ECLI:NL:GHDHA:2026:2181

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
200.359.786/01 en 200.359.786/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:81 BWArt. 1:84 BWArt. 1:88 BWArt. 1:94 BWArt. 1:164 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verdeling beperkte gemeenschap van goederen en echtelijke woning

Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen en zijn in hoger beroep gekomen tegen de verdeling van de echtelijke woning en de vergoedingsrechten. De rechtbank had de woning primair aan de man toegewezen, maar de vrouw betwistte dit en stelde dat zij als eerste de woning zou moeten kunnen overnemen.

Het hof stelt als peildatum voor de waardering van de woning de datum van deze uitspraak in hoger beroep vast en gaat uit van een waarde van € 755.000,-. Na afweging van belangen oordeelt het hof dat het belang van de man bij toedeling van de woning zwaarder weegt dan dat van de vrouw. De woning wordt aan de man toegewezen onder voorwaarden, met een regeling voor het geval hij de woning niet kan overnemen, en bij geen overname verkoop aan een derde.

Verder oordeelt het hof over vergoedingsrechten van de man voor aflossing van een overbruggingslening en privé-investeringen, stelt een regresvordering vast ten gunste van de vrouw voor hypotheekaflossingen, en wijst een bedrag toe wegens benadeling van de gemeenschap door de vrouw. De inboedel wordt verkocht en verdeeld. Het hof laat de man toe bewijs te leveren over de vermeende onttrekking van sieraden door de vrouw en wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid af.

Uitkomst: Het hof wijst de woning toe aan de man met voorwaarden, stelt vergoedingsrechten vast, laat bewijslevering toe over verdwenen sieraden en wijzigt de verdeling van de inboedel.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.359.786/01 en 200.359.786/02
rekestnummers rechtbank : FA RK 24-3172 en FA RK 24-6498
zaaknummers rechtbank : C/09/665719 en C/09/672249
beschikking van de meervoudige kamer van 17 juni 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. H. Durdu te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 2 juli 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 1 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, tevens houdende incident ex art. 360 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
2.2
De man heeft op 5 december 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vrouw heeft op 27 januari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
- een journaalbericht van 16 oktober 2025, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van 17 maart 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
van de zijde van de man:
- een journaalbericht van 9 maart 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2021 te [plaats] .
3.3
Partijen zijn gehuwd in een beperkte gemeenschap van goederen.
3.4
In hoger beroep is vast komen te staan dat de echtscheiding op 14 november 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
Voorts heeft de rechtbank de verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt vastgesteld:
- met betrekking tot de woning gelegen te [postcode] [plaats] , aan [adres] en
de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij Coöperatieve Rabobank U.A.:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen zijn het eens dat zij de woning zullen laten taxeren door de bij hen bekende makelaar-taxateur. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week na afgiftedatum van deze beschikking een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man (de echtgenoot die krijgt toegedeeld) de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen drie maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij Coöperatieve Rabobank U.A.;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. in het geval de man de woning niet kan overnemen onder de hiervoor onder 1 genoemde voorwaarden dan wordt de woning toegedeeld aan de vrouw op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als genoemd onder 1, waarbij geldt dat waar man staat moet worden gelezen vrouw en omgekeerd;
3. in het geval geen van partijen de woning kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week - nadat de onder 1. genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen - aan genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal - als partijen het niet eens zijn - partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning:
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
- bepaald dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [postcode] [plaats] , aan [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten tot de dag voorafgaand aan de datum dat de woning (notarieel) zal worden geleverd aan de man dan wel aan een derde, tot maximaal zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
- bepaald dat de vrouw per datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gehouden is om voor haar rekening te nemen - naast de gebruikerslasten – alle hypotheekrentelasten alsook de per 1 januari 2026 verschuldigde aanslagen WOZ 2026 en [zelfstandig overheidslichaam] 2026.
Voorts heeft de rechtbank de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt vastgesteld:
1. aan de man worden toegedeeld:
1.1
de op naam van de man staande [bank] bankrekening, zonder verdere verrekening van het saldo per peildatum 1 mei 2024 met de vrouw;
1.2
de auto Opel , zonder verdere verrekening van de waarde met de vrouw;
2. aan de vrouw worden toegedeeld:
2.1
de op naam van de vrouw staande [bank] bankrekening, zonder verdere verrekening van het saldo per peildatum I mei 2024 met de man;
2.2
de op naam van de vrouw staande [bank] bankrekening onder de verplichting dat de vrouw de man inzage geeft in de aanwas van de saldi per 1 juli 2021 en per 2 mei 2024, alsmede onder de verplichting om deze aanwas bij helfte met de man te delen c.q. aan de man te vergoeden;
2.3
de huisraad in de echtelijke woning onder de verplichting om - uit hoofde van overbedeling - € 3.000,- aan de man te vergoeden;
2.4
de auto Seat , zonder verdere verrekening van de waarde met de man;
- bepaald dat de man een vordering heeft op de beperkte gemeenschap van goederen van totaal € 124.793,- en dat, in het geval deze gemeenschap onvoldoende verhaal biedt, hij een vordering heeft op de vrouw van in beginsel € 62.396,-;
- bepaald dat de vrouw een vordering heeft op de beperkte gemeenschap van goederen van € 7.034,- en dat, in het geval deze gemeenschap onvoldoende verhaal biedt, zij een vordering heeft op de man van in beginsel € 3.517,-;
- bepaald dat de vrouw over de periode 1 mei 2024 tot de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking - in het kader van de onderlinge draagkracht - jegens de man gehouden is om de (volledige) hypotheekrente te voldoen;
- bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van € 1.824,- moet vergoeden uit hoofde van de aanslagen WOZ 2024 en 2025 en de aanslagen van [zelfstandig overheidslichaam] 2024 en 2025;
- bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van € 415,- dient te vergoeden uit hoofde van de kosten loonbeslag en achterstand motorrijtuigenbelasting.
Daarnaast is vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen de voorwaarden van de hypothecaire geldlening bij de Coöperatieve Rabobank U.A - waaronder ook de renteafspraken - bij helfte te verdelen.
De bestreden beschikking is, met uitzondering van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bepaald is dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Hetgeen partijen meer of anders hebben verzocht is door de rechtbank afgewezen.
4.2
De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin:
- de man als eerste in de gelegenheid is gesteld om de echtelijke woning over te nemen;
- de beleggingsleer is toegepast op de vóórhuwelijkse investering van de man ter hoogte van € 83.072,-;
- een tweede vergoedingsvordering van € 20.000,- ten gunste van de man is aangenomen;
- de totale vordering van de man op de beperkte gemeenschap is vastgesteld op in beginsel € 124.793,- en bij onvoldoende verhaal – op de vrouw op € 62.396,-;
- de gift van de vader van de vrouw ter hoogte van € 10.000,- dat op de bankrekening van de vrouw door hem is gestort tot de beperkte gemeenschap is gerekend;
de huisraad onvoorwaardelijk aan de vrouw is toegedeeld;
en, opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
I. de vrouw als eerste in de gelegenheid wordt gesteld om de echtelijke woning over te nemen en te financieren;
II. de man een nominale regresvordering (ter hoogte van het bedrag dat hij méér heeft betaald dan zijn aandeel) toekomt;
III. de (tweede) vergoedingsvordering van de man van € 20.000,- wordt afgewezen, althans op nihil dan wel op een aanzienlijk lager bedrag wordt vastgesteld;
IV. de totale regresvordering van de man op de beperkte gemeenschap hooguit een nominaal bedrag ter hoogte van € 83.072,- bedraagt en bij onvoldoende verhaal - op de vrouw ten hoogste € 41.536,- bedraagt;
V. het bedrag van € 10.000,- een aan de vrouw privé toekomend vermogen betreft dat niet in de verdeling valt;
VI. de huisraad aan de vrouw wordt toegedeeld indien de woning aan haar wordt toegedeeld, onder de door de rechtbank bepaalde voorwaarden; subsidiair, indien de woning aan de man wordt toegedeeld, de huisraad aan de man wordt toegedeeld onder dezelfde voorwaarden als de rechtbank heeft bepaald voor de vrouw; meer subsidiair, indien geen van beide partijen de huisraad wenst, de huisraad wordt verkocht en de opbrengst bij helfte wordt verdeeld;
Aanvullend verzoek:
VII. de vrouw een regresvordering heeft op de man ter hoogte van:
- de helft van het door haar reeds betaalde bedrag aan aflossingen, zijnde € 7.731,87 (50% van € 15.463,73);
- alsmede de helft van de toekomstige aflossingen op de gezamenlijke hypotheeklening die zij na september 2025 zal blijven voldoen, zolang partijen gezamenlijk eigenaar en hoofdelijk aansprakelijk zijn.
Incident ex art. 360 lid 2 Rv Pro - schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad
De vrouw voorts verzoekt het hof, de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking te schorsen, voor zover deze ziet op de toedeling/overname van de woning door de man en alle daarmee samenhangende verplichtingen (financiering, ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid, medewerking aan notariële levering), totdat in dit hoger beroep onherroepelijk is beslist.
Kosten rechtens.
4.3
De man voert gemotiveerd verweer. De man verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking deels te vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
I. de eerste vergoedingsvordering die de man op de gemeenschap heeft vast te stellen op een bedrag van € 111.530,- dan wel, zo die niet onvoldoende verhaal biedt, op de vrouw van €55.765,-;
II. de tweede vergoedingsvordering die de man op de gemeenschap heeft vast te stellen op een bedrag van € 31.922,95 dan wel, zo die niet onvoldoende verhaal biedt, op de vrouw van € 15.961,48;
III. de totale vordering van de man op de gemeenschap € 143.453,- bedraagt en, bij onvoldoende verhaal op de gemeenschap, op de vrouw voor een bedrag van € 71.726,50;
IV. dat de bedragen onder I en II afgaan van de taxatiewaarde indien de woning aan de man wordt toebedeeld, dan wel van het aandeel van de vrouw in de overwaarde. Bij toedeling van de woning aan de vrouw te bepalen dat de vrouw dat bedrag aan de man moet betalen naast zijn aandeel in de overwaarde en dat dat bedrag niet later dan bij levering van de woning aan de man wordt voldaan. Bij verkoop aan een derde te bepalen dat op de verkoopopbrengst eerst dat/die bedrag/en in mindering gaan en aan de man toekomen;
V. het saldo op de Turkse banrekening aan de vrouw toe te delen onder de verplichting van de vrouw aan de man een bedrag te betalen van € 18.000,- en de vrouw tot betaling daarvan te veroordelen;
VI. de vordering van de man wegens de door de man betaalde WOZ en regionale belastingen 2024 en 2025 (belastingjaren) vast te stellen op een bedrag van € 2.746,65 en de vrouw tot het betalen van dat bedrag te veroordelen;
VII. de man een vordering ex [art.] 1:164 BW op de vrouw heeft ad € 2.325,- en de vrouw tot het betalen van dat bedrag te veroordelen;
VIII. de man een vordering op de vrouw [heeft] i.v.m. het saldi op de en/of rekeningen ad € 509,- en de vrouw tot het betalen van dat bedrag te veroordelen;
IX. de sieraden en de kluisinhoud aan de vrouw toe te delen onder de verplichting van de vrouw aan de man een bedrag te betalen van € 41.000,- nu zij haar aandeel daarin verbeur[d] heeft, dan wel € 20.500,- zijnde de helft van de waarde van de inhoud van de kluis (voor leeghalen), en de vrouw tot het betalen van dat bedrag te veroordelen. Zo nodig een nader getuigengehoor te gelasten gezien het bewijsaanbod van de man;
X. de man voorwaardelijk verzoekt, zo er aan de vrouw een regresvordering wordt toegewezen voor de aflossing van de hypotheek, de vrouw aan de man, met ingang van 1 februari 2024 t/m datum levering van de woning, een gebruiksvergoeding verschuldigd is van € 698,- per maand en haar tot betaling daarvan te veroordelen;
XI. de bestreden beschikking, voor zover ter beoordeling van het hof, voor (al) het overige te bekrachtigen.
4.4
In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man niet ontvankelijk te verklaren, althans zijn grieven integraal af te wijzen.
4.5
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5.De motivering van de beslissing

Schorsingsverzoek
5.1
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw strekkende tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de toedeling van de echtelijke woning door de man, overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft bij dit verzoek geen belang meer omdat het hof in deze beschikking een inhoudelijke beslissing in de hoofdzaak geeft over het hoger beroep van de vrouw. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
Peildatum
5.2
De peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap, te weten 2 mei 2024, is niet in geschil. Nu niet is gebleken dat partijen anders zijn overeengekomen, geldt - voor zover hierna niet anders wordt overwogen - de datum van feitelijke verdeling als peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
Verdeling echtelijke woning
5.3
Vaststaat dat partijen ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn van de woning aan [adres] gelegen te [postcode] [plaats] (hierna: de echtelijke woning). De vrouw grieft dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de echtelijke woning (als eerste) aan de man wordt toegedeeld en pas als hij deze niet kan overnemen, de echtelijk woning onder dezelfde voorwaarden aan de vrouw wordt toegedeeld. De vrouw woont inmiddels anderhalf jaar onafgebroken alleen in de echtelijke woning en draagt sinds augustus 2024 alle lasten van deze woning. De vrouw heeft in de regio [regio] geen familie of netwerk en is speciaal voor het huwelijk van [plaats] naar [plaats] verhuisd. De vrouw heeft toen ook haar werklocatie gewijzigd, zij werkt nu in [plaats] op 20 minuten afstand van de woning.
5.4
Door de man is gemotiveerd verweer gevoerd. De man is opgegroeid in [plaats] en woont sinds 2015 in [plaats] . De man heeft slechts kort in [plaats] gewoond, na de huwelijksvoltrekking zijn partijen naar hun nieuwbouwwoning in [plaats] verhuisd. De man heeft zijn woning in [plaats] op [datum] 2020 verkocht. De man werkt bij [werkgever] die opereert vanuit [plaats] . Daarnaast heeft de man binding met de regio doordat hij hier zijn [werkzaamheden] heeft. De man zit in een ontwikkelingstraject van [ontwikkelaar] dat eindigt in [maand] 2026 en dat de man moet afmaken in dit district.
5.5
Het hof stelt voorop dat als de rechter op de voet van art. 3:185 BW Pro de verdeling heeft vastgesteld, de datum van de uitspraak als de datum van de verdeling geldt. Als peilmoment voor de waardering van tot een gemeenschap behorende goederen geldt de datum van de verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard Als de vaststelling van de verdeling door de rechter in eerste aanleg in hoger beroep opnieuw aan de orde is gesteld en daarover in hoger beroep opnieuw is beslist, geldt de datum van de uitspraak in hoger beroep als de datum van de verdeling. Als peilmoment voor de waardering van de tot de gemeenschap behorende goederen geldt dan de datum van de uitspraak in hoger beroep, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard (zie HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1722). In onderhavige zaak willen partijen allebei de echtelijke woning toegedeeld krijgen en hebben zij daar ieder redenen voor aangedragen. In dit hoger beroep heeft de vrouw de verdeling van de echtelijke woning (opnieuw) aan de orde gesteld aangezien zij is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de woning als eerste aan de man wordt toegedeeld en zij verzocht heeft dat zij als eerste in de gelegenheid moet worden gesteld om de woning toegedeeld te krijgen. Aangezien het hof in dit hoger beroep de verdeling van de woning zal vaststellen, geldt als peildatum voor de waardering van de woning de datum van deze uitspraak in hoger beroep, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. Het hof overweegt in dit verband dat niet gesteld of gebleken is dat partijen een andere peildatum voor de waardering zijn overeengekomen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat de echtelijke woning inmiddels een waarde heeft van € 755.000,- , zodat het hof van deze waarde uit zal gaan en de verdeling van de woning zelf kan vaststellen.
5.6
Het hof overweegt voorts als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd of gebleken die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat het belang van de man bij toedeling van de echtelijke woning aan hem voldoende zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De man is geboren en getogen in [plaats] en sinds 2015 woonachtig in [plaats] . De man werkt vanuit deze omgeving en de man volgt een ontwikkelingstraject van [ontwikkelaar] als [werkzaamheden] in dit district. Hij is geworteld in de omgeving van [plaats] . Dat de man samen met de vrouw enige maanden ingeschreven heeft gestaan te [plaats] zoals de vrouw stelt, doet daar niks aan af. Daarnaast heeft de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, onbetwist, aangegeven dat hij een hoger inkomen geniet dan de vrouw, alsmede (zoals volgt uit het hiernavolgende) gelet op het aan de man toekomende vergoedingsrecht jegens de vrouw, zodat het hof de kans dat de man de woning kan overnemen aannemelijker acht. De vrouw heeft een baan in de omgeving van [plaats] , maar is niet zozeer met (de omgeving van) [plaats] verbonden maar gehecht aan de woning. De vrouw heeft daardoor een ruimer gebied waarbinnen zij kan zoeken naar een andere woning. De grief van de vrouw treft derhalve geen doel. Mede gelet op de overzichtelijkheid en leesbaarheid van het dictum zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de verdeling van de echtelijke woning in het geheel vernietigen en opnieuw rechtdoende – kortweg – bepalen dat de woning wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 755.000,-, dat de echtelijke woning in het geval de man de echtelijke woning niet kan overnemen voor genoemd bedrag deze wordt toegedeeld aan de vrouw en dat in het geval beide partijen de echtelijke woning niet kunnen overnemen, de echtelijke woning wordt verkocht aan een derde.
Vergoedingsrechten / investeringen in de echtelijke woning
Aflossing overbruggingslening van € 83.072,-
5.7
Tussen partijen is niet in geschil dat de man op 26 augustus 2020 de overbruggingslening van € 83.072,- met privévermogen heeft afgelost. Partijen grieven beiden tegen de wijze waarop de rechtbank de hoogte van het vergoedingsrecht heeft berekend.
5.8
De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte de beleggingsleer heeft toegepast op de door de man gedane aflossing van de overbruggingshypotheek. De aflossing vond plaats voor het huwelijk, in een situatie zonder samenlevingscontract of andere regeling.
5.9
De man stelt dat de beleggingsleer wel van toepassing is op zijn aflossing maar dat de door de rechtbank gehanteerde waarde niet langer kloppend is omdat de waarde van de woning is gestegen.
5.1
Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben op 30 juni 2020 (dus vóór het aangaan van het huwelijk) ieder de onverdeelde helft van de woning in aanbouw verkregen in het nieuwbouwproject [nieuwbouwproject] te [plaats] . Volgens de notariële afrekening van 30 juni 2020 zijn een tweetal hypothecaire leningen afgesloten, te weten een lening van € 471.835,- en een overbruggingslening van € 83.072,-. Volgens de notariële afrekening van 26 augustus 2020 is voornoemde overbruggingslening van € 83.072,- afgelost met privévermogen van de man. Of de man door deze bijdrage een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw, dient beoordeeld te worden op het moment van de vermogensverschuiving, te weten het moment van de aflossing van de overbruggingshypotheek, in dit geval dus vóór het aangaan van het huwelijk. Partijen woonden op dat moment informeel samen. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 10 mei 2019 (HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707) beslist dat artikel 87 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet overeenkomstig kan worden toegepast op de verhouding tussen informeel samenlevenden maar dat aan de hand van het algemene vermogensrecht, waaronder het verbintenissenrecht, moet worden beoordeeld of ter zake van de investering in de woning die door één van hen was gedaan, jegens de ander een vergoedingsrecht geldend gemaakt kan worden.
5.11
Tussen partijen is niet in geschil dat partijen hoofdelijk verbonden waren voor deze overbruggingshypotheek. Op grond van artikel 6:10 BW Pro waren partijen daarom gehouden ieder voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhouding aanging, in de schuld en de daaraan verbonden kosten bij te dragen. Nu de man de gehele overbruggingshypotheek heeft afgelost, heeft de man op dat moment een regresvordering op de vrouw verkregen krachtens artikel 6:10 BW Pro, voor de helft van dit bedrag. Dat partijen vervolgens in de beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd doet hier geen afbreuk aan, zowel de regresvordering van de man jegens de vrouw als de daarmee corresponderende schuld van de vrouw aan de man zijn niet in de beperkte gemeenschap van goederen gevallen (zie HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:436). Het voorgaande leidt ertoe dat de man een vergoedingsrecht heeft van € 83.072,- op de gemeenschap en bij onvoldoende verhaal – op de vrouw ten hoogste van € 41.536,-. De grief van de vrouw treft doel.
Overig privévermogen geïnvesteerd in de echtelijke woning
5.12
Partijen grieven beiden tegen de beslissing van de rechtbank dat de man een bedrag van € 20.000,- heeft geïnvesteerd in aard- en nagelvaste zaken in de echtelijke woning.
5.13
De vrouw betwist dat verbeteringen in de woning door privémiddelen van de man zijn betaald. De man heeft hier geen concreet bewijs voor ingebracht. Partijen hebben een hypotheek afgesloten waarvan ruim € 83.000,- beschikbaar was voor meerwerk en overige kosten in de vorm van een bouwdepot. Partijen hebben daarnaast tijdens het bruiloftsfeest op [datum] 2021 ruim € 38.000,- aan giften ontvangen, hiervan is € 15.000,- op [datum] 2021 op de gezamenlijke spaarrekening gestort. De kosten zijn met bovengenoemde bedragen betaald en niet met privémiddelen van de man. Daarnaast is het consumptief besteed aan gezamenlijke uitgaven zoals de bruiloft, woninginrichting, vakanties en overige huishoudelijke uitgaven. Voorts is het geld vermengd met andere gelden, er resteerde geen identificeerbaar vermogensbestanddeel.
5.14
De man stelt dat zijn vergoedingsrecht hoger ligt dan € 20.000,-. Na aflossing van de gezamenlijke overbruggingshypotheek resteerde aan de zijde van de man een bedrag van € 31.922,95 uit de verkoop van zijn eigen woning. Dit bedrag is gestort op de en/of rekening van partijen. Van die rekening is op 1 september 2020 vervolgens € 31.000,- gestort op de spaarrekening van partijen. Het saldo op de spaarrekening op 1 juni 2020 betrof € 0,-. Van de en/of spaarrekening wordt uiteindelijk € 79.605,- bijgeschreven en € 79.607,50 afgeschreven in een periode van iets minder dan 4 jaar. Er is € 56.355,- van de spaarrekening naar de betaalrekening van partijen overgeboekt. Hiermee is vast komen te staan dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 31.922,95 dan wel, zo die niet voldoende verhaal biedt, op de vrouw van € 15.961,48.
5.15
Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft vastgesteld dat de man een bedrag van € 31.922,95 heeft ontvangen uit de verkoop van zijn voormalige woning (nota van afrekening [notaris] van 26 augustus 2020, productie 4-b bij het verweerschrift van de man in eerste aanleg). De man heeft op 1 september 2020 een bedrag van € 31.000,- overgeboekt naar de gezamenlijke en/of bankrekening van partijen (productie 3 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep van de man). Dit bedrag is op 1 september 2020 vervolgens overgeboekt naar de gezamenlijke spaarrekening van partijen (productie 4 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep van de man). Door de vrouw is dit niet weersproken. Hiermee staat vast dat er privévermogen van de man is overgeboekt naar een gezamenlijke bankrekening van partijen. Het hof heeft vervolgens vast kunnen stellen dat er vanuit de gezamenlijke spaarrekening van partijen terugboekingen zijn geweest naar de gezamenlijke en/of rekening van partijen.
5.16
Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2021 gehuwd in de beperkte gemeenschap van goederen. De beperkte gemeenschap van goederen omvat, wat haar baten betreft, alle goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden (art. 1:94 lid 2 BW Pro). Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor bedoelde aan de man toebehorende gelden van de man op de gezamenlijke rekening van partijen door het huwelijk in de beperkte gemeenschap van goederen gevallen en is er in beginsel een vergoedingsrecht van de man op de huwelijksgemeenschap ontstaan van € 31.000,- (vergelijk HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504). Het hof is verder van oordeel dat in dit geval, waarin vervolgens tijdens het huwelijk uitgaven zijn gedaan van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen, ten gunste van de man het vermoeden geldt dat deze ten laste van het gemeenschapsvermogen gedane uitgaven betrekking hebben gehad op de voldoening van gemeenschapsschulden, hetgeen meebrengt dat het vergoedingsrecht van de man jegens de huwelijksgemeenschap door die uitgaven niet aangetast is. In het geval die uitgaven de voldoening van privéschulden van de man zouden betreffen is dit uiteraard anders. Het ligt echter op de weg van de andere echtgenoot, de vrouw in dit geval, om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt (vergelijk wederom HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504). Het hof is, gelet op het vorenstaande en gezien de feitelijke gang van zaken, van oordeel dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de gemeenschap van € 31.000,- en dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom dit vergoedingsrecht van de man niet (volledig) geldend gemaakt kan worden.
5.17
Voor zover de vrouw stelt dat het geld consumptief is besteed, doet dit geen afbreuk aan het vergoedingsrecht van de man, nu in geval van een huwelijksgemeenschap – blijkens genoemde rechtspraak van de Hoge Raad – ook uitgaven in verband met consumptieve bestedingen zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. De grief van de man slaagt derhalve grotendeels.
Totale vordering van de man op de gemeenschap
5.18
Beide partijen grieven nog dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de totale vordering van de man op de gemeenschap € 124.793,- bedraagt.
5.19
Nu deze grieven van zowel de vrouw als de man geen zelfstandige betekenis hebben gelet op het vorenstaande, behoeven deze grieven geen nadere bespreking.
Som van € 10.000,- op de Turkse bankrekening
5.2
Partijen grieven beiden tegen de beslissing van de rechtbank dat het saldo van € 10.000,- op de bankrekening van de vrouw bij de [bank] in Turkije in de beperkte gemeenschap valt.
5.21
De vrouw stelt dat dit bedrag een door haar stiefvader gedane gift betreft. Er is geen aanwijzing dat deze gift bedoeld was voor beide echtgenoten of dat er is bepaald dat deze in de gemeenschap valt. De vrouw heeft hiermee het wettelijk vermoeden van gezamenlijkheid voldoende weerlegd.
5.22
De man stelt dat nergens uit blijkt dat het om een gift gaat die onder uitsluitingsclausule is verkregen. Daarnaast kan er geen sprake zijn van een gift want de ‘vader’ van de vrouw heeft het bedrag van € 10.000,- van partijen ontvangen en dit geld op verzoek van partijen op een Turkse bankrekening gestort. De man heeft daarnaast geen weet van het saldo op de Turkse bankrekening omdat de vrouw geen informatie verschaft. Het laatst bekende saldo voor de man was € 36.000,-, zodat de vrouw een bedrag van € 18.000,- aan de man dient te voldoen.
5.23
Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt vast dat er op 1 augustus 2023 een bedrag van € 10.000,- op de bankrekening bij de [bank] ten name van de vrouw is gestort. Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2021 in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. De gemeenschap omvat alle goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen, met uitzondering van krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen (artikel 1:94 lid Pro 2, aanhef en onder a BW). Het hof is van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat het bedrag van € 10.000,- krachtens gift is verkregen. Dit bedrag is derhalve in de beperkte gemeenschap van goederen gevallen. De grief van de vrouw treft geen doel.
5.24
Het door de man gestelde saldo van € 36.000,- op de Turkse bankrekening is door de vrouw betwist en door de man niet onderbouwd, zodat de man niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. De grieft van de man treft eveneens geen doel.
Inboedel echtelijke woning
5.25
De vrouw grieft dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de huisraad onvoorwaardelijk aan haar wordt toegedeeld tegen een vergoeding van € 3.000,- aan de man. De huisraad is nauw verbonden met de echtelijke woning en specifiek voor de woning aangeschaft. De vrouw wenst alleen de huisraad te verkrijgen indien de woning aan haar wordt toegedeeld.
5.26
De man stelt dat hij de huisraad niet wil omdat de vrouw een nieuwe partner heeft en het aannemelijk is dat hij eveneens die goederen gebruikt wanneer hij in de echtelijke woning is. De man weet daarnaast niet hoe de vrouw is omgegaan met de huisraad.
5.27
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de man de inboedel niet toebedeeld wenst te krijgen en dat de vrouw de inboedel alleen toebedeeld wenst te krijgen, indien ook de woning aan haar wordt toegedeeld. Nu het hof onder rechtsoverweging 5.6 anders beslist, zal het hof bepalen dat partijen de inboedel dienen te verkopen onder verdeling van de helft van de verkoopwaarde.
Eigenaars- en gebruikerslasten van de echtelijke woning
Regresvordering aflossingen hypotheeklening
5.28
De vrouw stelt dat zij sinds augustus 2024 naast de volledige hypotheekrente ook de volledige maandelijkse aflossing op de gezamenlijke hypotheeklening heeft voldaan. De vrouw heeft in de periode van augustus 2024 tot en met september 2025 € 15.463,73 afgelost. De vrouw heeft jegens de man een regresvordering van het bedrag dat zij meer heeft voldaan dan haar aandeel, namelijk € 7.731,87 (50% van € 15.463,73) en de toekomstige aflossingen op de gezamenlijke lening die zij na september 2025 zal blijven voldoen.
5.29
De man stelt primair dat de vrouw dit verzoek niet voor het eerst in hoger beroep kan doen. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de man om het vaststellen van een gebruiksvergoeding afgewezen, juist omdat geoordeeld is dat de vrouw alle eigenaarslasten dient te voldoen. Voorts betwist de man dat de vrouw een bedrag van € 15,463,73 heeft afgelost, dit bedrag is door de vrouw niet nader onderbouwd. Daarnaast zijn de toekomstige betalingen niet geconcretiseerd en kunnen deze daarom niet worden toegewezen.
5.3
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 283 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, de verzoeker bevoegd is om het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. In geval van verandering of vermeerdering van het verzoek is artikel 130 Rv Pro van overeenkomstige toepassing in de verzoekschriftprocedure. Op grond van deze bepaling kan de verweerder bezwaar maken tegen de verandering of vermeerdering vanwege strijd met de goede procesorde. Krachtens de schakelbepaling van artikel 362 Rv Pro is artikel 283 Rv Pro ook van toepassing in hoger beroep. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft in eerste aanleg meerdere verzoeken gedaan waardoor het haar in beginsel vrij staat in hoger beroep haar verzoek te veranderen of te vermeerderen, waarbij onder het vermeerderen van een verzoek ook het doen van een geheel nieuw verzoek moet worden begrepen. De toelaatbaarheid van het gewijzigde of vermeerderde verzoek moet worden getoetst aan de eisen van de goede procesorde. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van strijd met de goede procesorde.
5.31
Het hof overweegt voorts als volgt. Ten aanzien van de door de vrouw gedane hypothecaire aflossingen vanaf augustus 2024 tot aan de datum van de feitelijke levering van de echtelijke woning, geldt dat de man hier voordeel van geniet. De hypothecaire schuld, waar partijen voor de helft draagplichtig voor zijn, is daarmee immers afgenomen. Het hof zal daarom bepalen dat hetgeen de vrouw vanaf augustus 2024 op het aandeel van de man in de aflossingen heeft voldaan, door de man aan de vrouw vergoed dient te worden. Indien de woning wordt verdeeld/geleverd bij de notaris, dient derhalve een afrekening tussen partijen plaats te vinden. De grief van de vrouw treft doel.
WOZ-aanslag en aanslagen [zelfstandig overheidslichaam]
5.32
De man grieft dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat beide partijen draagplichtig zijn voor de WOZ-aanslagen en de aanslagen van [zelfstandig overheidslichaam] over de jaren 2024 en 2025. De man heeft sinds januari 2024 geen toegang meer tot de echtelijke woning omdat de vrouw de sloten heeft vervangen. De vrouw heeft voorts het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zodat de vrouw alle eigenaarslasten en gebruikerslasten dient te voldoen.
5.33
De vrouw stelt dat de peildatum 2 mei 2024 betreft en dat tot die datum de lasten worden beheerst door het huwelijksvermogensrecht en deze in beginsel ten laste van de gemeenschap komen. Daarnaast zijn de betalingen van de gemeentelijke heffingen tot en met juli 2024 vanuit de gemeenschappelijke bankrekening voldaan, zodat de vrouw heeft meebetaald aan deze kosten. De hoogte van de aanslag met betrekking tot de rioolheffing en afvalstoffen is daarnaast afhankelijk van het aantal inwoners. De man staat nog steeds ingeschreven in de echtelijke woning zodat de vrouw deze kosten niet volledig dient te betalen.
5.34
Het hof overweegt als volgt. Tot aan de datum waarop partijen de echtscheidingsbeschikking hebben ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand gelden tussen partijen de bepalingen van Boek 1 titel 6 BW, meer in het bijzonder artikel 1:81 BW Pro en artikel 1:84 BW Pro. Ingevolge artikel 1:81 BW Pro zijn echtgenoten gehouden elkaar het nodige te verschaffen, waaronder ook het gebruik van de echtelijke woning dient te worden begrepen. Dit geldt naar het oordeel van het hof ook ten aanzien van de door de man verzochte vergoeding voor de eigenaars- en gebruikerslasten tot aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Het hof wijst dit verzoek van de man dan ook af. In hoger beroep is vast komen te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 14 november 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het hof acht het redelijk, nu de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft, dat zij na deze datum tot aan de datum van de levering/verdeling van de echtelijke woning bij de notaris, deze kosten volledig zal voldoen. De grief van de man treft in zoverre geen doel.
Voorwaardelijk verzoek van de man tot een gebruikersvergoeding
5.35
De man heeft het hof voorwaardelijk verzocht, indien het hof bepaalt dat de vrouw een regresvordering heeft op de man ten aanzien van de hypotheekaflossingen, de vrouw een gebruiksvergoeding dient te bepalen per 1 februari 2024 tot aan de datum van de levering van de woning van € 698,- per maand.
5.36
Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor onder 5.34 reeds overwogen geldt tussen partijen tot aan de datum waarop partijen de echtscheidingsbeschikking hebben ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de bepalingen van Boek 1 titel 6 BW, meer in het bijzonder artikel 1:81 BW Pro en artikel 1:84 BW Pro. Ingevolge artikel 1:81 BW Pro zijn echtgenoten gehouden elkaar het nodige te verschaffen, waaronder ook het gebruik van de echtelijke woning dient te worden begrepen. Tot die tijd is er geen ruimte voor een gebruiksvergoeding. Zoals hiervoor onder 5.34 reeds overwogen is het hof van oordeel dat de vrouw na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand alle eigenaarslasten (met uitzondering van de aflossing van de hypotheekschuld) als eigen schuld voor haar rekening dient te nemen. De aanspraak van de man valt daartegen weg. De grief van de man treft geen doel.
Sieraden en kostbaarheden in de kluis
5.37
In geschil is de verdeling van de sieraden en kostbaarheden die partijen kort na hun huwelijk hebben gedeponeerd in een kluis die gelegen is buiten de echtelijke woning.
5.38
De man grieft dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering van € 10.000,- op de vrouw heeft afgewezen. De vrouw dient primair € 41.000,- aan de man te betalen en subsidiair € 20.500,-. De vrouw heeft de kluis leeggehaald en dit kan de man bewijzen. Door toedoen van de vrouw kan de man niet de waarde van de sieraden en de andere kostbaarheden aantonen. Hij begroot de waarde op € 41.000,-. De man is van mening dat de vrouw haar aandeel heeft verbeurd. De vrouw had vrije toegang tot de kluis en zij heeft als laatste de kluis bezocht. De man heeft melding gedaan bij zijn leidinggevende dat de vrouw de kluis zou hebben leeggehaald omdat hij voornemens was aangifte te doen. De leidinggevende van de man heeft contact opgenomen met de leidinggevende van de vrouw. Door de leidinggevende van de vrouw is met de vrouw een gesprek hierover gevoerd en in dat gesprek heeft zij bij haar leidinggevende aangegeven: ‘het goud heb ik veiliggesteld’. De man doet een uitdrukkelijk bewijsaanbod door het horen van de leidinggevenden van beide partijen die kunnen verklaren dat de vrouw heeft erkend dat zij de kluis heeft leeggemaakt en/of het goud heeft veiliggesteld.
5.39
De vrouw betwist dat zij alle sieraden en kostbaarheden uit de kluis heeft meegenomen. Zij heeft de kluis later bezocht en geconstateerd dat deze nagenoeg leeg was. De vrouw betwist dat het gesprek met haar leidinggevende een bewijs zou zijn voor de stellingen van de man. De vrouw heeft tegen haar leidinggevende niet anders verklaard dan dat de kluis grotendeels leeg was. De vrouw heeft de aangetroffen sieraden veiliggesteld. Er is niet vastgesteld welke sieraden en kostbaarheden zich op enig moment daadwerkelijk in de kluis bevonden en er zijn geen waardebepalingen overgelegd waaruit de door de man gestelde waarde kan volgen. Daarnaast is niet vastgesteld wie de sieraden en kostbaarheden onder zich heeft.
5.4
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 166 lid 1 Rv Pro een verhoor van getuigen plaatsvindt als bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten en een partij bewijs heeft aangeboden van feiten die betwist zijn en die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden.
5.41
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting acht het hof niet bewezen dat de vrouw de kluis heeft leeggehaald en de inhoud van de kluis (zijnde 350 gram goud en € 1.000,- cash) heeft meegenomen. De man heeft een bewijsaanbod gedaan om de leidinggevenden van beide partijen te laten horen als getuige ter onderbouwing van zijn stelling. Gezien het feit dat de vrouw betwist dat zij de kluis heeft leeggehaald en het bewijsaanbod van de man voldoende specifiek is, zal het hof de man dan ook toelaten tot bewijs van zijn stelling dat de vrouw de kluis heeft leeggehaald.
Benadeling van de gemeenschap
5.42
De man heeft een beroep gedaan op artikel 1:164 BW Pro. De man stelt dat de vrouw kort voor de scheiding bedragen van de gezamenlijke en/of rekening van partijen naar haar privérekening heeft overgemaakt. Door schade in verband met een kapotte telefoon van de man heeft de verzekering op 15 februari 2024 een bedrag van € 928,- betaald op de gezamenlijke en/of rekening van partijen. De vrouw heeft op 16 februari 2024 een bedrag van € 850,- overgemaakt naar haar privérekening. Door schade in verband met een kapotte vrieskist heeft de verzekering op 29 november 2023 een bedrag van € 3.400,- betaald op de gezamenlijke en/of rekening van partijen. De vrouw heeft op 1 december 2023 een bedrag van € 3.300,- overgemaakt naar haar privérekening. Daarnaast heeft de man de volledige factuur voldaan voor de herstelwerkzaamheden aan de vloer.
5.43
Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt dat het bedrag van € 850,- op 5 februari 2024 een interne verschuiving van gemeenschapsgeld betreft en is aangewend tijdens het huwelijk. Het bedrag van € 3.000,- is aangewend voor een gezamenlijke vakantie naar [plaats] waar partijen op 4 december 2023 naartoe zijn gereisd. Er is geen sprake van verduistering, onttrekking of benadeling van de gemeenschap. De bedragen zijn tijdens het huwelijk ontvangen en besteed ten behoeve van de gezamenlijke huishouding.
5.44
Het hof overweegt als volgt. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door een van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het (echtscheidings)geding of binnen zes maanden daarvoor lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW Pro zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden (art. 1:164 lid 1 BW Pro). Op de man rust de stelplicht en bewijslast dat de vrouw in de periode van zes maanden voorafgaand aan 2 mei 2024 (of daarna) lichtvaardig schulden heeft gemaakt of goederen der gemeenschap heeft verspild. Uit de stukken blijkt dat er twee uitkeringen van de verzekering hebben plaatsgevonden op de gezamenlijke en/of rekening van partijen van respectievelijk € 928,- door [verzekeraar 1] en € 3.400,- door [verzekeraar 2] (productie 12 en 14 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep van de man). Dit is overigens door de vrouw ook niet weersproken. Uit de stukken blijkt vervolgens dat er op 16 februari 2024 een bedrag van € 850,- overgemaakt is naar de op naam van de vrouw gestelde bankrekening. Het bankafschrift met de overboeking van de gezamenlijke en/of bankrekening van een bedrag van € 3.300,- naar de op naam van de vrouw gestelde bankrekening ontbreekt (productie 14 en 15 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep van de man betreffen hetzelfde bankafschrift) maar is door de vrouw eveneens niet weersproken.
5.45
Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij met de overboekingen van de gezamenlijke en/of bankrekening naar haar eigen bankrekening gemeenschapsschulden heeft afgelost, zodat het hof van oordeel is dat de vrouw deze bedragen zonder duidelijke redenen heeft overgemaakt. Gelet hierop is het hof van oordeel dat sprake is van benadeling van de huwelijksgemeenschap in de zin van artikel 1:164 BW Pro. Het voorgaande leidt ertoe dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld voor een bedrag van in totaal € 4.150,- (€ 850,- en € 3.300,-) en de vrouw hiervan de helft (€ 2.075,-) aan de man moet vergoeden.
Factuur herstelwerkzaamheden vloer echtelijke woning
5.46
De man stelt voorts dat de door de lekkage van de vrieskist beschadigde vloer door een aannemer is hersteld voor een bedrag van € 500,-. De man heeft de volledige factuur van de aannemer betaald omdat de vrouw niet reageerde op de betaalverzoeken van de man.
5.47
De vrouw stelt dat de herstelwerkzaamheden van de vloer vallen onder de gezamenlijke lasten.
5.48
Het hof overweegt als volgt. Het hof begrijpt het verzoek van de man aldus dat de man zich op het standpunt stelt dat de vrouw de helft van het door de man aan de aannemer betaalde bedrag voor het herstellen van de beschadigde vloer in de echtelijke woning aan de man dient te voldoen. Het hof stelt vast dat deze betaling heeft plaatsgevonden op 22 maart 2024 (productie 16 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep van de man), aldus voor de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap, zijnde 2 mei 2024. De man heeft de genoemde transactie aldus verricht tijdens het huwelijk van partijen zodat deze kosten, kosten van de huishouding betreffen. Voor zover de man stelt dat hij meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe hij op basis van artikel 1:84 BW Pro gehouden is, heeft hij in beginsel een vordering op de vrouw. Op basis van de door de man gestelde feiten kan het hof niet vaststellen of de man een vordering heeft op de vrouw op grond van artikel 1:84 BW Pro aangezien de inkomensgegevens van partijen ontbreken en het hof geen inzicht heeft in de totale omvang van de kosten van de huishouding. Het hof wijst het verzoek van de man dan ook af.
Verdeling saldo gezamenlijke en/of rekening en spaarrekening
5.49
De man stelt dat de vrouw eenzijdig de gezamenlijke spaarrekening en de en/of bankrekening bij de Rabobank heeft opgezegd. De man wil dat het saldo op de peildatum van 2 mei 2024 aan de vrouw wordt toegedeeld waarbij de vrouw de helft van het positieve saldo aan de man dient te voldoen. Volgens de man is dit een bedrag van € 509,- (€ 1.018,- /2).
5.5
De vrouw stelt dat er op de peildatum op deze rekeningen een negatief saldo van € 956,14 stond. De vrouw heeft na de peildatum het negatieve saldo uit eigen middelen aangezuiverd. Partijen hebben daarna pas de rekening laten opheffen.
5.51
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken is het hof gebleken dat er op de gezamenlijke en/of rekening op de peildatum sprake was van een negatief saldo van € 956,14 en op de gezamenlijke spaarrekening een positief saldo van € 2,50 (productie 9 bij het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw). Het door de man gestelde positieve saldo van € 1.018,- op de gezamenlijke rekeningen is door de man niet onderbouwd. Het hof wijst het verzoek van de man dan ook af.
Proceskosten
5.52
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
5.53
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de verdeling van de echtelijk woning, de vordering van de man op de gemeenschap en de verdeling van de inboedel betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt de verdeling van de woning aan [adres] [postcode] te [plaats] (hierna: de woning) als volgt vast:
1. deelt de woning toe aan de man tegen een waarde van € 755.000,- onder de volgende voorwaarden;
a. onder de verplichting dat de vrouw ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij Coöperatieve Rabobank U.A. De man dient binnen vier maanden na datum van deze beschikking aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij Coöperatieve Rabobank U.A.;
b. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de waarde van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire leningen ten tijde van de overdracht;
c. de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
d. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. in het geval de man de woning niet kan overnemen onder de hiervoor onder 1 genoemde voorwaarden dan wordt de woning toegedeeld aan de vrouw op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als genoemd onder 1, waarbij geldt dat waar man staat moet worden gelezen vrouw en omgekeerd;
3. in het geval geen van partijen de woning kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
partijen verstrekken binnen één week – nadat de onder 1. genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen – aan de bij hen bekende makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen adviseren ter vaststelling van de vraag- en laatprijs van de woning;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de waarde van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire leningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
bepaalt dat de man een vergoedingsrecht heeft van € 83.072,- op de gemeenschap en bij onvoldoende verhaal – op de vrouw ten hoogste van € 41.536,-, te voldoen vanuit haar aandeel in de overwaarde van de woning op het moment van overdracht van de woning aan een van partijen of een derde;
bepaalt dat de man een vergoedingsrecht heeft van € 31.000,- op de gemeenschap en bij onvoldoende verhaal – op de vrouw ten hoogste van € 15.500,-, te voldoen vanuit haar aandeel in de overwaarde van de woning op het moment van overdracht van de woning aan een van partijen of een derde;
bepaalt dat de inboedel in de echtelijke woning verkocht dient te worden aan een derde, onder verdeling van de helft van de verkoopwaarde;
bepaalt dat de vrouw een regresvordering heeft op de man voor de helft van de door haar gedane hypothecaire aflossingen, zijnde € 7.731,87, alsmede de helft van de toekomstige aflossingen op de gezamenlijke hypotheeklening die de vrouw na september 2025 zal hebben voldaan, tot aan de datum van overdracht van de woning aan een van partijen of een derde;
bepaalt dat de vrouw wegens benadeling van de gemeenschap een bedrag van € 2.075,- aan de man dient te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
alvorens nader te beslissen omtrent het goud en de overige kostbaarheden:
laat de man toe tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat de vrouw al het goud en de kostbaarheden uit de kluis heeft genomen en wel door het horen van onder meer de leidinggevenden van beide partijen als getuigen;
bepaalt dat de getuigen zullen worden gehoord door de meervoudige kamer, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag op een nader te bepalen dag en uur;
bepaalt dat partijen binnen twee weken na datum van deze beschikking de verhinderdata dienen op te geven van partijen, de advocaten en de getuigen in de maanden juni, juli, augustus, september en oktober 2026. Het hof verzoekt partijen ervoor te zorgen dat alle getuigen tijdens één zitting kunnen worden gehoord;
bepaalt dat de man zal zorgdragen voor het oproepen van de getuigen;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van dit punt aan;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier en is op 17 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.