ECLI:NL:GHDHA:2026:2167

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/577
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BpmArt. 110 VWEUArtikel 20, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag bpm ondanks betwisting waardevermindering schadeauto

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 6.442 na registratie van een Audi Q5 met schadeverleden. De Inspecteur baseerde de aanslag op een koerslijst en hield slechts een beperkte schadeaftrek aan. Belanghebbende betwistte dit en stelde een hogere waardevermindering en een lagere handelsinkoopwaarde.

De Rechtbank wees het beroep af en kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep bevestigde het Hof dat de Inspecteur bevoegd was de naheffingsaanslag op te leggen en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waardevermindering hoger was dan door de Inspecteur gehanteerd.

Het Hof oordeelde dat het ontbreken van deugdelijk bevestigde voorstoelen niet tot een hogere schadeaftrek leidt en dat de koerslijst van DRZ als uitgangspunt geldt. Ook werd het verschil tussen fabrieksopties en standaarduitvoering niet relevant geacht voor de waardebepaling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag bpm en verklaart het hoger beroep ongegrond wegens onvoldoende bewijs van waardevermindering.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/577

Uitspraak van 24 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 juni 2025, nr. SGR 23/7523.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.442 (de naheffingsaanslag). Bij beschikking is € 32 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van €500;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 227;
  • draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 285 geheven. De Inspecteur heeft bij nader stuk verweer gevoerd.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 4.043 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Audi Q5 3.0 TFSI SQ5 Quattro (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 5 november 2018.
2.2.
Belanghebbende heeft aangifte gedaan op basis van een expertiseverslag van [taxateur] (de taxateur). De historische consumentenprijs inclusief fabrieksopties is vastgesteld op € 101.889. De taxateur heeft € 33.795,31 aan schade gecalculeerd, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op basis van vraagprijzen van vier referentievoertuigen vastgesteld op € 41.852 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 16.510. Onderdeel van de schadecalculatie is een waardevermindering van € 10.000 wegens het (Amerikaanse) schadeverleden van de auto. Bij het rapport is een bestelbon gevoegd voor vervanging van (één van) de voorstoelen.
2.3.
DRZ heeft de auto geschouwd. DRZ heeft de historische nieuwprijs bepaald op € 112.802, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 47.568 (XRAY) en de schade op € 587. Van het schadebedrag is 72%, € 423, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.
2.4.
De Inspecteur heeft op 20 januari 2023, bijna 14 maanden na de schouw door DRZ, de naheffingsaanslag opgelegd op basis van de koerslijst XRAY (marge) en hierop € 175 aan schade (72% van € 242) in aftrek gebracht.
2.5.
In hoger beroep heeft belanghebbende een nieuwe koerslijst XRAY en een Engelstalig VIN-rapport overgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“8. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van
het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.[1] Verweerder heeft bij het opleggen
van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is, dat er
beleid bestaat dat verweerder ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door
DRZ de naheffingsaanslag op te leggen of dat door DRZ of verweerder na de schouw
uitlatingen zijn gedaan waaruit eiser heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou
volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat eiser redelijkerwijs
mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Van een schending van het
vertrouwensbeginsel is geen sprake. Verweerder was bevoegd om een naheffingsaanslag op
te leggen.
9. De rechtbank verwerpt de door eiser bepleite herleidingsmethode en verwijst ter
onderbouwing van haar oordeel naar de uitspraak van gerechtshof Den Haag van
28 november 2024.[2]
10. De rechtbank stelt vast de taxateur en DRZ verschillende Xray-koerslijstwaarden
als uitgangspunt hebben genomen om de handelsinkoopwaarde te bepalen. Het verschil
vloeit voort uit de optiepakketten die in de lijsten zijn meegewogen. Door verweerder is ter
zitting gemotiveerd weersproken dat hij van een onjuist pakket is uitgegaan. De rechtbank
volgt verweerder dan ook in een uitgangswaarde in onbeschadigde staat van € 47.568.
11. Voorts biedt het rapport van de taxateur onvoldoende houvast voor de door de
taxateur gestelde waardevermindering wegens schade en schadeverleden. De bevindingen
van de taxateur stroken niet met de bevindingen van DRZ en er is geen aankoopfactuur
overgelegd die de gestelde handelsinkoopwaarde ondersteunt. Dat, zoals eiser stelt, binnen
de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en
echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij
de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid
dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Nu de auto ten tijde van de hertaxatie niet beschikte
over voorstoelen, kan het niet anders dan dat het voertuig bij de keuring door de
RDW in een andere staat verkeerde dan bij de hertaxatie bij DRZ.
12. Bij oplegging van de naheffingsaanslag is een kleinere waardevermindering
wegens schade in aanmerking genomen dan de door DRZ berekende waardevermindering.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat niet alle door DRZ geconstateerde kosten zijn aan
te merken als schadepost. Zo heeft DRZ kosten voor het resetten van de bordcomputer en
het ontgeuren van de auto in aanmerking genomen. De rechtbank volgt verweerder hierin.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om een hogere
waardevermindering dan € 175 in aanmerking te nemen.
13. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden
ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in
rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
14. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog
bedrag opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
15. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de
redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 26 januari 2023 en
verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 18 oktober 2023. De uitspraak van de
rechtbank is op 30 juni 2025 gedaan. Dat is afgerond 2 jaar en ruim 5 maanden na indiening
van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met ruim 5 maanden is overschreden.
Eiser heeft dan ook recht op vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500.
De overschrijding dient te worden toegerekend aan de bezwaarfase.
16. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de
rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in
aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het
arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[3] en het Besluit proceskosten bestuursrecht
voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (afgerond) € 227 (1
punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van
€ 907 en wegingsfactor van 0,25).
(…)
1. Artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2 ECLl:NL:GHDHA:2024:2333.

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en, indien dit zo is, of deze naar een te hoog bedrag is opgelegd.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 6.006. Belanghebbende verzoekt voorts om een (proces)kostenvergoeding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Partijen houdt om te beginnen verdeeld of het vertrouwensbeginsel zich tegen het opleggen van de naheffingsaanslag verzet. Het Hof is het op dit punt eens met de Rechtbank en neemt overweging 8 van haar uitspraak over. Het Hof voegt hieraan toe dat de Inspecteur belanghebbende binnen een jaar een kennisgeving had gezonden met het voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en dat de Inspecteur niets heeft gedaan om bij belanghebbende de schijn te wekken dat niet zou worden nageheven. De Inspecteur was bevoegd de naheffingsaanslag op te leggen.
5.2.1.
Belanghebbende stelt zich subsidiair op het standpunt dat het taxatierapport moet worden gevolgd. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat dient te worden vastgesteld op € 47.180 en de historische nieuwprijs op € 117.096, conform een nieuwe koerslijst van XRAY. Anders dan de Inspecteur stelt is de auto geen Pro Line Plus maar een gewone SQ5. De schadeposten die de Inspecteur heeft verworpen zijn wel degelijk schade. Ook andere aspecten kunnen tot een waardevermindering leiden. De Inspecteur wijkt in zoverre van het oordeel van zijn deskundige, DRZ, af. Belanghebbende meent dat dit niet kan. Belanghebbende wijst voorts op het schadeverleden van de auto, onder verwijzing naar informatie die op internet is te vinden. De beide voorstoelen ontbreken, wat een schadepost oplevert van ruim € 8.000. Belanghebbende verwijst naar de bestelbon (offerte).
5.2.2.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het taxatierapport van belanghebbende wegens formele en materiële gebreken niet kan dienen. Om te beginnen ontbreekt de aankoopfactuur. De taxateur op de foto’s is niet de heer [naam] , maar een medewerker van zijn bedrijf. Het is niet mogelijk om in 20 minuten alle constateringen te doen en alle foto’s te nemen die in het taxatierapport staan. Ook zijn posten genoemd die geen schade zijn, zoals uitlijnen, resetten van de boordcomputer en reinigen/ontgeuren van het interieur. De waardevermindering wegens een schadeverleden is niet onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt. Zonder onderbouwing is 75% van de gestelde reparatiekosten in aftrek gebracht, in plaats van de wettelijke 72%.
5.3.1.
Net als de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende de (ex-)schade niet aannemelijk heeft gemaakt
.Het Hof motiveert dit als volgt.
5.3.2.
Artikel 5.2.46 van de Regeling voertuigen bepaalt het volgende:
“De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2, van toepassing.”
Uit deze bepaling volgt dat, anders dan belanghebbende beweert, de aanwezigheid van deugdelijk bevestigde voorstoelen in een personenauto verplicht is. Met een krukje in plaats van een deugdelijk bevestigde stoel met veiligheidsgordel komt een voertuig niet door de keuring. Met de afwezigheid van voorstoelen houdt het Hof geen rekening. Met de Inspecteur vraagt het Hof zich overigens af hoe zonder voorstoelen met de auto 126 kilometer kan zijn gereden. Dat de bestuurder dit heeft gedaan met behulp van een krukje, zoals de gemachtigde stelt, is moeilijk voor te stellen. Dit is in strijd met de hiervoor geciteerde bepaling en domweg gevaarlijk. Opmerkelijk is ook dat de achterbank er prima uitziet, evenals de bodem van de auto, waarop de voorstoelen behoren te worden bevestigd. Daar is helemaal niets te zien van enige schade als gevolg van een ongeval, bijvoorbeeld. Op de interieurfoto’s die na het ongeval van de auto zijn gemaakt, is geen enkele schade aan de voorstoelen te zien. De bestelbon is een offerte en geen bewijs dat de voorstoelen moesten worden vervangen. Van de daadwerkelijke aanschaf van voorstoelen heeft belanghebbende geen enkel bewijs overgelegd.
5.3.3.
Voor de overige posten ziet het Hof evenmin aanleiding. De RDW heeft tijdens de keuring geen schade geconstateerd. De foto’s in het rapport van DRZ tonen de geclaimde schade niet. Het polijsten van de gehele buitenkant van de auto, wat DRZ en de Inspecteur als kostenpost in aanmerking hebben genomen, komt het Hof als voldoende voor om de lichte krasvorming te herstellen. Bovendien worden diverse posten opgevoerd, zoals een onderhoudsbeurt, resetten boordcomputer, uitlijnen (de Inspecteur heeft deze kosten wel in aanmerking genomen), diverse interieurdelen (zonder nadere specificatie), tectyl aanbrengen en reinigen/ontgeuren, die geen schade zijn en als heel normale kosten bij de handel in gebruikte voertuigen worden beschouwd. Ten aanzien van de gestelde waardevermindering wegens een schadeverleden van de auto geldt dat belanghebbende geen deskundigenonderzoek heeft laten verrichten waaruit volgt dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de werkelijke waardeverminderende invloed van het schadeverleden van de auto op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat met enig bedrag aan aftrek ter zake van het schadeverleden van de auto rekening dient te worden gehouden.
5.4.
Voorts is tussen partijen in geschil welke uitvoering de auto heeft. Belanghebbende betwist dat de auto een Pro Line Plus-uitvoering heeft. Belanghebbende verwijst naar het VIN-rapport. De Inspecteur bestrijdt dit. Een via AI beantwoorde prompt levert als resultaat op dat de modelcode (FYB 54A) voor een Pro Line Plus-uitvoering staat. Ook de koerslijst die belanghebbende in hoger beroep heeft overgelegd, is niet bruikbaar. Deze gaat ten eerste van de verkeerde uitvoering uit (een gewone SQ5). Ten tweede gaat de koerslijst uit van een verouderd model, namelijk een dat tussen juli 2017 en april 2018 is gebouwd. De auto is van een latere bouwdatum. Ten derde is de koerslijst niet door een taxateur opgemaakt en zelfs niet door iemand die de auto heeft gezien. Indien het hoger beroep enkel op deze grond slaagt, dient geen proceskostenvergoeding te worden toegekend, zo betoogt de Inspecteur.
5.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, geoordeeld dat voor gebruik van de koerslijstmethode overeenkomst vereist is wat betreft merk, model, type, uitvoering en leeftijd. Het Hof heeft ondervonden dat deze toets minder goed bruikbaar is bij voertuigen in het luxere en incourante segment. In de praktijk komen regelmatig voertuigen aan de orde die in Nederland niet leverbaar zijn en/of volgens specificaties van een derde land zijn gebouwd. Hierbij komt dat, zo is tussen partijen niet in geschil, buitenlandse voertuigen lastig te vergelijken zijn met Nederlandse, omdat buitenlandse voertuigen vaak meer opties hebben. In het laatste geval kan het aan de hand van de door de Hoge Raad geformuleerde toets lijken alsof een importvoertuig overeenkomt met een voertuig in een koerslijst, terwijl dit niet zo is. De extra opties en afwijkende uitrusting is ook vaak de reden dat een voertuig in het buitenland wordt gekocht en in Nederland wordt ingevoerd. Het is soms lastig om vanuit de indeling van de fabrikant in typen en uitvoeringen naar de verschillende voertuigen te kijken. Vanuit de gemiddelde handelaar – en vooral vanuit de gemiddelde consument – bezien is van belang welke opties en mogelijkheden een voertuig heeft, en niet of deze standaard zijn of optioneel. Het Hof acht niet van belang of een bepaalde optie tot de standaarduitrusting behoort of optioneel (een fabrieksoptie) is, omdat de aanwendingsmogelijkheden waarop de consument uiteindelijk zijn keuze maakt niet door dit verschil worden beïnvloed. De toets is immers of voertuigen met elkaar concurreren, en zonder bewijs van het tegendeel acht het Hof niet aannemelijk dat voertuigen die over dezelfde kenmerken beschikken, niet concurreren enkel omdat die kenmerken deels standaard en deels optioneel zijn (arrest Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 februari 2024, Commissie tegen Malta, ECLI:EU:C:2024:158, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof gaat dus uit van een voertuig als geheel bij het zoeken naar referentievoertuigen. Deze complex-aanpak maakt vergelijking van voertuigen en dus het uitvoeren van de toets van 110 VWEU gemakkelijker, omdat deze discussies over het verschil tussen de standaarduitrusting en fabrieksopties voorkomt.
5.6.
Het Hof laat in het midden welke uitvoering de auto officieel heeft. Specifiek voor de onderhavige auto komt het Hof tot de conclusie dat deze meer lijkt op een Pro Line Plus dan op een gewone Q5 3.0 TFSI SQ5 Quattro. Dit blijkt ook uit het verschil tussen de twee koerslijsten. In de koerslijst van belanghebbende wordt in totaal € 20.966 aan opties bijgeteld en in de koerslijst van DRZ voor in totaal € 12.272. In vergelijking met de bedragen in de koerslijst van DRZ is de consumentenprijs in de koerslijst van belanghebbende hoger en is de handelsinkoopwaarde lager. De lagere handelsinkoopwaarde kan alleen zijn veroorzaakt door de versnelde afschrijving van de fabrieksopties in de koerslijst van belanghebbende, aangezien een vergelijking van de twee koerslijsten uitwijst dat het voertuig in beide koerslijsten dezelfde kenmerken en mogelijkheden heeft, zij het dat de verdeling tussen ‘fabrieksopties’ en ‘standaard’ verschilt. Het verschil in handelsinkoopwaarde komt dus door de manier waarop de specifieke kenmerken van de auto (de opties) zijn verwerkt. Het Hof acht versnelde afschrijving niet juist, gelet op de aard van deze kenmerken. Het gaat bijvoorbeeld om de separate airco achterin de auto, alarmklasse 3, draadloze telefoonlader, kunstlederen interieurdelen, matrix koplampen, navigatiesysteem, parkeersensor achter en het volledig digitale instrumentenpaneel. Dit zijn opties die lange tijd van nut zijn voor de gebruiker en niet versneld worden afgeschreven.
5.7.
Gelet op het voorgaande neemt het Hof dan ook de koerslijst van DRZ tot uitgangspunt. Aangezien belanghebbende niet is geslaagd in de bewijslast dat de handelsinkoopwaarde van de auto verder moet worden verlaagd, is de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Slotsom
5.8.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.M.D.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra A. van Dongen
De beslissing is op 24 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.