ECLI:NL:GHDHA:2026:2165

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/418 tot en met 422
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 22 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoger beroep tegen WOZ-waardebeschikkingen en niet-ontvankelijkheid beroepen kantoren

De Heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk stelde de WOZ-waarden van vijf onroerende zaken vast voor het jaar 2023. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarderingen, waarna de Rechtbank Den Haag de beroepen tegen drie kantoren niet-ontvankelijk verklaarde en de beroepen tegen twee woningen ongegrond verklaarde. Tevens wees de Rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.

Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de niet-ontvankelijkheid van de beroepen tegen de kantoren onterecht was, dat de WOZ-waarden te hoog waren vastgesteld en dat recht bestond op immateriële schadevergoeding. Het Gerechtshof heeft het hoger beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de niet-ontvankelijkheid van de beroepen tegen de kantoren terecht is vastgesteld, omdat geen geldige machtiging was overgelegd.

Daarnaast bevestigde het Hof dat de waardebepaling van de woningen conform de Wet WOZ correct is en dat het verzoek om immateriële schadevergoeding niet toewijsbaar is, omdat het financieel belang onvoldoende is aangetoond en de termijnoverschrijding niet significant was. Het hoger beroep is derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de beroepen tegen de kantoren en de ongegrondheid van de beroepen tegen de woningen; het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/418 tot en met BK-25/422

Uitspraak van 8 april 2026

in het geding tussen:
[X]te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: [Y] )
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 april 2025, nummers SGR 24/1604, 24/1606, 24/1607, 24/1609 en 24/1610.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van vijf verschillende objecten te [woonplaats] , voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld. Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Noordwijk (de aanslagen). De Heffingsambtenaar heeft de waarde van de objecten (onroerende zaken) als volgt vastgesteld:
Object
Waarde
Type
[adres 1]
€ 137.000
niet-woning
[adres 2]
€ 240.000
niet-woning
[adres 3]
€ 409.000
woning
[adres 4]
€ 409.000
woning
[adres 5]
€ 190.000
niet-woning
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft de bezwaren tegen de beschikkingen en de aanslagen ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen ten aanzien van [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] met zaaknummers 24/1604, 24/1606 en 24/1610 niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen ten aanzien van [adres 3] en [adres 4] met zaaknummers 24/1607 en 24/1609 ongegrond; en
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende zijn op 2 december 2025, 13 januari 2026, 14 januari 2026, 23 januari 2026 nadere stukken ingekomen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 5 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
De Rechtbank heeft [Y] bij brief van 11 maart 2024 een termijn gegeven voor het indienen van een machtiging (uiterlijk 8 april 2024) met de mededeling dat de beroepen anders niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard.
2.2.
[Y] heeft op 19 maart 2024 een machtiging ingediend op naam van [A] uit 2021, een machtiging op naam van [B] uit 2022 en een e-mailconversatie met [C] over de twee woningen [adres 3] en [adres 4] met waarderapporten opgemaakt voor die woningen.
2.3.
De Rechtbank heeft [Y] bij brief van 18 maart 2025 in de gelegenheid gesteld uiterlijk ter zitting van 11 april 2025 een machtiging op de juiste naam in te dienen met een kopie van een geldig identiteitsbewijs.
2.4.
Ter zitting van de Rechtbank heeft [Y] een kopie van e-mailconversatie tussen [C] en zijn dochter [belanghebbende] overgelegd van 8 april 2025 met aangehecht een machtiging, ondertekend op 9 april 2025 door [belanghebbende] met bijgevoegd een kopie paspoort. In deze e-mail schrijft [C] aan [belanghebbende] het volgende:

Namens ons heeft [Y] bezwaar gemaakt tegen de te grote waardestijging van de [adres 3] en [adres 4] (de woningen). Daar heb ik e.e.a. voor ingevuld. Formeel moet jij dat echter doen. Wil jij de volmacht in de bijlage invullen en tekenen(…).”
2.5.
Op 22 mei 2025 heeft het Hof [Y] verzocht een recente machtiging te verstrekken. In die brief is verder vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien geen recente machtiging wordt overgelegd. Op 17 juni 2025 heeft [Y] dezelfde volmacht en email toegestuurd aan het Hof als hij aan de Rechtbank heeft overgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“9. (…) Aangezien in de aan de machtiging gehechte e-mail uitdrukkelijk alleen over bezwaar tegen de woningen [adres 3] en [adres 4] wordt gesproken, evenals in de tot het dossier behorende correspondentie tussen [C] en [Y] , acht de rechtbank [Y] niet bevoegd beroep in te stellen namens [belanghebbende] tegen de waarde van de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] . De hiertegen, kennelijk op eigen initiatief, ingestelde beroepen door [Y] zijn daarom niet-ontvankelijk verklaard.
10. Ten aanzien van de twee woningen heeft [Y] zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vastgestelde waarde van de woningen niet te hoog is als wordt uitgegaan van de waarde in vrije staat, maar dat de fictie in de Wet WOZ die vrij van huur wordt gewaardeerd onjuist is en gelet op de verhuurde staat buiten toepassing moeten blijven. [Y] bepleit een waarde (in verhuurde staat) van € 311.000. Dit beroep faalt. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Het betoog van [Y] ter zitting dat hij dit uitgangspunt van de wetgever niet redelijk vindt, kan nergens toe leiden, omdat de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag beoordelen. De beroepen tegen de woningen zijn daarom ongegrond verklaard.
11. De rechtbank constateert dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 22 maart 2023 de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) twee maanden is overschreden. De rechtbank laat het bij die constatering. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024[1] wordt niet tegemoet gekomen aan een verzoek tot vergoeding van immateriële schade indien het financieel belang minder is dan € 1.000 én de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1000 bedraagt, zodat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.
12. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
(…)

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.1.
Gemachtigde heeft in het hogerberoepschrift en de nadere stukken (door hem onder meer “pinpoint brieven” genoemd) volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaken. Daarom is de gemachtigde ter zitting gevraagd welke hogerberoepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Uit de daarop aangevoerde hogerberoepsgronden blijkt dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op het hierna onder 4.1.2 genoemde punt.
4.1.2.
In geschil is of:
a. a) de beroepen met betrekking tot de waarde van de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank;
b) de waarde van de onroerende zaken op te hoge bedragen zijn vastgesteld; en
c) belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van de beroepen met betrekking tot de waarde van de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] . Belanghebbende concludeert verder tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikkingen aldus dat de waarde van de onroerende zaken wordt verminderd met 20% en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen. Voorts verzoekt belanghebbende om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

De beroepen inzake de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5]
5.1.
De Rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de beroepen met betrekking tot de waarde van de kantoren aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] niet-ontvankelijk zijn. In hoger beroep heeft [Y] geen nadere informatie overgelegd waaruit volgt dat hij bevoegd was (hoger) beroep in te stellen met betrekking tot de waarde van de kantoren aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] . Deze beroepen zijn derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.
[adres 3] en [adres 4]
5.2.
Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partijen in hoger beroep toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en in zoverre terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of eerste aanleg zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven.
Verzoek om vergoeding immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn
5.3.
De Rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden en mocht het op grond van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, bij deze constatering laten. Hoewel belanghebbende voorafgaand aan de datum van voormeld arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, was de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure op de datum van dat arrest nog niet overschreden (r.o. 3.5 in voormeld arrest). Dit brengt mee dat de Rechtbank mocht beslissen conform dat arrest, aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het financiële belang bij de procedure meer dan € 1.000 bedroeg.
Slotsom
5.4.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra P.J.J. Vonk
De beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.