griffierecht te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente na het verstrijken van vier weken na de datum van deze uitspraak tot de dag van algehele voldoening daarvan.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen R.A. Bosman
De beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.